Skip to main content

Full text of "Reizen en onderzoekingen in den Indischen archipel, gedaan op last der Nederlandsche Indische regering, tusschen de jaren 1828 en 1836"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



I 



BOD: M92£13i,2 



Presented hy 
the Friertds of the Bodleian 



WERKEN 



VAN MET 



KONINKLIJK INSTITUUT 



VOOR 



TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 



VAN 



NEDEBLANDSCH-INDIË. 



TWEEOË AFDEELIN6. 



AFZONDERLIJKE WERKEN. 



S. MÜLLEK. REIZEN IN DEN INBISCHEN ASCHIPEL. I. 



AMSTERDAM, 

FREDERIK MULLER. 

1857. 



a*^ 



NB. De EERSTE AFDBELiNG dezer Werken bestaat uit de: 

BIJDBAGEN VOOK TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE 

VOOB NEEBLANDSCH-INDIE. 

waarvan de Eerste Serie in 4 deelen is uitgegeven van 
1853—1856, en het V^ en 2^^ si der Nieuwe Serie in 
1856 verscheen. 



— MMNaMMM««Mak^BM< 



KEIZEN EN ONDERZOEKINGEN 



IN DEN 



INDISCHEN ARCHIPEL , 



GEDAAN 



OP LAST DER NEDERLANDSCHE INDISCHE REGERING, 
TÜSSCHEN DE JAREN 1828 EN 1836. 



DOOR 



D^ SALOMON MULLER. 



NIETrWE UITGAVE, ICET YEBBETERINGEN DOOB DEN SCHRUVEB, 

XTiraEOEYEN VAN WEGEN HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOB DB TAAL-, 

LAND- EN VOLKENKUNDE VAN NEDEBLANDSCH-INDlË. 



EERSTE DEEL. 



MET KAARTEN EN PLATEN. 



AMSTERDAM, 
FEEDERIK MULLEE. 

1857. 



^' 



pOLe/4 



4,^ 



1 8 Nüv 1892 



BERIGT. 



De eerste uitgave van dit werk verscheen in de jaren 
1839 — 1844 onder den titel: Verhandelmgen over de natuur- 
lijke geschiedenis der Nederlandsche Overzeesche bezittingen^ 
door de Leden der Natuurkundige Commissie en andere schrijd 
vers, uitgegeven op last van den Koning door C. J. Temminck. 
Deze Verhandelingen beslaan drie deelen in folio, namelijk reen 
deel Botanie, een deel Zoölogie en êéa. deel Land- en Volkenkunde. 
De in het laatstgenoemde deel voorkomende stukken zijn allen 
in deze nieuwe uitgaaf opgenomen, uitgezonderd alleen eene 
natuurkundige bijdrage, welke tot opschrift heeft: Gezigten 
van bergen, kraters, kusten en eilanden van Java, Sumatra 
en de straat Sunda, en waarvan het daartoe behoorende 25-tal 
platen eigenlijk de hoofdzaak is. Om de kosten dezer nieuwe 
uitgaaf, in klein formaat , zoo min mogelijk te verhoogen , zijn 
hierbij slechts weinige platen gevoegd; doch de kaarten, tot 
nadere toelichting der beschrevene landstreken noodzakelijk 
zijnde, vindt men hier allen terug. 

De belangrijkheid der genoemde verhandelingen is de rede 



VI. BEBIGT. 



geweest dat het Instituut heeft besloten om door eene nieuwe, 
min kostbare uitgave het gedeelte, dat over Land- en Volken- 
kwade van Nederlandsch-Indiê handelt, meer algemeen bekend 
te maken, iets waaraan de hooge prijs van de eerste uitgaaf 
steeds in den weg stond. Voor de medewerking die het daartoe 
van de Begering en van den schrijver ondervond , mag het niet 
nalaten hier openlijk zijne erkentelijkheid te betuigen. 



INHOUD. 



BIJDBAGEN TOT DE KENNIS VAN NIEüW-GüINEA . . Blz. 1 — 128. 

Inleidinq . Blz. 3 — 16. 

Eebste apdeeuno. Physische gesteldheid, uiterlijk aanzien Tan het 
land, en vaarwater langs hetzelve. Hoedanigheid van den grond; planten; die- 
ren. Lnchtgestel; winden strooming der zee nab^' den wal, enzv. Blz. 17 — 44. 

Tweede afdeeuno. Statistieke en ethnographische berigten. Dis- 
trikten, dorpen of gehnchten en woningen; inboorlingen der verschillende 
streken: hnnne gestalte, klenr, versierselen, wapenen, gereedschappen, enzv.; 
hunne beschaving, instellingen, zeden en gewoonten; handelsbetrekkingen 
met vreemdelingen, enzv Blz. 45 — 106. 

Debde AVDEELING. Bezitneming der kust door het Nederlandsche 
Gouvernement, benevens eenige algemeene denkbeelden omtrent de re- 
den, welke, onder anderen, daartoe aanleiding hebben gegeven. Blz. 107 — 112. 

Lust van eenige woorden uit de vebschillende talen ter zuidwest- 
kust VAN NIEUW-OUINEA GESPROKEN WORDENDE. . . . Blz. 113 — 117. 

Aanteekkningen Blz. 118 — 128. 



«I ■! *m 'iJ 



VIII. INHOUD. 

REIS IN HET ZUIDELIJK GEDEELTE VAN BOENEO . Blz. 129 — 326. 

I. Het voormalige r^lc Bandjermasin en de tegenwoordige hoofdplaats van 

dien naam Blz. 131 — 152. 

II. Reis van Bandjermasin naar het binnenland, langs de Soengi Doeson 

en over deze rivier terng naar de Soengi Beadjoe . Blz. 152 — 266. 

in. Reis door een gedeelte der Snltans- en zoogenaamde Lawut-landen, ten 

oosten en zuidoosten van de hoofdplaats Bandjermasin. Blz. 267 — 309. 

Aanteekeninoen Blz. 310 — 326. 



KAAETEN EN PLATEN. 



Kaart van een gedeelte der zuid- en zuidwestkust van Nieuw-Guinea. 

„ van de kost- en binnenlanden van Bandjermasin. 

„ van Bandjermasin» Martapoera en een gedeelte der Lawut-landen. 
Dorp aan den mond der rivier Oetanata, tegenover bl. 50. 
Gezigt op den berg Lamantjeri, tegenover bl. 110. 
Het Digaksche dorp Groena, in de rivier Beadjoe , tegenover bl. 244. 



BIJDRAGEN 



TOT 



DE KENNIS VAN 



NIEUW-GUINEA 



I.AMD- KN VOI.KKNKL'NDK. 



INLEIDING. 



De reis, die ik in het jaar 1828 met Zijner Majesteits korvet 
Triton , langs een gedeelte der zuidwest-kust van Nieuw-Guinea 
deed, behoort ongetwijfeld tot een' mijner belangrijkste togten 
in de Indische zeeën. Van slechts weinige, tusschen de keer- 
kringen en in de gematigde luchtstreken gelegene eilanden 
van noemenswaardige uitgestrektheid, zijn tot den huidigen 
dag de kusten zoo zelden door Europeanen aangedaan en weten- 
schappelijk onderzocht, als juist die van dit groote Papoeasche 
gebied. Dit moet des te meer verwondering baren, wanneer 
men in aanmerking neemt, dat hetzelve tot de vrpegst ont- 
dekte streken dier gewesten behoort, en daarenboven zoo digt 
bij de Molukken gelegen is, welke, uithoofde hunner kostbare 
voortbrengselen van specerijen, de oplettendheid van alle 
zeevarende natiën steeds in eene hooge mate hebben tot zich 
getrokken. 

Volgens de Portugesche geschiedschrijvers, zoude doorG.de 
Meneses, in het laatst van 1526 , de eerste verkenning op 
Nieuw-Guinea zijn gedaan. Uitgezonden door den Onderkoning 
van Goa, Lopez de Sarapajo, om de woelingen in de Moluk*- 
ken te dempen en het bestuur van Ternate op zich te nemen. 



4 

werd Meneses op reis derwaarts door zware winden en stroomen 
naar de Fapoeasche kusten afgedreven, waar hij, uithoofde van 
het ongunstige weder, onderscheidene maanden, naar men wil 
tot het kenteren der moeson van het volgende jaar, verbleef, 
zonder dat men evenwel met juistheid de plaats weet, waar 
hij eigenlijk geweest zij. De Spaansche geschiedschrijvers betwis- 
ten hem om die reden de eer der ontdekking vaii het onder- 
havige land, en kennen haar toe aan hunnen landgenoot Alv. 
de Saavedra, een' bloedverwant van Fern. Cortez, die iji 
1528, op zijne terugreis van Tidore naar de westkust van 
Amerika, in eene groote bogt bij zekere eilanden, die hij 
Goud-eilanden noemde, het anker uitwierp, en wel vermoe- 
delijk aan Nieuw-Guinea's noordkust. In datzelfde jaar werd 
ook Ant. Urdanetta met het aanwezen van dit eiland bekend, 
en het is waarschijnlijk, dat ook deze ontdekking in het noor- 
delijk gedeelte van hetzelve plaats vond. In 1548 snevende Bern. 
della Torre, van de Philippijnen naar Amerika overstekende, 
vele mijlen langs het noordoostelijke gedeelte van het Fapoea- 
sche land, en, wanneer de berigten, welke in sommige oude 
reisbeschrijvingen nopens 3ien togt gevonden worden, juist zijn, 
dan moet deze zelfde della Torre op de hoogte van het eiland 
Arimo^ zelfs eene landing gedaan hebben. De bescheiden, die 
wij intusschen hieromtrent bezitten, zijn ten hoogste gebrek- 
kig. Hetzelfde geldt ook ten opzigte van hetgeen wij weten 
aangaande Ynigo Ortez.de Rez (of £otha), die in gezelschap 
met den bovengeuoemden Torre, het bedoelde land, in 1545, 
zoude bezocht en, wegens deszelfs negerachtige bewoners, het 
den naam van Nova-Guinea hebben gegeven. Volgens opgave van 
Dr. G. Hassel {Handbuch der neuesien UrdbescAreibung ^ B. 
23, p. 313) moet zich in de Groot-Hertogelijke Kaarten-ver- 
zameling te Weimar, eene oude Spaansche zeekaart bevinden 
van het jaar 1558, op welke dit eiland reeds in omtrek staat 
aangeteekend, doch zonder benaming. Alv. de Mendana, die 
in 1567 de Zuidzee bevoer, schijnt ondertusschen toen reeds 
den naam, welken het tegenwoordig draagt, gekend te hebben, 
vermits in zijn reisverhaal voorkomt, dat hij de eilanden, na 
drie maanden zeilens van Feru door hem ontmoet, en, uithoofde 



van derzelver schijnbare rijkheid aan goud, door het scheepa 
volk Salomons-eilaiiden genaamd, als zaïnenhangende met Nova- 
Gainea vooronderstelde. 

Meer bepaald en ook van meer geschiedkundige waarde zijn 
de berigten der ontdekkingsreizen, welke van het begin der 
zeventiende eeuw af aan , naar Nieuw-Quinea gedaan zijn. Het 
HoUandsche vaartuig de Duifhen, dat in 1605 tot het doen 
van landverkenningen van Bantam uitgezonden was, ontdekte, 
in het daarop volgende jaar, den zuid-westelijken hoek van 
Nieuw-Ouinea, welk landpunt ,door de schepelingen Yalsche 
Kaap 1) werd genoemd, omdat zij zich in hun eerst opgevat 
denkbeeld van , na die punt te zijn qmgezeild ,reen open vaar- 
water naar het Oosten te zullen vinden, bedrogen zagen. — 
Of L. Vaez de Torres, op zijnen in datzelfde jaar (1606) vol- 
bragten togt door de straat, die Nieuw-Guinea van Nieuw-Holland 
scheidt en thans den naam van dien Spaanschen zeeman draagt, 
de zuidkust van het eerstgenoemcfe eiland al dan niet gezien 
hebbe , laat zich uit de onvolledige berigten , welke van dien togt 
bekend zijn geworden, niet wel opmaken. Nogtans schijnt uit 
eene zinsnede, voorkomende in zijnen brief aan den Koning van 
Spanje, gedagteekend Manilla den 12^*° Julij 1607, en te 
vinden in het Bijvoegsel tot het 2^® Deel van Burney's Voya- 
gehand Diseoveriea in the South Sea^ te blijken, dat hij be wes- 
ten de groote zuid-oostelïjke landtong, een goed eind ver, min of 
meer digt langs den wal is gestevend. Het land echter, dat 
hij voor het zuid-oostelijkste begin van Nieuw-Guinea aanzag , 
schijnt, naar het gevoelen van latere zeereizigera, eeu gedeelte 
van datgene te zijn geweest, hetwelk tegenwoordig Louisiade 
heet. 

De wakkere en ondernemende Will. Gom. Schouten en Jac. 
Le Maire kwamen , op hunnen avontuurlijken togt om de Kaap 
Hoorn en door de Zuidzee, in de maand Julij 1616, onver- 
wachts bij de oostkust van Nieuw-Guinea aan. Zij zeilden haar 
vele dagen achtereen ^ in eene noord- westelijke rigting, langs 
en wierpen eindelijk het anker in de nabijheid van drie lage 
eilanden, die digt met kokospalmen waren bedekt, vrij sterk 
bevolkt schenen te zijn, en door de bewoners Moa, Insou en 



6 

Arimoa ^) genoemd werden. Naardien gemelde reizigers bij hunne 
poging om aldaar te landen, niet behoedzaam en voorzigtig 
genoeg te werk gingen , werden zij , bij de aannadering hunner 
sloep, door de inboorlingen met een^ regen van pijlen begroet, 
en zestien hunner manschappen daardoor verwond. Den 20'^*" 
van dezelfde maand zetteden zij hunnen togt op nieuw noord- 
westwaarts voort en ontdekten, eenige dagen later, een schoon 
en groot eiland, dat, ter eere van Schouten, met diens naam 
werd bestempeld. Hetzelve vormt, met de eilanden Jobie, Bultig 
en het zoogenaamde Lange eiland , eenen noordelijken dam voor 
de groote baai Geelvink, in het noord-oostelijke gedeelte van 
Nieuw-Guinea. Latere Jberigten .hebben geleerd, dat het door 
de bewoners Mysory wordt genoemd. 

De Bevelhebbers der Hollandsche bezittingen in Oost-Indiê, 
bezield van ijver en vol groote plannen om het gezag en de 
handelsondernemingen der Compagnie in die gewesten meer en 
meer uit te breiden, zonden weldra op nieuw vaartuigen uit, 
tot het doen van nasporingen omtrent de landen, derzelv^ 
bewoners en voortbrengselen, welke ten Zuiden en ten Oosten 
van.de Molukken gelegen zijn. Met dat doel vertrokken in 
1623 twee jagten naar de gezegde streken. Deze vaartuigen 
schijnen het. eerst ergens aan den zuidkant van Nieuw-Guinea 
te zijn aangeland, waar J. Carstens, een der bevelvoerders dier 
bodems, met acht zijner schepelingen verraderlijk aangetast 
en om het leven gebragt werd. Van daar stevenden alstoen de 
jagten naar de noordkust van Nieuw-Holland, en hier binnen 
de groote bogt gerakende, die den naam van Garpentaria 
draagt, ontdekten zij aan hare oostzijde het land , aan hetwelk 
de naam van Arnhem, naar een hunner vaartuigen, gegeven 
werd. 

In 1636 zond de Gouverneur-Generaal van Diemen insgelijks 
twee vaartuigen, Klein-Amsterdam en Wezel genaamd , onder 
het bevel van zekeren Ger. Pool, naar Nieuw-Guinea, Pool 
vertrok den 17*®** April van Banda en deed de westkust van 
het land der Papoea^s , op omtrent ééVs g^^^&d zuiderbreedte, aan. 
Hier begaf hij zich met zijnen schrijver en eenige matrozen 
naar wal ; maar naauwelijks was hij aldaar aangekomen , of hij 



7 

zag zich door eenen talrijken hoop wilden overvallen eu werd 
bij die gelegenheid met nog drie zijner reisgenooten wreedaardig 
vermoord. — Van Diemen gaf vervolgens, in 1642, aan den 
koenen Abel Tasinan bevel, om met twee schepen (Heemskerk 
en Zeehaan 3)) naar het Zuidland op ontdekkingen uit te 
gaan: eene reis, die zulke gewigtige uitkomsten voor de zee- 
vaart en de aardrijkskunde opleverde, en Tasmans naam , zoowel 
als dien van zijnen schrandereu. lastgever, op eene roem volle 
wijze vereeuwigde. Daar wij ons echter hier alleen met dat 
gedeelte van dien gedenkwaardigen togt onledig houden , hetwelk 
tot Nienw*Guinea betrekking heeft, zullen wij slechts aanmerken, 
dat Tasman, na Nieuw-Holland te zijn rondgezeild, langs de 
oostkust van Nieuw-Guinea koers zettede, eenige dagen bij de 
eilanden Moa en Insou vertoefde, en vervolgens, voorbij het 
eiland Schouten en om het noordelijke gedeelte van het groote 
Papoeasche land, naar de Molukken stevende. Aan den noor- 
delijksten uithoek van Nieuw-Guinea gaf hij den naam van 
Kaap de Goede Hoop: een' naam, waarmede ook reeds vroeger 
door Schouten de noord-westelijke punt van het naar hem ge- 
noemde eiland was gedoopt, en wel om reden, dat hij bij het 
voorbij zeilen van dezelve zich aan de grens der Moluksche wa- 
teren dacht te bevinden en nu regt op die eilanden te kunnen 
aanhouden. 

Na dien tijd schijnen er vele jaren verloopen te zijn , zonder 
dat eenig vaartuig deze van zwarte, negerachtige menschen be- 
woonde landen bezocht heeft. Het eerst volgende berigt van 
zulk een* togt, in de geschiedboeken opgeteekend , maakt mel- 
ding van twee sloepen, die in 1663 van Banda naar' Nieuw- 
Guinea werden uitgezonden. Aan het hoofd dezer onderneming 
stond zekere kapitein Vink. Volgens zijne, door Yalentyn ge^ 
boekstaafde opgaven , heeft hij aan de westkust , in het noordelijk 
gedeelte van het eiland, eenige gehuchten bezocht, en wel in 
het rijk van Onin. De groote inham, waarvan Yink gewag 
maakt, is waarschijnlijk de zoogenaamde Mc. Cluer's inlet, 
van de nieuwere kaarten. Volgens zijn verhaal bestaat de kust 
aan weerskanten van die groote bogt uit hoog land , dat echter 
hier en daar door laag voorland bezoomd is; geheel in het bin- 



8 

nenste van den inham is de grond moerassig en in verre uit- 
gestrektheid vlak. Er moeten vele kleine eilandjes langs de kanten 
verspreid liggen , en een sterke stroom en hoog getij , dat soms 
tot anderhalven vadem rijst en valt, in dien inham bespeurd 
worden. Voor het overige is ook dit verhaal even arm aan mel- 
dingswaardige berigten omtrent de voortbrengselen van het land 
en deszelfs bewoners, als zulks met alle vroeger vermelde reizen 
naar die oorden het geval is. Ook dedaarop volge&detogt van 
den opperkoopman Keyts, die in 1678 met t wee jagten eneene 
sloep van Banda naar de kust van Nieuw-Gainea onder zeil 
ging, levert over het geheel slechts weinige bijzonderheden op, 
die met genoegzame kennis en oordeel zijn opgeteekend. Keyts 
heeft nagenoeg dezelfde kuststreek aan de westzijde van het land 
der Papoea^s bezocht, die Vink en andere zijner voorgangers 
aandeden. Het belangrijkste van dien togt is door Yalentyn , in 
'zijne beschrijving van Banda, medegedeeld, uit welk berigt wij 
hier alleen zullen overnemen, dat de westkust van Nieuw-Guinea, 
tusschen 3 en 4 graden Zuiderbreedtis , ten deele tamelijk hoog 
en bergachtig is, ëene menigte bogten en baaijen vertoont, en 
dat een aantal min of meer groote eilanden langs dezelve ver- 
spreid liggen. Binnen eene ruime baai, welke Keyts, ter eere 
van den lateren Gouverneur-Gteneraal Speelman, met diens 
naam bestempelde, bemerkte men, aan den oostkant, eene klip, 
ter zijde van welke de schepelingen eene groote menigte op 
staken geplaatste doodshoofden gewaar werden, alsmede hét 
standbeeld eener menschelijke gedaante. Tevens zag men er 
verscheidene onbekende letters , die met rood krijt schenen ge- 
schreven te zijn. Het kwam hun voor, dat de Cerammers met 
die oorden druk handel dreven : zij bragten voornamelijk rijst 
en glaskoralen derwaarts , en ruilden daartegen slaven en massoy- 
schors in. De inlanders toonden zich arglistig en wan- 
trouwend, en toen men op zekeren dag, op bet kleine, nabij 
de kust gelegene eiland Nametotte de watervaten wilde vullen, 
werd het ongewapende sloepsvolk eensklaps vijandelijk door de 
inboorlingen overvallen en ten deele wreedaardig van kant ge- 
maakt. 

Dampier bevoer de wateren van Nieuw-Guineain 1700. Van 



9 

Timor komende, bezocht hij het eerst het noord-westelijk ge- 
deelte, zeilde van daar om den noordkant en, nabij verschil- 
lende , iets meer oostelijk gelegene eilanden , waarvan het reeds 
vooronderstelde niet verbonden zijn met Nieuw-G uinea door hem. 
tot zekerheid gebragt werd, een tijd lang te hebben rondge- 
kruist, naderde hij op nieuw de oostkust van het laatstgemelde 
eiland; hij stuurde alstoen langs hetzelve wederom noordwaarts 
op, beginnende bij een hoog voorgebergte, hetwelk door hem 
King William's Kaap genoemd werd. Aan het, tegen over 
dezen uithoek liggende, vrij groote eiland gaf hij den naam 
van Nieuw-Brittanje. 

In 1705 bezeilde het HoUandsche schip de Geelvink de 
oostzijde van Nieuw-Guinea, ontdekte, in het noordelijke 
gedeelte, de groote baai, die onder dien naam bekend is, 
en verkende vervolgens, verder om de Zuid, eenige kusten 
van het land, 'dat eene halve eeuw later, door den Heer 
de Bougainville nader opgenomen en toen Louisiade genoemd 
werd. 

Voor zooverre men uit de weinige openbaar gemaakte berigten 
aangaande den togt van Roggeveen, in 1722 door de Zuidzee 
naar de Indische wateren ondernomen, mag oordeelen, heeft 
deze zeeman de eilanden Moa en Arimoa bezocht, en is hij 
van daar, nu eens digter en dan weder op grooteren afstand, 
langs den noordkant van Nieuw-Guinea heen gezeild. Het land, 
door Hem gezien, was meest hoog en had over het geheel een 
vruchtbaar voorkomen. 

Cart^ret en de Bougainville schijnen op hunne vaart langs 
de oost- en noordzijde van Nieuw-Guinea, deszelfs kusten slechts 
op enkele plaatsen uit de verte te hebben waargenomen; de 
eerstgemelde in 1767 , en de ander in het jaar daaraanvolgende. — 
Sonnerat, die in 1776 eene reis naar Nieuw-Guinea in het 
licht gaf, waarin men, onder anderen, een aantal planten 
en vogels van dat land vindt beschreven en afgebeeld, heeft 
zijne bouwstüifen daartoe grootendeels bijeengezameld op het 
nabij den zuidhoek van de groote baai Geelvink liggende 
eiland Jobie, werwaarts hij, in 1771, een' inspectie-togt mede- 
maakte. 



^ 10 

Omtrent de kennis der noordkust van Nieuw-Guinea heeft 
zich, in de .achttiende eenw, Porreat ongetwijfeld het meest 
verdienstelijk gemaakt. Déze scheepskapitein werd, in 1774, door 
de Engelsche Oost*Indische Compagnie uitgezonden, voorna* 
meiijk met het doel om den handel nuttig te zijn, en wel be- 
paaldelijk dien in kaneel, notenmuskaat en andere kostbare 
voortbrengselen , welke welligt hier en daar in de Molukken of 
in zoodanige landstreken ten Noord-oosten van dezelve , buiten 
het beheer der Hollanders liggende, mogten voorhanden zijn. 
Behalve het eilafid Waigiou , dat hij op onderscheidene punten 
bezocht, begaf hij zich in het begin van 1775 ook naar de bogt 
Dorey op Nieuw-Guinea , en verzamelde aldaar een aantal be- 
rigten betrekkelijk de aardrijks- en volkenkunde, de scheep- 
vaart en den koophandel. Fransche reizigers hebben na hem 
herhaalde malen diezelfde bogt aangedaan en nopens de ge- 
steldheid van het land, der gewassen, dieren en bewoners be- 
langrijke mededeelingen geleverd , vergezeld van kaarten en ook 
van vele fraaije teekeningen. De beschrijvingen der reizeri van 
de korvetten la Goquille en TAstrolabe munten in dat op- 
zigt voornamelijk uit. Behalve deze beide, onder de bevelen 
der Heeren Duperrey en Dumont d'Urville, tusschen de jaren 
1822 en 1828 volbragte reizen derwaarts, heeft ook d'Entre- 
casteaux, op zijnen roemwaardigen , doch tevens zoo hoogst 
ongelukkigen togt in 1793, een gedeelte van de oost- en noord- 
kust van Nieuw-Guinea verkend, en werden door den Heer 
Freycinet, in 1818, de eilanden Bawak en Waigiou aangedaan, 
en eenige andere punten in die streek door dien verdienstelij- 
ken zeevaarder nader bepaald. 

Door deze veelvuldige pogingen zijn thans de beide ge- 
noemde kustzijden van Nieuw-Guinéa, wat haren omtrek be- 
treft , veel beter bekend , dan de west- en de zuidkant van dit 
groote eiland, welke laatste vooral nog maar zeer weinig door 
Europeanen is onderzocht kunnen worden. De talrijke koraal- 
riffen en zandbanken, welke hier de kust als bezoomen en daar, 
waar deze het meest den vasten wal van Nieuw-HoUand 
nadert, zich tot aan diens boorden, met slechts naauwe 
openingen , uitstrekken , maken het bezoeken der kust aller- 



11 

gevaarlijkst. — Men heeft op onderscheidene plaatsen der straat 
Torres de doorvaart beproefd, maar overal met veelvuldige 
moeijelijkheden te kampen gehad , en menig schip is , ondanks 
alle aangewende pogingen en behoedzaamheid , daarbij te gronde 
gegaan. De beste koers door deze zeeëngte is tot heden toe, 
volgens de aanwijzing van kapitein Minders, digt om kaap 
York en langs de hooge eilanden heen , die onder deze noorde- 
lijke landtong van Nieuw-Holland gelegen zijn. Langs dien weg 
is deze verdienstelijke zeeman het moeiielijkste gedeelte der engte 
in 4 — 5 dagen doorgestevend. Onder de vaartuigen, die den 
doortogt meer noordelijk langs de kust van Nieuw-Guinea on- 
dernomen hebben, verdienen .vooral de Engelsche schepen Hor- 
muzQer en Ghesterfield genoemd te worden. Deze voeren in 
1793 gezamentlijk door de straat, maar hadden tot diè vaart 
niet minder dan 72, dagen noodig, waarbij het bootsvolk veel 
gebrek te verduren en menig gevaar door te staan had. Op 
het kleine eiland Daxnley werden eenige hunner vermoord; zij 
hadden zich door geveinsde welgezindheid der inboorlingen 
laten verlokken om een' nacht aan den wal over te blijven. De 
bevelhebbers dier schepen, W. Bampton en B. Alt, hébben 
intusschen veel tot de betere kennis der zuidkust van Nieuw- 
Guinea bijgedragen, en zijn misschien de eenige, welke dat 
gedeelte op onderscheidene plaatsen van nabij hebben bezigtigd. 
Kapitein Flinders deelt, in de inleiding zijner Voyage to the 
Terra auêóralis, een uittreksel hunner dagboeken mede, en de 
Heer Dalrymple heeft hunne ontdekkingen op dien togt,door 
middel van twee kaarten, bekend gemaakt. — De Admiraal 
Edwards schijnt alleen het uiteinde der zuid-oosteUjke land- 
tong van Nieuw-Guinea gezien te hebben.: het verongeluk- 
ken van het fregat Pan dor a, waarover hij toen als kapitein 
het bevel voerde, verijdelde de voortzetting van verdere ver- 
kenningen. 

Wat nu de westkust van Nieuw-Guinea betreft, deze werd 
in de laatste twee eeuwen voornamelijk door Hollandsche en 
Engelsche zeevaardeirs van tijd tot tijd bezocht en nader bepaald. 
Behalve de reeds vroeger vermelde togten naar die streek , 
hebben wij, uit een vroeger tijdperk, nog te gewagen van de 



12 

landing door Cook, in 1775, op 6° 15^ Zuiderbreedte gedaan. De 
inlanders, die, bij het ontwaren van vreemdelingen op het strand, 
al spoedig in menigte ginds en her uit de bosschen te voor- 
schijn kwamen, toonden zich vijandig en oorlogzuchtig ge- 
stemd, zoodat Cook het, na een kortstondig oponthoud, ge- 
raden vond, de kust weder te verlaten. 

Met veel moeite en inspanning schijnt de Britsohe Kapitein 
Mc. Cluer een gedeelte der noord- en westzijde van^ Nieuw- 
Guinea te hebben opgenomen ; doch zijn vroegtijdige dood deed 
zijne gedane waarnemingen en oj^ezamelde kennis grootendeels 
voor de aardrijkskunde verloren gaan. Hij vertoefde, in 1791, 
met de onder zijn bevel staande schepen Panther en End e a* 
vour, ruim vier maanden in die streken , maar de eenige vruch- 
ten, 'welke van dien onderzoekingstogt bekend zijn geworden, 
zijn de kaart door Dalrijmple in J.792 uitgegeven, en het korte 
verslag door J. P. Hockin openbaar gemaakt *). Van het slechte 
karakter der inboorlingen bevat ook dit reisberigt een staaltje, 
zijnde op zekeren dag, op eene verraderlijke wijze, de scheeps- 
doctor Nicholson door hen gedood en vier matrozen door pijl- 
schoten gewond geworden. 

Het is mij niet gebleken , dat in een tijdverloop van dertig 
jaren na Mc. Cluer, eenig schip de zuid-westelijke stranden 
van Nieuw-Guinea, met het bepaalde oogmerk om wetenschap- 
pelijke onderzoekingen in het werk te stellen , heeft aangedaan. 
In 1S26 werd echter Zijner Majesteits brik Dourga, onder 
bevel van den Luitenant-ter-zee Kolif, derwaarts gezonden, 
met den last om langs een gedeelte dier kust nasporingen te 
doen aangaande de gesteldheid van het land en den toestand 
der bewoners. De Heer Kolff stevende van Amboina naar den 
zuid-westelijken uithoek van Nieuw-Guinea; ontdekte, omtrent 24 
geographische mijlen benoorden de Yalsche Kaap, eene wijde 
opening, die hem toescheen de mond eener groote rivier te zijn, 
aan welke hij den naam van zijn vaartuig gaf s) ; waarna hij 
noor(l-west-Waarts koers zettede , tot bij een klein eiland , Lokahia 
genaamd, dat op omstreeks 184° 50' Ooster-lengte van 
Green wich, digtbij den vasten wal is gelegen. Van hier 
vertrok hij naar de Tenimber-eilanden , na alvorens te Lo- 



13 

kaliia eene vijandelijke aanranding van de zijde der bewoners te heb- 
ben wederstaan, die aan een^ man van de equipage het leven kostte. 
In het begin van 1828 werden door het Nederlandsch-In- 
dische Bestuur op nieuw twee oorlogsvaartuigen naar de zuid- 
westkust van Nieuw-Guinea afgezonden, te weten Zijner 
Majesteits korvet Triton en de Koloniale schoener Iris. Aan 
mij en vier mijner toenmalige ambtgenooten <) viel het geluk 
te beurt van dezen belangrijken togt te mogen medemaken. 
De waarnemingen, door mij en mijne overledene vrienden op 
dien togt gedaan , zullen , voor zooverre zij strekken kunnen om 
eene zoo veel mogelijk naauwkeurige voorstelling van het land en 
zijne bewoners te geven, het onderwerp dezer eerste Verhan- 
deling uitmaken. Alvorens echter daartoe over te gaan, zal 
ik , overeenkomstig het tot hiertoe gevolgde plan , om vooraf een 
beknopt overzigt te geven van de voornaamste reizen naar 
die streken ondernomen, mij hier alleen bepalen tot eene korte 
opgave van die gedeelten des lauds, welke door de voor- 
noemde schepen zijn bezocht en wat aldaar bij die gelegen- 
heden door ons is verrigt. 

Met het doel derwaarts gezonden om de kust nader op te 
nemen en eene geschikte plaats uit te kiezen tot het aanleggen 
van een etablissement, kwamen wij, met het einde der maand 
' Mei , voor de breede opening van de zoogenaamde Dourga-rivier. 
Na deze eenige dagen in eene oostelijke rigting opgevaren te 
zijn, vonden wij het raadzaam, bij de onzekerheid van, verder 
doordringende, ons oogmerk te zullen kunnen bereiken , en daar 
wij bedreigd werden met gebrek aan drinkwater, om wederom 
zee te kiezen , ten einde de kust meer noordwaarts op in oogen- 
schouw te nemen. Na hier en daar met de inboorlingen 
verkeer te hebben gehad en, zoo veel tijd en gelegenheid 
zulks toelieten, langs het land opnemingen en nasporingen 
nopens deszelfs gesteldheid te hebben gedaan, gelukte het ons , 
tusschen eene hooge, schilderachtige kust, eenè diepe en zeer 
ruime baai te ontdekken. Dit was op 3° 45' Z. breedte en 
134° 15' lengte beoosten Greenwich. Hier werd eene kleine 
sterkte gebouwd, welke den naam ontving van fort Du Bus, 
ter eere van den toenmaligen Commissaris-Generaal van Neder- 



14 

landsch Indië, den Burggraaf Du Bus de Qisignies. Gaarne 
zoude, na afloop dezer vemgtingen, de Commandant der 
Triton, overeenkomstig zijnen lastbrief , de verkenning der kust 
nog een eind weegs verder noordwaarts, al ware het ook slechts 
tot aan den grooten inham van Mc. Cluer,opdeaangevangene 
wijze hebben willen voortzetten, doch de betreurenswaardige 
staat, waarin zich de bemanning bevond , maakte de uitvoering 
van dit nuttige en loffelijke voornemen ten eenemale onmo- 
gelijk. Beide vaartuigen telden, gedurende de drie maanden, 
welke zij in die streken vertoefden , niet alleen meer dan twintig 
dooden, maar de korvet was zelfs verpligt,met meer dan zestig 
zieken aan boord , in het begin van September , naar Amboina 
terug te keeren. Kort na hare aankomst aldaar verloor zij pok 
haren Commandant Steenboom: zoodat deze reis in geenen deele 
gezegd kan worden tot de gelukkigste te behooren onder die, 
welke ter bevordering der zeevaart- en der land- en volkenkunde 
naar vreemde oorden ondernomen werden ''). 

Van dien tijd af aan voeren jaarlijks eens of meermalen de 
in de Moluksche wateren gestationeerde landsvaartuigen naar 
de westkust van Nieuw-Guinea , om zoowel de bezetting van 
den nieuw gevestigden post van de noodige levensmiddelen te 
voorzien, inzonderheid van rijst, welker bebouwing aldaar geheel 
onbekend is, als ook om de begonnen opnemingen, naargelang 
der omstandigheden, verder te kunnen voortzetten. In dit laatste 
opzigt heeft, voor zoo verre mij bekend is geworden, de Lui- 
tenant der tweede klasse van de Koloniale Marine , A. de Boer , 
zich bijzonder verdienstelijk gemaakt. Op eenen kruistogt, 
door hem in 1832 met de oorlogsschooner Sireen naar de 
onderhavige streken volbragt, heeft hij, tusschen 4° 15^ tot 
5° 15' Zuiderbreedte, onderscheidene kustopnemingen gedaan; 
rakende deels den vasten wal van Nieuw-Guinea, deels ook 
eenige der Matabella en andere daar omstreeks gelegene kleine 
eilanden. Het door hem vervaardigde plan dier waaTnemingen, 
mij door Zijne Excellentie den gewezen Minister van Koloniën , 
Graaf van den Bosch, goedgunstig medegedeerld , is mij van zeer 
veel dienst geweest ter aanvulling der kaart, waarvan deze 
Verhandeling vergezeld gaiat. 



15 

Bovenal belangrijk is intasschen de, in het jaar 1835, door 
de oorlogsschooners Postillon en Sireen, — de eerste onder 
bevel van den Luitenant -ter-zee Langenberg Kool, de laatste 
onder dat van den Lnitenant Banse, — gedane ontdekking in 
het zuid-westelijk gedeelte van Nieuw-Guinea. Het was eene 
gelukkige toevalligheid, dat die ontdekking juist plaats had 
op den heugelijkeji verjaardag van* 's Konings eefiige Dochter, 
de niet minder beminnelijke, dan innig geliefde Prinses Marianne ; 
en geen wonder derhalve, dat deze in- en buiten 's lands zoo 
hoogvereerde naam door eene Nederlandsche expeditie boven 
alle andere namen werd waardig gekeurd, om aan deze nieuwe 
ontdekking te worden verbonden. 

De Heer Langenberg Kool , die aan het hoofd dezer expeditie 
stond, was door den Heer Staatsraad Baud, toenmaals Gou- 
verneur-Generaal ad interim van Nederlandsch Indië, opzettelijk 
van Java naar Nieuw-Guinea afgevaardigd, om een nader on- 
derzoek te bewerkstelligen naar de zoogenaamde Dourga-rivier, 
en wel bepaaldelijk, of deze wezenlijk eene rivier, dan wel 
eene straat of zeeëngte was; en of zij, in dit laatste geval, 
welligt eenen veiligen en geschikten doortogt zoude kunnen 
opleveren tusschen de Indische wateren en den stillen zuidelijken 

• 

Oceaan. Met deze opdragt stevenden de beide bodems , in April 
1835 , naar de verkende opening van de vooronderstelde Dourga- 
rivier; kwamen op den 26**®° dier maand aldaar aan; zeilden 
dezelve in eene zuid-oostelijke en zuidwaartsche rigting door, 
en kwamen op den 9^**° Mei, op omtrent anderhalven graad 
beoosten de Valsche Kaap, in zee weder uit. Derhalve was 
het land, waarvan de zoo even vermelde Kaap den zuid- 
westelijken hoek vormt, een eiland , hetwelk , ter eere van Zijner 
Majesteits doorluchtigen Kleinzoon , die zich aan het gevaarvolle 
zeemansleven heeft toegewijd, en nu reeds, ondanks zijnen nog 
zoo jeugdigen leeftijd, alle werelddeelen bezoekt , Prins Frederik 
Hendriks-eiland genoemd werd. 

Ook de Fransche korvetten TAstrolabe en la Zéleé be- 
zochten, tijdens hare vaart naar den Zuidpool, in 1839, de 
westkust van Nieuw-Guinea. Zij deden eerst eene verkenning 
bij de Valsche Kaap, en zeilden vervolgens noordwaarts naar 



16 

de Tritons-baai en van daar langs de hooge en bogtrijke kust 
tot aan de Mc. CluerVinlet. De hjdrographische atlas van 
deze laatste ontdekkingsreis van Dumont d^Urville bevat ver- 
scheidene nieuwe opnemingen van gemelde kuststreek. 

Hiermede meen ik de voornaamste reizen, welke van het 
be^in der 16^^ eeuw tot het jaar 1840 de opsporing en nadere 
kennis van den omtrek der kust van Nieuw-Guinea ten doel 
hadden en min of meer bevorderden, vlugtig te hebben door- 
geloopen. Thans ga ik over tot eene meer uitvoerige vermelding 
der waarnemingen, welke wij aan den togt van de korvet 
Triton, langs den zuid-westkaht van dit eiland in het jaar 
1828 gedaan, te danken hebben. Ten einde het overzigt ge- 
makkelijker te maken, splits ik mijne opmerkingen in drie 
deelen, waarvan het eerste is toegewijd aan de beschouwing 
van de physische gesteldheid des lands , het tweede aan die der 
bewoners , en het derde aan de inbezitneming van die landstreek 
door het Nederlandsche Gouvernement. 



EERSTE AFDEELING. 



Physische gesteldheid: Uiterlijk aanzien van het land, en vaarwater langs 
hetzelve. Hoedanigheid van den grond; planten; dieren. Luchtgestel; winden; 
«trooming der zee nabq den wal, enzv. 



De gedaante en strekking der kust van het gedeelte der 
zuidwest- en zuidzijde van Nieuw-Guinea , hetwelk door de boven- 
genoemde Koninklijke vaartuigen, tusschen 1826 en 1835 
bezocht en opgenomen is geworden, wordt door de kaart, welke 
deze verhandeling vergezelt, voldoende aangewezen; zoodat 
daaromtrent geene nadere toelichtingen zullen noodig zijn. Wij 
merken alleen aan; dat de weinige, eenigzins flaauwer getee- 
kende plaatsen daarop nog min of meer als onzeker moeten 
worden beschouwd, uithoofde van den grooten afstand, waarop, 
of het mistige weder, waarbij zij bezeild werden; en dat voorts 
de gestipte plekken in het noordelijke gedeelte der kaart, zijn 
aangeteekend volgens de ruw geschetste opgaven van eenige 
Papoea's van Lobo en Wezels-eiland. 

De gesteldheid van het land langs de uitgestrektheid , welke 
de kaart aanwijst, is zeer verschillend. In het noordelijke 
gedeelte, van 132® 30', of misschien van nog geringer ooste- 
lijke lengte af, tot op die van omtrent 135° 30', is de kust 
hoog en klippig. Men ziet slechts hier en daar kleine strand- 
vlakten, voornamelijk binnen de talrijke groote of kleinere 
bogten, terwijl op andere plaatsen het gebergte steil uit zee 
oprijst, hetwelk inzonderheid bij de uitspringende hoeken 

2 



18 

dikwerf het geval is. Op omstreeks de Inatstgemelde lengte 
zuidwaarts, verwijdert zich echter het gebergte allengskens 
meer en meer van den oever , zoodat in die rigting weldra een 
wijd uitgestrekt, eften voorland zigtbaar wordt, hetwelk deze 
zelfde gesteldheid, als eene onafzienbare wildernis, tot bij 
straat Torres behoudt. — Tusschen de twee zuidelijkste breed- 
tegraden ontwaart men, zoover het oog reikt, niet het geringste 
spoor eener verhevenheid van den grond: maar op de breedte 
van omtrent 5Vi graad, vertoont Kich, bij helder weder, zeer 
ver binnen 'slands, eene hooge bergketen, die, naarmate men 
noordelijker komt (op 4ï/2 graad), zich meer onthult en alsdan 
een ongemeen trotsch gezigt oplevert. Sommige harer toppen 
schijnen zich zelfs tot boven de grenzen der eeuwige sneeuw te 
verheffen ; wy althans wisten d^ glinsterende witte lagen • waar- 
mede de kruinen en hooge ruggen bedekt waren , aan geenenndere 
oorzaak toe te schrijven *). Gedurende den dag was intusschen 
zelden veel van het gebergte te zien, d^ar dikke wolken het 
gemeenlijk omhulden; maar in den vroegen morgen, kort 
voor of na «sonneopgang , vertoonde het zich langs eenegroote 
uitgestrektheid, als een ontzaggelijk gevaarte. Zijne hoofd- 
rigting sjcheen bijkans oostr- en westwaarts te Loopen, zoodat 
het tusschen den 136"*®" en 135"'*^" graad Oosterlengte, vrij 
digt de, kleinere kustbergen nadert* die noordwaarts van daar 
den oever bezooraen. Deze laatste volgen derhalve de zuid- 
oostelijke en noord-westelijke strekking van het eiland. Zeer 
opmerkelijk intusschen is het verschil, dat in de uitorlijke 
g4^daante dier onderscheidene bergreeksen bestast. De ver land^ 
waarts in gelegene keten vertoont, over het algemeen, in hare 
omtrekken vrij zachte golvingen. Onder de boog uitstekendie 
toppen wordt inzonderheid de aandacht getrokken door een 
aantal breede tafel vormige kruinen ; welligt uitgestrekte plateaux, 
die, naar hunne ligging te oordeelen, gedeeltelijk van eene 
gematigde en anderdeels van eene koude luchtstreek moeten 
ofngeven zijn. De meer noordelijke kusthoogten daarentegen , 
hebl)en bijna overal zeer ruwe, klippige gestalten, die zich niet 
zelden als steile torenspitsen en hoekig uiteengescheurde wanden 
verheffen. Over het geheel is het gebergte op dit gedeelte der 



19 

kust, slechts van ee&e matige verhevefnheid. Datgene, hetwelk 
zich langs den oeyer uitstrekt , schijnt nergens eene hoogte van 
duizend meter te boven te gaan: op de meeste plaatsen, waar 
wij het zagen, verheft het zich slechts tot eene hoogte van 
twee- tot driehonderd met^r. De berg Lamantsjieri echter, 
eene der aanzienlijkste kruinen dier streek, is, volgens trigo- 
nometrische ro>eting, 750,39 meter hoog. Deze ligt op den 
achtergrond der bogt Oeroe Langoeroe of ïritofi's baai, op 
^''Sd' Zaiderbreedte. 

De eilanden , langs de door ons bevaren kust gelegen , zijn 
in het algemeen van den zelfden aard ais de vaste wal , in welks 
nabijheid zij zich bevinden: waar deze laag is, zijn zij zulks 
ook; waar hij hoc^ is, zijn zt] insgelijks hoog. De meeste 
eilanden trofien 'wij onder de hooge kust aan. Alle kwamen 
doorgaans, zoowel in uiterlijk aanzien als ten opzigte Jiunner 
bestanddeelen , met deze laatste overeen, en waren veelal door 
min of meer breede kanalen of zoogenaamde straten van haar 
afgescheiden. 'Hunne oevers zijn meerendeels steil, en daar, waar 
de wanden schier onafgebrolcen door den zwarrai golftlag geteis- 
terd worden, zijn de rotsen gemeenlijk, even boven het water, 
sietk ondermijnd en allerwegen met tallooze groeven en gaten 
uitgeboold. Alleen binnen de bogten en kloven, die ginds en 
her langs de kust worden gevonden, ontwaart men gewoonlijk 
kleine zandvlakten , die den half nomadischen Papoea tot woon- 
plaats veirstrekken. De stille rust, welke in deze, door eene 
hevige natuurkracht plotseling ^i met geweld ontstane kloven , 
meestal heerschrade is; de talrijke hooge en veelvormige 
spitse klippen en de schilderachtige afwisseling , door deze 
gevaarten met de groene boech- en hee«tergroepen te we^ 
gebragt; de blijkbaar aanhoudende strijd der vegetatie met 
den Tasten en steenachtigen' bodem dier kusten, ten kosts 
van welken zij zich echter steeds verder en verder uitbreidt; de 
breede, donkerblaanwe waterbaan , wier zacht gekrulde en vaak 
spi^elgladde oppervlakte door de eeuwigdurende bew^iBg 
van eb en vloed van alle onreine stoften gezuiverd wórdt en 
wier helderheid het oog veroorlooft tot in eene onmetelijke diepte 
neer te blikken: — dit alles levert een tooneel op, hetwelk 



fienen verhevenen , ja betooverendeii indruk raaakt. Deze indruk 
wordt nog verhoogd, wanneer de rijzende of ondergaande zon 
hare tintelende stralen in ecne schuinsche rigting, langs de 
ruwe hellingen van de nabijgelegene hoogten nederschiet en 
sommige partijen in eenen laai jeu vuurgloed hult; terwijl andere, 
in duisternis verholen, eene wisseling van licht en donker te 
weeg brengen , waarvan de uitwerking op het gevoel des beschou- 
wers niet ia te beschrijven, en tot welker voorstelling al de 
middelen der kunst ontoereikend zijn. Waarlijk , zulke tafereelen 
vermag alleen de natuur , en slechts de natuur dier wereld-oor- 
den , op te leveren ! 

In de bedoelde straten, en ook langs het overige gedeelte 
der hooge kust, is het vaar wat», zoo ver het ons bekend 
is geworden, zuiver en zeer diep; zoodat aan boord van de 
Triton, bij het kruisen in die streken , op eene diepte van 
vijftig tot negentig vademen, schi» nergens grond is gepeild, 
dikwerf zdfs niet eens daar, waar wij naauwelijks eene kabel- 
lengte van het land verwijderd waren. Verder om de Zuid daar- 
entegen , waar de kust laag en vlak is , kan men haar , uithoofde 
der ondiepte, met een schip van middelmatige grootte niet 
dan met veel omzigtighcid en onder het aanhoudend gebruik 
van het dieplood, tot op twee of hoogstens tot op eene mijl 
afstands naderen. Op eenige weinige plaatsen slechts heeft de 
zeebodem eene sterkere helling. Eilandjes vindt men , langs dit 
zuidelijker gedeelte, zeer zeldzaam; daarentegen bespeurt men 
hier en daar zandbanken, die gedeeltelijk onder den water- 
spiegel verborgen liggen, gedeeltelijk er boven uitsteken. Zoo 
ot)k zijn doorgaans voor de monden der rivieren, even als 
drempels, min of meer uitgebreide banken van eenen harden 
zandgrond gelegen, die har« ondiepte, nu eens door eene hooge 
deining, doch bij laag water en eenigzins' onstuimig weder, 
door eene hevige branding, verraden. Geheel in het zuidelijk 
gedeelte, op omtrent. 6° 40^ waar het land zeer laag en moe- 
rassig is, wordt de oever door eene breede modderbank bezoomd , 
die niet alleen den ingang van Prinses Marianue-straat aan 
weerskanten bepaalt, maar zich van daar verder zuidwaarts, 
tot om de Valsche Kaap , uitstrekt. Zij bestaat uit eenen zachten , 



21 

r 

blaauw- en groenachtigen kleigrond. — Over het geheel vindt 
men, op eenigen afstand van den oever, langs de lage kust» 
meestal zachten, modderachtigen grond; zeldzamer loodt men 
hier harden bodem , die dan doorgaans uit een fijn zand bestaat, 
hetwelk somtijds met schilfers van schulpen vermengd is. 

Onder de talrijke riviermonden, die men langs het strand 
ontwaart, zijn er eenige van eene aanzienlijke breedte. Het 
laat zich vooronderstellen , dat de oorsprong van sommige dezer 
stroomen zeer ver in de binnenlanden gezocht moet worden, 
aangezien in dit zuidelijker gedeelte van Nieuw*-Ouinea de 
waterscheiding op eenen grooten afstand van den westelijken 
zeeoever verwijderd ligt. De eenige door ons in die streken nad^ 
onderzochte rivier, de Oetanata, is bij de monding ongeveer |^ 
mijl breed, terwijl hare diepte van 4, 5, 6, tot 7 vademen 
af- en toeneemt. Niet ver binnen haren wijden mond splitst 
zij zich in drie kleine armen: Toega, Wak ia en Baai ge- 
naamd. Bij het zeestrand zijn hare boorden zandig en droc^; 
maar een eind landwaarts in kronkelen de zoo even vermelde 
kleinere rivieren door een grootendeels moerassig land, be- 
staande uit eenen kleigrond, die met planten-aarde door- 
mengd is. 

Daar de ontdekkinp^ der Prinses Marianne-straat als eene' 
voor de vollediger kennis van die wereldstreek belangrijke ge- 
beurtenis» mag worden aangemerkt, zal eene meer bijzondere en 
uitvoerige beschrijying van dezelve den beoefenaar der land- 
en zeevaartkunde ongetwijfeld welkom zijn. Ik zie mij daartoe 
te beter in staat gesteld, daar Zijne Excellentie de gewezen 
Minister van Koloniën,Graaf van den Bosch, mij wel het gebruik 
heeft willen vergunnen van het verslag, dat in der tijd door 
den Luitenant Langeube^g Kool, nopens dien togt, aan het 
Indische Bestuur is overgelegd. 

De. korvet Triton en de schoener Iris waren , zoo ver bekend 
is, de eerste schepen, die de straat Prinses Marianne van het 
Noorden inzeilden, en wel tot op omtrent elf geographische 
mijlen. Aldaar geen zoet water vindende, wendden zij den 
steven en keerden langs denzelfden weg, welken zij ingekomen 
waren, weder terug. In navolging der door den Heer Kolff 



22 

geopperde meening , werd toen dit breede vaarwater , hetwelk in 
groofce kronkelingen het lage, effene boschland doorsnijdt > 
voor eene zeer groote rivier gehouden, ofschoon er ook ge- 
noegzame redenen bestonden tot de vooronderstelling, dat 
het evenzeer eene doorloopende stfaafc kon zijn , die een gedeelte 
der zuidkasé van Nieaw-Guinea tot een afzonderlijk eiland 
maakte. Deee mogelijkheid en de gedachte, dat weliigt die 
straat beoosien de klippige en gevaarlijke engte van Torres 
eenen uitgang zoude kunnen hebben, moest noodwendig de belang- * 
stelling opfwekken vaa elk , die in de bevordering der aardrijks- 
kunde en van den handel een warm en innig aandeel neemt. 
Het Indische Bestuur, dat sedert zijne herstelling onder den 
sebepter van onzen hooggeëerbiedigden Koning, reeds zoo veel 
voor de natuurkundige wetenschappen heeft gedaan en geene 
gelegenheid laat voorbijgaan, welke slechts eenigeroiate tot de 
uitbreiding der keivnis omtrent onze Overzeesche bezittin- 
gen^ zon kunnen bijdragen , heeft ook niet verzuimd hel 
onderhavige vraagpunt weldra te doen oplossen , en hierdoor — 
raoge ook de uitkomst niet in allen deele aan de gunstige ver- 
wachting hebfben beantwoord — zich de dankbaarheid van 
eiken beminnaar der aardrijkskunde in hooge mate verworven. 
Aan den noordelijken ingang is de straat bijkans twee 
geographische mijlen breed; doch van daar wordt zij naar binnen 
langzameihand naauwer, zoodat zij omstreeks het midden slechts 
oiigeveer \ , en iet» meer zuidelijk zelfs maar nagenoeg ^ van 
eene m^l breedte heeft,;: terwijl zij verder, naar hare zuidelijke 
opening, weder eenigermate verwijdt en wel tot de breedte van 
genoegzaam eene halve mijl. Hare diepte, naar den lagen water- 
stand berekend, is tusachen de 4 toi 10 ea nveer vademen; aan 
den zuidelijken uitgang alleen, vond de Heer Xool haar tot op 
bijkans 2 vademen verminderd, nemende zij binnen de straat ge- 
meenlijk van de oevers naar het midden langzaam toe. De oevers 
zijn, langs degebeele uitgestrektheid van de doorvaart, laag eu voor 
het grootste gedeelte moerassig; doch hier en daar vertöoneu 
zich ook strooken lauds , die een weinig boven bet water uit- 
steken en eene drooge gesteldheid hebben. .«— Allerwegen ziet 
men hetzelfde gelijkvormige bosch, langs de kanlen meestal 



ES 

geen swaar hooi, maar meer biTinenwaaxts vele dikbe boomen 
bevsttenda Hrar en daar wordt deze wildemk beaoomd door 
eene strook weekexi kleigrond; gel i^k men ook bijkans de gehe^ 
straat door «achten bodem aaiütreft, aitgezanderd alleen aan» 
den zuidelijken mond, alwaar de grond hard is* Deze mondi» 
waarschijn] rjk dezelfde, welke op< scymmige kaarten den naam 
draagt van Bartbolornetis-tivier. Bijna overal zijm de oeters der 
straat digt te naderen, en wei te veiligjer, daar de diepte over 
bet geheel vrij regdimatig af- en tc^eneemt en men ^ebts op 
eenige weinige plaatseti daarin een eenigzin» aanmerkelijk 
verschil bespenrt. Geulen va» kleine rivieren worden er, aian^ 
weerszijden harer oevers,, in menigte aangetroffen, van welkv 
sorarmige, geduretide de eb, goed drinkwater opleveren; doek 
zoodra de vloed doorkomt^ vallen zij aan de monden hrak^ Die, 
welke door den Heer Kool nader werden onderaocht , zijn zoo 
diep, dat eenre geladene barkas er, met den laagsten waterstand^ 
in en nit kan komen. De schooners Postillon en Sireeii 
vulden hare vatrn uit de noordelijkste d^ twee kreken, die 
niet ver ten Z. W. van het kleine eilandje, het eenige, dat 
in de straat gelegen is, op geringen afstand van elkander, hare 
nitwateringen hebben. Men kan te dien einde digt onder den 
wal ankeren. Dit vinden van zoetwater is voor de zeevaart alle-» 
zins gewigtig : het zoude de korvet Triton "in der tijd uit eene 
grodte Verlegenheid gered en ter bereiking, van het doel harer 
reis van veel voordeel hebben kannen zijn. Het is voc^namell^k 
uit dil oogpunt be&chouwd, en ook ter herstelling derhavevij, 
welke een sehip mogt h^ben geleden, dat de ontdekking van 
deze straat voor de zedvatart van belang kan zijn ;, zij zal eichter 
door hare ligging, de sterke stroomen, welke in haar loopen,. 
de naauwte van het vaarwater en dé onheorbei^zaambeid van de 
landstreek , baar nooit . een algemeen en uitgebreid nut opleveren. 
De grond van het vlakke land, dat de ruimte inneemt van> 
den znid-^westelijksten uithoek van Nieuw-^Guinea tot bij kei 
kustgebergte, hetwelk gerekend kan worden op 135°' 30' beoosten 
den meridiaan van Ghreenwich te eindigen, bestaat uit eene 
blaaawaGhtig<^graanwe kleiasrde, die, volgens de waameming^i 
van den Heer Maeklot, o|) sommige plaatsen met kwartsdeelen. 



24 

en op andere met kalkdeelen vermengd is. Dddr, waar het land 
gedurende den vloed niet overstroomd wordt , is deze kleigrond 
vast en meteene dunne korst plantenaarde bedekt; maar, waar 
bij dagelijks door het zeewater bespoeld wordt, is hij week en 
slijkachtig. Ook bemerkt men in het eerstbedoelde , droogere 
gedeelte, hetwelk zich van de bovenvermelde geographiscbe 
lengte tot op die van omstreeks 138^ 3Ó' oostwaarts uitstrekt, 
op vele plaatsen langs het strand eene strook wit zand met 
veel kwarts vermengd. De bergen , welke den meer noordelijken 
oever vormen, kenmerken zich, geliik wij reeds vroeger met 
een enkel woord vermeldden, door hunne ruwe omtrekken, in 
welke hoekige, spitse klippen, met steile hellingen, diepe en 
naauwe kloven en spelonken , en kale rotswanden elkander afwis- 
selen , terwijl zij voor het overige , allerwegen waar de gesteld- 
heid minder ongunstig is tot de opeenhooping van losse stoffen, 
van eene min of meer dikke laag plantenaarde voorzien zijn. 
Volgens den Hoogleeraar von Leonhard , te Heidelberg , welke 
eehige steenbrokken uit onze verzameling bezigtigd heeft, bestaan 
die bergen uit eene Jurakalk-formatie en bevatten hunne hoo*- 
gere deelen bepaaldelijk een zeer karakteristiek Jura*Dolomiet. 
Dit laatste vertoont op vele plaatsen naakte wanden, van eene 
glinsterende witte kleur. In het daar onder liggende , meer bruin- 
achtig-graauwe en doffer kalkgesteente , zijn niet zelden fossile 
Conchyliën besloten, en op eene plaats vond de Heer Macklot 
ook een versteend wervelbeen, waarschijnlijk het over blijfeel van 
een groot hagedisachtig dier (Saurius). Meer binnen in het 
land moeten zich bergen bevinden, die uitgebreide lagen van 
klei bevatten, dewijl zoowel de rivierbeddingen aldaar, als de 
bodem der zee in de nabijheid der riviermondingen, meestal 
uit kleigrond bestaan. Verharde stukken dezer stoffe, uit de 
rivier Timbona, welke door de vallei, tusschen de bergen 
Lamantsjieri en Oriori stroomt, hebben, naar het gevoelen van 
den Hoogleeraar von Leonhard , groote overeenkomst met zekere 
lagen der Tegel-forraatie,, zoo als deze namelijk bij Weenen 
voorkomt. De kleine vlakten , welke men hier en daar in de kloven 
en binnen de bogten en baaijen langs den zeeoever aantreft, 
bestaan of uit kwartszand, of uit kalkzand, bf uit een zand 



E5 

van verguisde witte en roode koralert. Ten einde in deze geolo- 
gische schets van de zuidwestkust van Nieuw-Guinea alles ta 
vereenigen wat ons, gedurende onzen togt, omtrent het rijk 
der delfstoffen is. bekend geworden , merken wij hier nog aan , 
dat wij bij de inboorlingen, aan de rivier Oetanata, groote 
rolstukken van een licht graauw zandsteen, dat vedl naar 
graauwakke geleek, hebben aangetroffen, welke steenbrokken, 
volgens hun zeggen, uit de binnenlanden afkomstig waren. Zij 
•gebruiken ze zoowel tot sUjpsteenen, als tot ballast in hünnfi 
kano^s. Voorts ruilden wij ook eenige knodaen van hen 
in, welker vooreind met eenen kunstmatig bewerkten steeji^ 
bestaande uit een klinkend hard en zeer fijn korrelig hoornn 
' steen , van eene graauw-blaauwe kleur , voorzi^i was. Deze steenem 
hadden ten deele den gewonen bijl vorm, gelijk die op vde 
eilanden in de Zuidzee gevonden wordt; andere echter waren 
van eene hoekige, starvormige gedaante. — In de Prinses. 
Marianne-straat werden hier en daar, langs de oevers, vulka-; 
nische slakken van eene poreuze en ligte hoedanigheid gevondene 
Deze voorwerpen waren waarschijnlijk door den stroom van eldersr 
aangevoerd. Slechts op enkele plaatsen zagen wij eenig aange*- 
spoeld zand; doch daar, waar de oevers der straat zich boven 
de gewone vloedrijzing verheffen, en derhalye eene minder 
moerassige gesteldheid hebben, bekwamen wij stukken zoden- 
ijzcorsteen (Basen-Eisenstein, Sumpferz), alsodede eenigen 
boon-erts (Bohnerz). 

Aangaande den plantengroei van Nieuw-Guinea's westkust 
zij eerst in het algemeen gezegd^ dat het land, waar wij het 
gezien hebben, allerwegen met bosschen en wildernissen als 
overdekt was. Inzonderheid vertoonen de vlakke streken een 
onafgebroken groen tapijt, hetwelk geene enkele onvrucht- 
bare, kale plek schijnt te bevatten. Afwisselingen van dien 
aard wordt men eerst gewaar bij de hooge bergachtige kust, 
langs welker hellingen hoogstammige boomgroepen naast 
steile rostwanden prijken, en waar het ruwe klipgeste.ente, 
tusschen heesters, struiken en slingerplanten, alom met zijne 
naakte kanten te voorschijn treedt. Ten einde van de in deze 
streken heerscheude vegetatie een algemeen denkbeeld te geven 



y 



y 



maak ik gebruik r9x% de waarnBmingen , door irijlen nnjnen 
reisgenoot Zippelios nopen» dit onderwerp gedaan, ei> teVens 
vanf de inlicfatingieny mij welwillend door den> Hoogieeraar 
Blame uit 'sEi^ks Herbarinin en de nagdatene botanische 
aanteekeningen tan voor^Begden ongelukkigen reiziger, mede^' 
gedeeld* Volgens Kippèlins bestaan de bossofaen , langs de oevers 
der Prinses MaiiaiineHBitraat , voornamelijk nii Bhizophotae, 
Bmgnierae, Atieenniae, Petalomae, Sonncratiae, Heritieraie, 
Aegioereae, Memecj^leae en dei^ijkeiiv Op plaatsen « waar de 
grond' «en weinig boogei en minder moevassig is,, vertooneu 
zitth vijgen, Mimosae en vertegen woanüge^s sit de geslaehteoa 
Fagtaeia,. Clerodendrom , Carissa, Aralia, Melanfbesa en van 
andere Ënphorbiaoeae; terwijl men op eenige meer opiaie plekken,, 
die hi» en daar aan de kanten verspreid lissen en iredeciteliik 
«e» Sacch-rom Koenigii begroeid z^» enkelfwaaije^ah«ea •) 
en een aantal lage, kromstammige boomen van Paritiiim tilis" 
cenm opmerkt Uit de taaije bastvêsielen van desse laatstett 
vervaardigen ook hier de inboorlingen, even.ab de eilaadersi 
van den grooten Stillen Oceaan en vanden IndiscfaenAiehipel 
dnnne koorden en allerlei banden, die, netjes te karnen gevlodilen 
em dooreen gedraaid y tot vecsiesselefi en andere doeleinden ver- 
strekken. -^ In de omstreken der rivier Oetanata ziet meu 
langs* het witte zandstrand, geheele bosschen van den knods- 
boom (Casoarina equisetifolia) , en aektex deze, door eeiien 
eigenaardigen ranken groei en eene vaal groene kleur geken- 
schetste houtgvoepen , ontwaart men op het deels dreroge, deels 
moerassige terrein, niet weinig vijgen- en andere digt gebla- 
derde boomsoorten uit de geslachten: Aegiceiras, Xjlocaipus, 
Saiacia, Oiax, Cantkinm, Scjphfiphora enzv.., terwijl teven» 
talrijke Parasieten, onder welke ook het zoo zonderlinge geslacht 
Ilj^dnophytum in onderscheidene soorten, de apmerkzaamlieid 
tot zich trekken. — De kustbergen in het noordelijkste, door 
ons bezochte gedeelte van Nieuw-Guinea , met name bet eiland 
Aidoema en de hoogten, welke de bogt Oeroe Langoeroe omzoo- 
men, brengen verschillende soorten van planten voort, welke 
insgelijks op de grpote westelijke Sniida-^landen aanwe2ig zijn. 
Deze bepalen zich, onder anderen, tot de geslachten Ruellia, 



27 

StrobilaDthcs 4 l£eliantbeaa » Odsalanthus , Boiilcra, Adisoa, 
Erytrochilosy Gioton, Ficns, Arto«iarpiiK8, MeladtomA enav. " — 
Op den vlakk^izuid-ooatelijkeBVOct vam^deaberg^Lamaiitsjki]!,! 
alwaar biet nieuwe eiablksement werd opgerigi, verhieven zicfa 
lensacbtige staininen tot de hoogte van honderd en meer voeten:, 
soorten vit de geslachten Anisoptera, Unona, Sfderoxjlon eifn 
Cerbera, besloegen ondet dezen eène eeréte plaatd. Doch niet 
minder tfotaek ea indrokwekkfind door hunne aM«erk«üjke 
grootte waren, de vele palmen , die ginds eaber langs dèafhel*: 
lingen van het gebeorgfe (Bischen de rotsen oprezen: twef aoorteri 
vaa Areea i») ; een praebtige Sagiis ii) ; een op- dezea eeeri 
gelijkende palm i^), doch van eenen slankeren groei , ter hoogte 
van wel tachtig voeten ; voocts eene Garyota en cenige , naaaw 
met de geslachten Areca en Garjota verwante soorten ^s), vrief 
hladvorm veel ov^eenkomst heeft met dien van de laat8tgl^' 
noonde^ em waarvan het sap een bramdend jicuken veroorzaakt; 
docb bov^Nial, einddrpL , eene bif uitnemesdheid sierlijke soort ^)p 
gekenmerkt door driemannige bloemen » en vruehten voortbren-* 
gende aan oranjeappelen gelijk. Tnsschen dezen Craaisten allei 
vorinen der tropische plantenwereld groeiden Pandani, Myris- 
ticae, Sterculiae, Artoearpi, Elaeoearpi, benevens mesige soort 
van I^ciis en Ganariam, in wier toppen zieb slingerende Calami, 
Alyxiae, Hippocrateae, Ereyoinetiae en Bignoniaceae !&)« Loranthi,, 
Orchideae en meer andere klimmende en parasiet^gewaasen 
vertoonden. Minder menigvuldig dan op Java waren devar«i« 
kmiden; schaars vooral de zwammen^ en ook de mossoortea 
schenen slechts in geringe hoeveelheid aanwezig te zijn. In 
het lage» moerassige gedeelte, aan den westkant van de monding 
der rivier Timbona, groeijen ook bier, even als op vete andere^ 
aan overstrooming van zoutwater blootgestelde plaatsen , Rhizo- 
phorae en Sonneratiae; terwijl eindelijk de rotisigè oevers lang» 
de zee bewassen waren met Bikkia tetrandra en anderen kleKne- 
heesters, voornamelijk nit de geslachten Myrtnd, Podocarptts* 
Jasminum, Antidesma, Leea, Psychotria, Proc^is, Urtica^ 
Begonia, Gallicarpa, Justicia., Baeobotrys, Gapparis, Oloehi-* 
dinm enzv. 

Slaan wij \lians een^ blik op de cKoren wereld van het land 



28 

I 



onzer beschouwing. Zeer ^ in het oog vallende is Nieuw-Guinea's 
armoede aan Zoogdieren. Niet meer dan zes soorten uit deze 
klasse zijn door ons waargenomen , die allen tot de familie der 
Marsupialia behooren. Drie van deze waren nog onbekend, en 
bestaan in een klein vleeschetend bnideldier van het geslacht 
Phascogale i<) , en twee Kengoeiroe^s , welke zich door de zoo 
belangrijke bijzonderheid, dat zij op boomen leven, van alle 
toi dus verre in de systema^'s beschrevene dieren der afdeeling, 
tot welke zij behooren , op eene karakteristieke wijze onderschei- 
den. Wij hebben om deze reden zoowel, als uithoofde van andere 
ligehaamskenmerken , daaruit eene nieuwe groep gevdrmd, onder 
den naam Dendrolagus i'^. De overige door ons verkregene 
soorten bestonden in den reeds door Yalentjn vermelden P^- 
landok (Dorcopsis Brunii i') ; in een jong voorwerp van Petaurus 
sciureus, en in eenige individuen der Fhalangista maculata. 
Deze laatste slechts namen wij op onderscheidene plaatsen 
waar, en wel in het vlakke land bij de rivier Oetanata en in 
de wouden van den berg Lamantsjieri. Al de overige zijn alleen 
uit de omstreken van laatstgenoemd gebergte. — Wel hebben 
wij op verschillende plaatsen der kust, inzonderheid langs de 
oevers der Prinses Marianne-straat, vaak sporen van wilde var- 
kens opgemerkt, doch het lot was ons niet zoo gunstig, dat 
wij ooit een dezer dieren zei ven te zien kregen. De tamme 
varkens, welke wij bij de bewoners der rivier Oetanata zagen, 
waren van het kleine Chinesche ras , en ontleenden hunnen 
oorsprong waarschijnlijk uit de Molukken of vande Aroe-eilanden, 
van waar zij , door inlandsche handelaren , derwaarts zullen zijn 
overgebragt. Voor het overige hebben de Heeren Quoj en Gnimard, 
op hunnen laatsten togt langs de oostkust van Nieuw-Guinea, 
bij de bogt Dorey, eenen nieuwen Perameles gevonden Ji»), 
welke , met de bovenvermelde zoogdieren , den geheelen schat 
uitmaakt, ons van dit groote land, uit deze klasse, tot heden 
met zekerheid bekend. Het zal wel geene vermelding behoeven, 
dat wij bij deze optelling den Dugong en andere soorten van 
de familie der Cetacea, die zich nu eit dan langs de kusten 
vertoonen, geheel buitensluiten. 

Minder arm is Nieuw-<Guinea aan Vogelen , en in dit opzigt 



29 

schijnt het zelfs met de mildst bedeelde Indische eilanden te 
kunnen wedijveren. De hoeveelheid, welke wij ait deze klasse, 
gedurende ons verblijf van slechts drie maanden langs de kust, 
van welken tijd wij nog nagenoeg de helft op zee doorbragten , 
verkregen, overtrof verre onze verwachting. Onze verzameling 
bestond, bij het einde der reis, uit 119 soorten, die tot 60 
geslachten behoorden : eene verscheidenheid van geslachts-vormen 
het derde gedeelte bedragende van die, welke wij, gedurende 
een verblijf van twee en een half jaar in verschillende streken 
ter westkust van Sumatra, zijn magtig geworden. Ofschoon wij 
uit alle aangenomene orden der vogelen vertegenwoordigers op 
Nieuw-Guinea aantroö*en, zoo waren toch uit de groote groep 
der muschachtigen (Passerini) de zoogenaamde insektenetende, 
uit die der kiimvogels (Scansores) de papegaaijen, en van de 
hoenderachtigen (Oallinacei) de duiven- over het geheel het tal- 
rijkst in soorten. Naast dezen kwamen ons eenige geslachten uit 
de familie der dikbekkigen (Gonirostres), alsmede uit die' der 
dunbekkigen (ïenuirostres), der oogelijkteenigen (Sy ndactyli) , 
der draaiteenigen (Amphiboli) en der zwaluwachtigen (Hiaintes) , 
onder de landvogels het meest voor ; t^wijl wij uit de afdeeling 
der waterbewoners, zoo.wel eenige zwemvogels (Natatores) , als 
inzonderheid onderscheidene steltloopers (Grallatores) waar* 
namen. — Het verdient allezins opmerking, dat wij volstrekt 
geene zoogenaamde pijltongige klimvogds te zien kregen, te 
meer, daar de groote westelijke Sunda-eilanden zoo bijzonder 
rijk aan spechten zijn. 

Sommige der door ons verzamelde soorten merkten wij 
overal op, waar wij het land bekochten; andere daarentegen 
werden alleen in deze of gene streek gezien. Uit het getal der 
eerste willen wij hier slechts aanvoeren Psittacus galeritus, 
die zich overal in groote troepen vertoonde, en uit wiens slag- 
en staartvederen de wilde bewoners van eenige kustplaatsen 
allerlei versierselen vervaardigen tot tooijing van het haar. en 
het onderlijf en tot krijgsdos voor hunne mutsen. Luid schreeuw 
wend trekken deze sneeuwwitte vogelscharen over de boaschen 
heen, en wanneer zich zulk een troep tusschen het donkere 
loof van cenen grooten boom nederlaat, dan vertoont hij 



n 



30 

zich, op eenïgen a&iand ^edrien, als rijk met schittereiidb 
witte bbesetes beladen. Podargns papuensis ontmoetten 'wij ik 
de Tlaikke, vochtige wondden brj de Prinses Marianne-straat 
en op sombere boscfaplaat^ten van het eiland Aidoefna. Hier en 
daar joegen wij hem meermalen onverwachts van den grond op, 
dewijl hij door zijne eigenaardige bonte en donkere klenr zeer 
moerjelijk te onderscheiden is van de met dorre boombladen 
bedekte aarde en ook van de met verschillende mossen begroeide 
rotsen. Eene diergelijke verre verspreiding namen wij waar ten 
opzigte van Tropidorhynchus novao-guineae Falco (Astar) novae- 
hollftndiae, Haliaetns poiKÜcerianns (leucosteraas) en HaLblagms. 
Trouwens, de beide laatstgenoemden worden langs alle kusten dfx 
Indische eilanden aangetroffen. Ev^i zoo zijn ook Halcyon eollaris, 
GuGulns Incidus en Ocjpfcerus leucorliynchus (papuensis. Tem.), 
gezworene vijanden der iosekten , op Nieuw-Ouinea en op Java 
aanwezig. Doch wel het allermeest verspreid leven de water*- 
vogels, van welke sommige, in den volsten zin des woords, 
wereldbewoners zijn. Soorten van dezen stempel , welke wi] zoowel 
aan de kusten van Nieuw-Guinea als in yde andere strek^i van 
Indië hebben ontmoet, zijn onder anderen: Haematopus austra* 
lasianus, Numenius phaeopus, Ardea «capuluris, Totanushypo- 
leucus en Himantopus leucoeepfaalus. 

Daar de ' korvet Triton in de bogt Oeroe Langoeroe het 
langst ankerde, verkregen wij daardoor gelegenheid om in dat 
gedieelte van Nieuw-Gninea de meeste vogelen te kunnen ver- 
zamelen. Wij zullen er eerst eenige vermelden, die wij alleen 
d&dr vonden, en vervolgens nog een paar uit de meer zuide- 
lijke vlakke streken. Als die soorten , welke, hetzij door haren 
vorm, bt uithoofde harer fraaie kleuren, het meest de aandacht 
trekken, verdienen de volgende, uit het distrikt Lobo, in de 
eerste plaats te worden opgenoemd; als: Buoeros rufieoUis, 
Barita varia en chaljbea,Oracula Dumontii, Kitta bucooides, Pitta 
Macklotii, Eapetes ajax en coerulescens, Muscicapa telescopb- 
thalmus en chrysomela, Lamprotomis cantor, Nectarinia aspa- 
sia en eximia, Powvatorhinus Isidorei, Guculus leacolophu8»o), 
Oentropus menbiki , Cebiepyris (Campephaga) melas en cinnamo- 
mea , Psittacus goliath , Gkoffroyi, dorsalis «sinensis, Deemarestii, 



81 

grandis m aointiUa«is, Ëpimaehus fikmento^us, Halcyong^i- 
chBndi, Baceila dea^n sjina(8yiBai(;orotorïo)^CeyK {^u^iilaen Boli- 
taris , Colvonba jnifN^ba » p^rUta , jsana , paella , vixidia en pulchfilja, 
Lophyrua coronatuB, Faradisi^a regia e^ papuensjs. De laatst-* 
geDpewde vogel, hoezeer door oos ia. de vrye öatuur alleew 
ijB de^ bejgacbtige kuststreek waargenojne» , schijnt intujsschea 
ook üi de vlakJce bosschen bij de Tivier Oetajiata niet zeldsaam 
te zijn , QAardien wij aldaar vaak inbooxlingen zagen , die groote 
plaimeo op het hoofd droegen va» d^ lange goudkleurige vederen, 
waarmede 4e oade mannetjes de^er vogelsoort prlj keu. Ook voikden 
wi} by de&elfde inlanders vele bnikgordelsi armbanden ^n andere 
v^^i^rsolen uit.'da faaaracbtige vederea van den Caauaris 21) 
vearvaaivdigdi terwijl wij ook meerojalen sporen van detien gpro^ten 
vogel aainitroien in het rnoerasadge woud bij de Erinses Marianne- 
straat, em hem dikwerf bespeurden aan. den Moef; vaja den berg 
Laniantsjieri en op andere f^fiene boschplaatsen in dit nooxde- 
lijke g^sijte, ZiJD, <naar het «chijnt, isaer fijn gehoor, gepaard 
B»et eene groote omeigtigheid en oiigemeene scbuwheid;, deden 
hem echter altrjd, nog op aanzienlijke afstandeu van on» 
verwijderd, de vlngt n^iraen , en w^l met eene overhaasting en 
eene kracht . dat wij , alleen naar het daardoor te weeg gebiagte 
geluid oordeelende, zijne sterke tr<eden en geduch;te sjprongen 
aanvankelijk voor die van een groot zoogdier bielden. — Van 
de vxigelen» die ons enkel bió de riviep: Oetanata onder bet 
00^ kwamen 9 veormelden wij: Psittacus placentts «ji pygmaeus, 
M«igapodius rufipes, eene nieuwe Hylocharis, voorts nqg 
Glareola igrallariai Tringa pusilla en Oedicnemus magnirostris ; 
t^w^l eindelijjk mi de reeks dergienen, die wy alleenlyk in 
de Prinses Marianne-straat waarnamen , vooral verdienen genoemd 
te worden: Golnmba Mülleri en hameralis. Eene groote, m(] 
geheel vreemde eend werd , doordien zij met eenen kogel gescho- 
ten en de^lijk gehavend was , als geheel onbruikbaar en in de 
vaste hoop van weldra eene andere te zullen erlangen , ter zijde 
geworpen. ïtet mijne groote spijt zijn wij echter in onze ver- 
wachtit)g te leur gesteld, want wij hebben die soort laterniet 
meer gezien. Zooweel in het bosch , langs de oevers der Prinses 
Marianne-atraat, als in de omstn^en van de monding der 



38 

ri?ier Oetanata, vonden wij dikwerf groote hoopen, uit aarde 
en dorre bladen bestaande, die, volgens de meening onzer Am- 
bonsche begeleiders , de nesten waren van Malere (Megapodii). 
Sommige dier hoopen wekten door hunne aanzienlijke grootte — 
als nesten van hoenderachtige vogels beschouwd — onze ver- 
wondering. Een derzelve, door mij gemeten, had aan den voet 
eenen omvang van ruim acht meter, en zijne hoogte bedroeg 
derdehalven meter. De vorm was die van eenen stompen kegel. 
Men kon intusschen bij dezen, zoo min als bij anderen, die 
ik te zien kreeg, niet het minste spoor van opening ontdekken. 
Uit de derde natuurlijke klasse der gewervelde dieren, die 
der Amphibiën, bestaat onze oogst van Nieuw-Gainea's west- 
kust in 26 soorten, waarvan 15 tot de orde der hagedisach- 
tigen, 5 tot die der slangen, 1 tot de schildpadachtigen en 
de overige 5 tot de familie der kikvorschachtigen behooren. 
Eenige weinige uitgezonderd, zijn alle nog onbekend of in 
den jongsten tijd, naar de door ons gevondene voorwerpen, 
beschreven geworden. De soorten der eerstgenoemde orde, die 
der hagedisachtigen , bepalen zich tot de geslachten : Gonyodac- 
tylus , Hemidactylus , Monitor , Calotes , Centroplites 22), Scincus 
en Acontias; die der slangen, tot de geslachten: Boa, Tropi- 
donotus, Dipsas, Dendrophis en Elaps; de schildpad is eene 
Chelonia, en de dieren, door ons uit de familie der kikvorsch- 
achtigen verkregen, behooren tot de geslachten: Hyla, Rana, 
Bombinator en Ceratophrys. Al deze amphibiën, van sommige 
welker wij slechts een of eenige weinige individuen, van 
andere daarentegen tot dertig en meer exemplaren hebben 
mogen erlangen , zijn uit de omstreken der bogt Oeroe Langoe- 
roe afkomstig, met uitzondering van slechts eene soort, de 
Dendrophis picta, die ons bij de rivier Oetanata in handen 
viel. Deze laatste behoort tevens tot een der meest verspreide 
land-amphibiën van Indië, bevindende zich dezelve, volgens 
voorwerpen in het Leidsche Museum aanwezig, ook opNieuw- 
lerland, alsmede op Manilla, Borneo, Celebes, Java en zelfs 
in Bengalen. Naast haar mogen, als soorten, wier vaderland 
insgelijks zeer ruime grenzen bezit, in aanmerking genomen 
worden: Boa carinata en Hyla cyanea, die beiden ons ook op 



S3 

Amboina zijn voorgekomen ; terwijl de laatstgenoemde insgelijks 
Nieuw-Holland bewoont. Deze groote boomkikvorsch is buiten- 
dien merkwaardig door zijn diep en zwaar stemgeluid , hetwelk, 
op «enigen afstand gehoord, overeenkomst heeft met het schel 
krassende geschreeuw eener kraai. Onder de nieuwe soorten, 
welke wij uit de klasse der tweeslachtige dieren aantroflen , 
verdienen onder anderen nog vermelding een groot hagedisachtig 
dier en eene zoogenaamde horeiïpad. De laatstgemelde, Cerato- 
phrys turpicula, is inzonderheid gekenmerkt door vier tot vijf 
zeer kleine huidaanhangsels , welke zich boven ieder oog verheffen ; 
het eerste onderscheidt zich door eenen ongemeen slanken lig- 
chaamsvorm , en valt vooral door zijne ranke ledematen en langen 
staart zeer in het oog ; bij dit alles bezit het eene fraaije groene 
kleur, om welke reden ik het met den naam van Monitor 
prasinus bestempelde *3). Niet onbelangrijk zijn eindelijk ook 
eenige Scinci, die gedeeltelijk met andere, door ons later op 
Timor en omliggende eilanden verzamelde dieren van dit geslacht, 
groote overeenkomst hebben; slechts in de kleur verschillen zij 
gemeenlijk eenigzins van elkander. Doch het grootste en uitge- 
strektste gebied van alle op Nieuw-Guinea waargenomen amphi- 
biën, bewoont de zeeschildpad , Chelonia viridis, welke soort, 
gelijk men weet, bijkans alle deelen van het groote zoute element , 
binnen de keerkringen en de gematigde luchtstreken , ten ver- 
blijve heeft. De Papoea's in het distrikt Lobo, bragten ons van 
dit dier dikwerf groote levendige voorwerpen , die zij in ruiling 
tegen ijzerwaren, linnen enzv. aanboden. Deze soort moet in 
de stille bogten en straten langs de kust aldaar vrij menigvuldig 
wezen; doch, haar schild dun en daarom van geringe waarde 
zijnde, is zij veel minder aan vervolging blootgesteld dan de 
zoogenaamde karetschildpad, Chelonia imbricata, die, uithoofde 
harer kostbare schildbladen , met veel moeite en ijver door die 
strandbewoners wordt opgezocht. Voorts zagen wij ook eenige 
malen inde bogt OeroeLangoeroe groote krokodillen zwemmen, 
die, naar alle waarschijnlijkheid, tot Crocodilus biporcatus 
behoorden. De Heer Kolif vermeldt in zijne Beize door den 
zuidelijken Mohikschen Archipel enzv., dat hij op de mod- 
derbank, welke < van Prinses Marianne-straat^ zuidwaarts om 

3 



S4 

de Valsche Kaap heen, het lage boachland bezoomt, ecne tal* 
rijke menigte dezer dieren heeft gezien. In het aoölogisoh ge* 
deelte der Verhandelingen over de natuutlijie geackiedenia der 
Nederl. Overzeeecke Bezüiingen^ hebhen wij omtrent de geo- 
graphische verspreiding der Indisch« krokodillen oitvo^ige 
opgaven medegedeeld. 

Wat na de Yissohen betreft, die wij op verschillende plaat- 
sen langs de zuid* westkust van Nieuw-Guinea hebbea waarge- 
nomen : deze behoorden voornamelijk tot de geslachten : Squalns, 
Pristis , Raja , Scomber , Spams , Mugil , Polynemus , Clupea , Tri* 
chiurus, Triacanthus, Belone en eenige anderen. Het allermeest in<- 
tusschen wordt Trichiurus haamela gevangen , welke, soort ook ia 
andere streken van den Indischen Archipel , en bq>aaldeUjk aan de 
noord kust van Java en de westkust van Sumatra, in ontzagge- 
lijke hoeveelheid door ile' inlanders wordt gedroogd , en in dezen 
staat aan duizenden menschen tot voedsel verstrekt. De wateren 
binnen den mond der rivier Oetanata en v66r dien van de 
Walar Timbona, in de bogt Oeroe Langoeroe,warmi bijzonder 
visohrijk, en verschaften menigmaal op den disch onzer beide 
schepen eenen zeer gezoehten sohotel. Wij vonden een aantal 
nieuwe soorten onder dezelve, van welke zich sommige door 
kleur en teekening, of door andere uitstekende bijzonderheden 
kenmerkten. In Prinses Marianne-stra&t zagen wij, bij la^ 
water, de droog gevallen modderige kanten als b^aaid met 
Periophthalmus Schlosseri. Voorwerpen van twee duim tot nage- 
noeg een^ voet lengte, kropen, sprongen of vertoonden moh, 
het lijf van voren eenigermate opgerigt, ala in eene statige, 
schier zittende houding, de oogen als kWne horens of stijf 
overeindstaande ooren, boven den kop uitstekende, en met 
ernst en opmerkzaamheid in het rond ziende. Niets zoo zonder- 
ling en, men zou mogen zeggen, zoo kluchtig, ala de onder^ 
scheidene vreemdsoortige standen , bewegingen en de opmerkens* 
waardige wijze van staroogen en gluren, dezer aldna in heè 
slijk dartelende visschen. Op eenigen afstand waargenomen, 
ziet men hen gewoonlijk langzaam over den weeken grond 
heenschuiven ; maar zoodra bemerken zij niet eenig gevaar, of 
zij houden terstond stil, steken den kop hoog en vrij in de 



35 

lucht, en, hen meer nabij komende, vlugten zij met sprongen 
en als huppelende, naar het water. 

Wij eindigen deze mededeelingen omtrent de hoogere dier- 
klassen, en werpen nog eenen vlugtigen blik op het groote rijk 
der ongewervelde dieren. Aan den Heer de Haan , Conservateur 
voor dat gedeelte des Museums , waartoe deze dieren behooren , 
heb ik eenige opgaven te danken betrekkelijk de voorwerpen 
uit die afdeeling, welke door* ons zijn verzameld en overge-* 
zonden. Ik neem die opgaven tot grondslag der navolgende 
berigten, en vermeerder dezelve alleen met eenige aanmerkingen 
over de levenswijze van sommige soorten. 

Uit de afdeeling der Weekdieren (Mol lus ca) verkregen 
wij — behalve eene menigte soorten, welke wi) insgelijks aan 
de kusten der Oost-Indische eilanden vonden — Onychoteuthis 
Banksii , Phyllidia trilineata en pustulosa : twee nog onbeschre- 
vene Doris-soorten ; voorts Voluta cjmbium,Pernaisognomum, 
en onderscheidene, in de wetenschap nieuwe soorten van de 
geslachten: Cerithium, Tellina, Neritina , Cyclostoma en Helix. 
Onder de verkregeneschaaldieren (Crustacea) verdienen inzon* 
derheid vermelding: Cancer petraeus en perlatus, Camposcia 
retusa , benevens eenige nieuwe soorten \nn het geslacht Xantho. 
De noeeste ontdekkingen maakten wij echter in de klasse der 
gekorvene dieren (Insecta), en wel voornamelijk in de orde 
der Bchildvleugeligen (Coleoptera). Wij vermelden hier slechts 
de volgende: Buprestis aurofoveata, mitsgaders eene nieuwe 
soort van dit geslacht, gekenmerkt door puntig toeloopende 
dekschilden en twee klaverbladvormigef vlekken op de borst. 
Wijders een' Paederus met bonte sprieten ; een' Anthribus met 
eenen witten band over de borst, welke, zich langs den binnen- 
rand der dekschilden uitstrekkende, achter op deze eenen boog 
beschrijft; twee prachtige soorten van Oeonemus, die zich door 
drie ^reede zwarte dwarsbanden op eenen groenen grond, van 
G. Geoffroyi onderscheide|i; een' Haminaticherus van twee duimen 
lengte; verder den Cerambyx (lohthyosoma)admirabilis; onder* 
sclfteidene Tmesistern; de Lamia longicoUis, en drie andere 
soorten uit de groep Batocera van den Heer Dejean, bij eene 
van welke een breede melkwitte band over het midden der 



36 

dekvleugels heenloopt; bij de andere soort ziet men ter zelfder 
plaatse, op de achterste helft , .drie kleine ronde vlekken , terwijl 
de derde eenkleurig geel -bruine bovenvleugels heeft. Eindelijk 
voeren wij hier nog aan , eene fraaije Gnoma , met witte punten 
op de dekschilden. Uit de orde der regtvleugeligen (Orthoptera) 
bekwamen wij onder anderen een jong voorwerp van Fhasina 
(Eurycanthus) horridum , als ook het volwassen wijQe van Phasroa 
(Ectatosoma) tiaratum, hetwelkeene lengte heeft van zes duimen. 
Ook vingen wij verschillende soorten van sprinkhanen, onder 
welke twee ongeveer van de grootte der Locusta viridissima, 
met donkere dekschilden ; eene derde (Acanthodis) met zwart- 
gevlekte dekschilden en sterke, te zamen gedrukte dijen ; voorts 
eene soort uit de groep Gymnocera van Serville, en eene 
andere uit die zijner Hyperomala. Behalve drie nieuwe soorten 
van Acheta (Brachytrüpes) en van Gryllus (Acridium) , kwamen 
wij ook in het bezit van eene Tetrix (Choriphyllum) , bij welke 
de borst zich bladvormig naar boven verlengt en van ónderen 
eene h&lve scheede vormt, waarin het achterlijf verscholen ligt. 
De orde der halfvleugeligen (Hemiptera) leverde, behalve een 
aantal minder uitstekende vormen, eene Pulgora (Issus) met 
eene stompe verhevenSteid op de bovenvleugels, en eene andere 
Fulgora (Flata) met groene dekschilden , welk;e op het midden 
twee melkwitte vlekken met roode oogen vertoonen. Onder de 
verzamelde dieren , behoorende tot de orde der 'peesvleugeligen 
(Neuroptera), trekt voornamelijk de aandacht eene groote 
Aeschna, met eene lichtbruine vlek op het midden der bo ven- 
en ondervleugels getéekend. De door ons uit de orde der schub- 
vleugeligen of kapellen (Lepidoptera) verkregen voorraad, was 
vooral niet onbelangrijk. Er bevinden zich onderscheidene soorten 
bij , welke ook door de laatste Fransche reizigers in de omstreken 
der bogt Dorey, aan de noordoostkust van Nieuw-Guinea , ver- 
zameld zijn geworden. Tot deze behooren onder anderen de Papilio 
ambrax en euchenor, de Idea d'Urvillei en de Gocytia d'XJrvillei. 
Uit de reeks soorten , tot dusverre alleen van de zuid-westelijke 
kusten bekend , verdient inzonderheid nadere vermelding, eene nog 
onbeschrevene Ornithoptera, welke den naam van tithonus ontving. 
De pracht van dezen vlinder overtreft die van al de hem ver- 



37 

wante soorten "). Ten opzigte der vliesvleugeligen (Hymeno- 
ptera) merken wij'' hier alleen aan, dat, even als alle keer- 
kringslanden, ook Nieuw-Quinea bijzonder bedeeld is met mieren. 
Onder de tallooze vormen , welke wij van deze gezdlig levende 
diertjes, hier en elders, zoo op drooge als moerassige plaatsen , 
op klippra , onder boomwortelen en hoog in de toppen van het 
geboomte waarnamen , onderscheidde zich eene groote groene 
soort boven alle anderen, door de vinnigheid en het pijnver- 
wekkende van haren beet. Wij vonden dit diertje het menig- 
vnldigst bij de rivier -Oetanata. Het had zijn verblijf op heesters 
en struiken , en was uit dien hoofde bijzonder lastig voor ons , 
jagers. Kwamen wij hen toevallig te na , dan zat^i die venijnige 
diertjes ons dadelijk in menigte in het haar en tusschen de 
kleederen, en gaven, door hunne gevoelige aanvallen, blijken 
van groote drift en vurigen ijver. Waar zij zich op de huid 
vastzetteden, zwol deze tot eene klein hard knobbeltje, dat 
gedurende eenige uren geweldig jeukte en brandde; en wanneer 
het getal dier knobbeltjes eenigzins aanzienlijk was , bragten zij 
eene koortsachtige rilling te weeg. Eene andere kleine, zwart- 
achtige mier trok de oplettendheid door hare groote, 'aan de 
takken der Mangle- en andere boomen hangende nesten, die 
ons vooral langs de oevers der Prinses Marianne-straat veel- 
vuldig in het oog vielen. Niet zelden hingen die groote, don- 
kerbruine klompen, wier zamenstel uit fijn gemaakte plantaar- 
dige stoffen en aarde bestond, slechts even boven het vloed- 
merk der stammen, zoodat zij, als ware het, tot peilschaal 
verstrekten van den hoogsten stand, welken het water aldaar 
gewoonlijk bereikt. Onder alle orden der insekten is echter 
ongetwijfeld die der tweevleugeligen (Diptera), in de heete 
gewesten der aarde , het talrijkst aan individuen. Wie toch kent 
niet de plaag, welke den reiziger op den Orenoko, den Ama- 
zonenstroom en andere groote en kleine rivieren in Zuid-Amerika, 
door de myriaden moskieten berokkend wordt? en niet minder 
dan daar, is welligt ook hare hoeveelheid in menige tropische 
landstreek van het oostelijke halfrond. Dit is onder anderen 
in eene hooge mate het geval in de lage zuidwestelijke deelen 
van Nieuw-Guinea. De moerassige wildernissen langs de boorden 



^pr^ 



38 

der Prinses Marianne-straat worden door zalk eene verbazende 
menigte moskieten bewoond, dat het ons, in weerwil van al 
onzen jagtijver, dikwerf onmogelijk was, het verblijf met haiur 
op dezelfde plaats lang te kannen deelen. Stil te staan, al 
ware het ook slechts voor een oogenblik , daaraan was volstrekt 
niet te denken: want, onder een huivering wekkend gegons, 
hadden zich dadelijk duizenden dier kleine bloeddorstigen ver- 
eenigd en bedreigden alle ongedekte ligchaamsdeelen met eenen 
geweldigen aanval. Somwijlen waren de zwermen zoo dik, dat 
zelfs het aanhoudend zwaaijen en slaan met gebladerde takkaii 
en doeken niet toereikende was, om zich tegen deze kleine 
harpijen te verdedigen en te beveiligen. De somberheid en koelte 
dier bosschen strookt ten volle met hare natuur , en maakt het 
haar mogelijk om den ganschen dag in beweging te Uijven. 
Buiten het bosch echter, langs de luchtige oevers en in de 
straat, bespeurt men haar alleen gedurende den tijd, dat de 
zon onder den horizont verscholen is. De meeste levendigheid 
toonen zij in den avondstond, wanneer nu en dan, bilaldieu 
de wind van het land woei , geheele wolken dezer insekten op 
ons schip nedervielen , zich allerwegen in hetzelve verspreidden 
en de geheele bemanning tot foltering en gedurende den nacht 
tot rustverstoring strekten. De onderscheiding en naauwkeurige 
kennis der verschillende soorten van moskieten, levert nog 
een even uitgebreid veld van onderzoek op, als die der mieren, 
der bijen en van zoo menig ander, in huishoudelijk opzigt, 
belangrijk insektengeslacht. Ten slotte mogen wij uit het groote 
rijk der gekorvenc dieren niet met stilzwijgen voorbijgaan , eenen 
Julus, die van alle bekende soorten afwijkt door zes rijen even- 
wijdige, puntige doornen, welke over de geheele lengte van 
het lijf loopen. Hij draagt den naam van Julus spinosus. — 
Wat eindelijk de Stekelhuideu (Echinodermata), deZeenetels 
(Acalephae) en de Poljpen (Polypi) betreft: omtrent deze 
zullen wij onze mededeelingen beperken, door uit de eerstge* 
noemde klasse aan te voeren een nieuw Phascolosoma, eenen 
insgelijks nog onbeschreven^ Cljpeasterj voorts Asterias nodosa, 
seposita en disooidea , benevens twee nieuwe Comatulae-Uit de 
tweede klasse kwamen ons inzonderheid onderscheidene zeekwal* 



39 

len , van de geslachten Medusa en Aequorea voor ; terwijl onze 
verzameling van koralen ^ behalve vele fraaije stukken van reeds 
bekende soorten, eene nieuwe Madrepora (Montipora Blainv.) 
bevat, welke groote bladvormige bekers maakt. 

Ajangaande het luchtgestel hebben wij , gedurende ons opont^ 
houd van de maanden Mei tot September, de navolgende waar- 
nemingen op Nieuw-Guinea's zuid-westkust gedaan. In het 
algemeen was het weder, gedurende dien tijd, meer winderig 
en regenachtig, dan stil en droog, vooral in de laatste maan* 
den van ons verblijf. De lucht was veelal dik, mistig en daar- 
door onaangenaam vochtig. De bergen waren bijna altijd min 
of meer met wolken bedekt en slechts zeldzaam onbeneveld zigt- 
baar. Enkele fraaije dagen, met eene zuivere, heldere lucht, 
waren schier als uitzonderingen te beschouwen. Dit had dan 
óok ten gevolge t dat de temperatuur gedurende den dag meestal 
gematigd, en des nachts gemeenlijk koel, ja somtijds zelfs 
gevoelig koud was. De warmte werd slechts dan eenigermate 
drukkende en hinderlijk , wanneer e^i tijdlang volstrekt geene 
wolken het doorbreken der zonnestralen belemmerden. Bij de 
rivier Oetanata stond de honderddeelige thermometer, in het 
midden der maand Junij, des morgens, kort vóór zonne-opgang, 
op 25^, des middags op ^9° tot £9^5, en tegen den avond, 
bij zonne-ondergang, op 26° tot 26^. Uit dertig waarnemin- 
gen met denzelfden thermometer, gedurende Julij en Augustus^ 
in de bogt Oeroe Langoeroe gedaan , bleek de gemiddelde stand 
aldaar te zijn: in de voormiddagsaren 27*^4, in die van den 
namiddag 28°, en in de avondstonden, na het ondergaan det 
zon , 26°6 ; de hoogste én laagste standen van den thermometer 
werden aldaar waargenomen op den 14^^° Augustus, des middags 
ten 1 ure, alswanneer dezelve 31°2, eü op den 3***» Augustus, 
des middags ten 12 ure, toen hij 25° teekende. Tijdens ons 
verblijf in deze bogt, barstten er meermalen vervaarlijke on we- 
ders in den omtrek lós, welke somtijds geweldige stroomen 
waters ontlastten en Van zware donderslagen en bliksemstralen 
vergezeld gingen. Het weerlichten behoorde over het geheel tot 
de gewone verschijnêdlen , die wij bijna iederen avond bovenr 
het land wflarnamen, zoowel in dit nootdelijk gedeelte, als in 



n 



40 

de meer zuidelijke streken. Aardbevingen zouden, volgens het 
zeggen der inboorlingen, slechts zeer zelden op de door hen 
bewoonde strandplaatsen bespeurd worden, en dan nog nooit 
bijzonder sterk. Wij zei ven hebben, gedurende onzen togt langs 
de kust, niets van dien aard ondervonden; slechts eenmaal, 
in het laatst van Augustus , meenden eenige matrozen der korvet , 
dat zij, in het bosch zijnde, twee ligte schokken van aardbe- 
ving gevoeld hadden; terwijl ook op den 1"*"^ September, toen 
wij digt bij een klein eilandje, tusschen den ingang der Tritonus 
baai ten anker lagen, des morgens omstreeks 4 ure, eene onge- 
wone schudding in het schip bespeurd werd, zonder dat men 
binnen of buiten boord de aanleiding tot zulk eene beweging 
ontdekken konde. De Officieren schreven haar derhalve aan eene 
zeebeving toe. 

Ten einde de heerschende winden en hunne veranderlijkheid 
gedurende de drie gemelde maanden, op eene meer bepaalde 
wijze te doen kennen , maak ik gebruik van een kort uittreksel, 
genomen uit het reisverhaal van eenen Officier der korvet , den 
Heer Modera ^^), wiens opgaven nopens dit onderwerp, als op 
de geregelde aanteekeningen van het scheepsjournaal steunende , 
zoo naauwkeurig als volledig mogen geacht worden. — Yan 
den 20***^" tot den 30"'®" Mei, zegt de Heer Modera, hadden 
wij bestendig mooi weder; met het eerste kwartier gewoonlijk 
stijve Z. O., O. Z. O. en Z. Z. O. winden , doch tegen de volle 
maan, meestal flaauwe en bramzeilskoelten , echter 'altijd uit 
het Z. O. en O. (Toen bevonden wij ons onder de lage kust, 
die wij niet voor den 25"'®" Junij verlieten). Na den 27"'*" Mei 
of na volle maan, was de wind zeer veranderlijk metongesta- 
dige en flaauwe koelten , soms Z. W. en W., en bleef tot drie 
dagen na het laatste kwartier, of tot den 7*®" Juni], vast in 
het N. W. en Z. W. staan , terwijl er eene zware deining liep 
uit het Z., Z. Z. O. en Z. O. Wij hadden in dien tijd veel 
regen, voornamelijk des nachts. Van drie dagen na het laatste 
kwartier tot de nieuwe maan, of van den 7^®" Junij tot den 
^ 1 2^®" , hadden wij met flaauwe en bramzeilskoelten , des nachts 
tiit het N. O. en N., over dag uit het Z. O. en O., dagelijks veel 
regen en nog immer deining van het Z. O. en Z. Tot den 20*'®" 



41 

Junij , toen het eerste kwartier inviel, bleef het nu mooi weder, met 
slechts é^nen dag aanhoudenden regen. De wind was tussehen het 
N. O., O. en Z. O. veranderlijk, met flaauwe en bramzeilskoelten. 
Van den 20«*«n tot den 26'*^^ Junij , of van het eerste kwartier tot 
daags voor volle maan , was het zeer regenachtig , met dikke lucht 
en guur weder, vergezeld van stijve N., N. N. O. en Z. O^ 
winden , en zware deining uit het Z. O. , Z. Z, O. en Z. Het 
was toen ook des nachts gevoelig koud. Het eerste kwartier en 
de grootste noorder declinatie der zon, die juist zoo kort op 
elkander invielen — den 20"*^ en 21"*®^ Junij. — , kunnen 
welligt hiervan wel eenigzins oorzaak zijn geweest. Tot het 
volgende laatste kwartier of den 4^®" Julij , troffen wij dagelijks 
frissche, stijve en ongestadige koelten uit het O. N. O. tot 
Z. O., met, ofschoon bewolkte en buijige lueht, altijd goed 
weder, doch des avonds, na zonneondergang, wat regenachtig. 
Daar wij echter van den 29"**"* Junij tot den 8*®° Julij in de 
straat Saraweri Wourat, aan den noordkant van het eiland 
Aidoema, digt achter vrij hoog land ten anker lagen , zoo kan 
men op de rigtingen des winds van dien tijd niet veel staat 
maken. Hetzelfde valt ook aan te merken ten opzigte van ons 
overig verblijf op Nieuw-Guinea's zuid-westkust, vermits wij 
alstoen onafgebroken in de bogt Oeroe Langoeroe vertoefd 
hebben, waar wij van drie zijden vrij digt door bergen omgeven 
waren , terwijl van de vierde' of zuidzijde eenige kleine eilanden 
ons ingelijks min of meer dekten ; zoodat ook hier de winden 
verschillende wijzigingen moesten ondergaan, naarmate zij uit 
deze of gene streek kwamen. Van den 4fi^ tot den 10*®" Julij, 
of van het laatste kwartier tot de nieuwe maan — gaat de 
Heer Modera voort — was het hier dagelijks mooi weer, met 
flaauwe en bramzeilskoelten uit het O., Z., O. en Z. Doch van 
den ll*e» Julij tot den 7*^"^ Augustus, en dus van nieuwe tot 
drie dagen voor de volgende nieuwe maan , was de lucht meest 
alle dagen dik, nevelachtig, vochtig en guur, met flaauwe, 
soms bramzeilskoelten uit het O. en Z. O., die zeer dikwijls 
vergezeld gingen van koude valwinden uit het Z. W. en Z. 
Z. W. De berg Lamantsjieri en andere omliggende hoogten 
waren dan meest altijd zwaar en laag in wolken gehuld. — 



42 

Van den 8*^ Augastos tot aan het eerste kwartier of den 
18^« dier maand , bleef de wind steeds veranderlijk tusschen 
het Om Z. en Z. W., met flaanwe koelten, echter zonder val* 
winden en met goed weder. 'Van dien tijd af tot den 1*^^ Sep- 
tember, op welken dag wij de kust van Nienw-Oninea verlieten , 
waaide het voortdurend uit het Z. O. , Z. en Z. W. tot W. Z< 
W., met flaauwe koelten; gedurende de eerste zeven dagen — 
van 18 tot 25 Angostos — regende het iedere avond, doch 
na dien tijd behielden wij mooi weder, hetwelk slechts som^ 
wijlen door ligte regenbuijen afgewisseld werd. 

Indien nu uit al het hier vermelde omtrent de winden, een 
algemeen besluit mag worden opgemaakt , dan zonde het blijken^ 
dat langs de zuid-westkust van Nieuw-Ouinea , de Z. O. moeson 
met afnemende maan zuidelijker tot 2elfs Z. W. en soms W. 
Z. W. loopt; doch met wassende maan daarentegen, zich meer 
naar het Noorden, tot N. O. en N. wendt Neemt men voorts 
in aanmerking de menigvuldige en ten deele vrij sterke en lang 
aanhoudende r^ens, die wij gedurende de reis gehad hebben, 
dan schijnt zulks de getuigenis der inboorlingen allezins te 
bevestigen, dat ook langs dit gedeelte der kust van Nieuw-- 
Gainea, even als in den Molukschen Archipel, deZ. O. moeson 
voor de zoogenaamde kwade of regen-moeson , de N. Westelijke 
daarentegen, voor de goede of drooge moeson moet gehouden 
worden. Deze weersgesteldheid staat dus in een e omgekeerde 
rede tot die, welke op de groote westelijke Sunda-eilandeu 
heerschende is. 

De waarnemingen , aan boord van de Triton omtrent eb en 
vloed en de stroomingen langs de kust en uit het land gedaan, 
hebben de volgende uitkomsten opgeleverd. In de straat Prinses 
Marianne werd een geregeld vallen en rijzen van het water opge- 
merkt, hetwelk slechts eeuanaal in de vier-en-twintig uren plaats 
had, leverende dit gewoonlijk een verschil op van 1|- tot 1^ 
vadem. Uit eene reeks zorgvuldig gedane waarnemingen in de 
bogi Oeroe Langoeroe, liet zich het gevolg trekken: dat bij 
volle en nieuwe maan , aldaar des middags ten 1 ure 8 minuten 
hoog wat^, en des avonds ten 7 ure 21 minuten, laag water 
is. Het verval is alsdan twee meters. Dit is echter niet het 



43 

grootste verschil y hetwelk zich tasschen de rij zing en diding 
aldaar voordoet, hebbende zulks tijdens de kwartier-manen 
plaats, alswanneer het verval van water 2,E4 bedraagt Twee- 
maal in de vier-en-twintig uren is er eb en tweemaal vloed, 
bij welke verandering echter eenige onregelmatigheid bespeurd 
wordt, naardien soms de hooge stand een unr en meer, langer 
aanhoudt dan de lage, en omgekeerd. De waargenomene stroo* 
ming langs de kust liep daar, waar zij niet door van het land 
vlietend rivierwater, of door bogten , banken en eilanden van hare 
gewone rigting werd gebragt, in dezelfde skekking als de op 
dien tijd heerschende wind, en dus om de Noord-Wiest, met 
eene vaart van omtrent f mijl. In de straat Prinses Marianne, 
waar de rigting des strooms van de kronkelingen der oevers 
afhangt, was zijne snelheid nog eens zoo sterk als op zee, en 
dienvolgens 1 1^ mijl. In het verslag van den Luitenant Langen- 
berg Kool , die in hetzelfde saizoen als wij , met Z. O. winden 
de straat van het Noorden inlaveerde, staat nopens de bewe- 
ging van het water het vofgende aangeteekend. In de noor- 
delijke monding van den doortogt loopt de stroom tweemaal 
daags heen en weder, doch verder de engte in, slechts een- 
maal, en dit laatste heeft de geheele straat door plaats. Het 
verval van water is 12 tot 16 voeten. Bij de eerstgenoemde 
opening was de snelheid 2 tot 2^ mijl 9 doch meer 
binneuwaarts had dezelve eene vaart van 4i^ tot 4| mijl 
in de wacht of de vier uren. Toen zich de Luitenant 
Kolff met de brik Dourga , in het laatst van April 1826 , 
in het gezigt van het land ten Zuiden van de Yalsche Kaap 
bevond, bespeurde hij bij de, op dien tijd reeds fel doorwaai- 
jende Z. O. moeson, eenen geregelden stroom van 1| mijl 
om de O. Z. O. en W. N. W. Er stond om dien tijd tegen 
het lage land eene zware deining uit het Zuiden , die in ver- 
binding met den hevigen stroom en het ondiepe water nabij 
de kust, de vaart zeer möeijelijk en lastig maakte. De Heer 
Kolff zag geen kans om ergens langs den zuidkant van Prins 
Erederik Hendriks-eiland, met eene sloep aan wal te kunnen 
komen. Uitstroomingen van rivieren vonden wij langs de west- 
kust op onderscheidene plaatsen vrij sterk, zoodat er soms op 



44 

aanzienlijke afstanden yan het land eene sterke kaveling en 
scherp bepaalde kleurverandering in het water zigtbaar was. 
Hiertoe hebben intusschen waarschijnlijk niet weinig bijgedragen* 
de aanhoudend aflandige winden van het Zuid-oosten , gepaard 
met de veelvuldige regens, die de rivieren aanmerkelijk deden 
zwellen en hare stroomkrachten vermeerderen. Meermalen waan- 
den wij ons in de nabijheideener ondiepte te bevinden, wanneer 
er eensklaps eene aldus in het oog vallende verandering in het 
water werd waargenomen , doch de uit de sloepen gedane peilin- 
gen bewezen ons het tegendeeL 



TWEEDE AFDEELING. 



Statistieke en Ethnograpliische berigten: Distrikten, dorpen of gehuch- 
ten en woningen; inboorlingen der verschillende streken: hnnne gestalte , 
kleur ^ versierselen, wapenen, gereedschappen enzv.i hunne beachaving, 
instellingen, zeden en gewoonten; handelsbetrekkingen^ ipet vreemdelingen, enzv. 



In het* door ons bezochte zuidelijkste gedeelte van Niéuw- 
Guinea^s westkust, hebben wij, omtrent de verdeeling van het 
land en de gehuchten , welke zich in die streken mogen bevin- 
den , volstrekt geene inlichtingen kunnen erlangen , naardien 
wij met de bewoners van Prinses Marianue-straat slechts zeer 
weinig omgang hadden , en onze derwaarts medegenomene Ceram*- 
sche tolken daarenboven , van de taal dier menschen niets 
hoegenaamd konden verstaan. Yan daar noordwaarts zeilende, 
hebben wij wel. op enkele plaatsen hutten langs het strand, en 
zelfs hier en daar eenige menschen m kano^s, digt bij den oever 
gezien, doch de gesteldheid van het wederen ook der kust, 
was te ongunstig om te kunnen landen, terwijl het tevens den 
chef der expeditie aan genoegzamen onderzoekingslust ontbrak, 
om iedere gelegenheid te baat te nemen, die ons welligt het 
land en deszelfs bewoners van naderbij hadde kunnen doen 
kennen. Eerst op de zuiderbreedte van omtrent 4° 50' naderden , 
tamelijk ver van den wal verwijderd, een aantal kano's met 
vele inboorlingen tot bij het schip, van welke sommige een 
weinig Ceramsch verstonden , terwijl ook hunne taal voor onzo 
tolken niet geheel vreemd was. Zij gaven ons vele van hunne 



46 

pijlen en bogen, lansen en versierselen in ruil, waartegen zij 
van ons lappen wit linnen en bont katoen , doeken , koralen , 
spiegeltjes, Bossche-lemmer messen, blanke knoopen, ledige 
flesschen erizv. in de plaats kregen ; zij deelden ons tevens eenige 
algemeene berigten mede nopens hun land , en wezen ons ver- 
volgens eene rivier aan, die zij Oetanata noemden, waar wij 
versch water bekomen konden. De elf dagen , gedurende welke 
wij voor den mond dezer rivier, op 4^ 32' 20* Z. br. en 136° 
10' 5^ O. 1. V. Gr., ten anker lagen, teii einde ons van drink- 
water en brandhout te voorzien , hebben wij ons zooveel mogelijk 
ten nutte gemaakt om nasporingen te doen , zoowel ten opzigte 
van het land en de voortbrengselen , als omtrent den maatschap- 
pelijken toestand der inboorlingen en wat verder tot ben betrek- 
king had. 

Een Papoea van groote en athletisebe gestalte en spierkracht, 
en van middelbare jaren, wiens ruw aanzien door de menig- 
vuldige lidteekens van zijn naakt, ruig ligchaam nog vermeer- 
derd werd , stelde zich als opperhoofd dier stredc aan ons voor. 
Zijn naam was Abrauw. Hij had in vroegere jaren era» het 
eitftnd Geram in de Molokken beasocht , en aLstoen van de taal, 
welke door de strandbewoners aldaar gesproken wordt, een 
weinig aangeleerd, zoodat onze tolken zich, in hunne moeder* 
taal, eenigzins met hem konden onderhouden. In zijn geboor- 
telaad scheen hij wijd, en zijd wel bekend te zijn. Volgens 
hetgene wij van hem v^namen , is het kusiknd aldaar verdeeld 
in twee groote distiikten, waarvan het eene, Timakow» of 
Timoraka geheeten , zich van de rivier Oetanata v^ da^izens 
zuid-oostwaarts uitstrekt, terwijl het andere, Koiwai genaamd, 
zich van die rivier westwaarts uitbreidt tot voorb^ den hoek van 
Karoefa, alwaar het aan het landschap Onin grenst. Als tot 
het eersligemelde diatrikt behoorende, noemde ons Abrauw de 
volgende dorpen en gehuchten: Bokamaaw, £apttra, Perepia, 
Timapare, Iperoja, Mimika, Marja, Wa8ia,Poromlamoe,.Pam«i- 
ka, CMerie, Djalai en Poeka. Uit het disfrikt Koiwai: Oeta, 
Wakia, Wamoeka, Akara, Mapara, Kipi», Prougo, Peeuwka, 
Koeroea , Djerra , Teenwkia , D)oega , Iroea , Kagataroe , Oem«pri^ 
Karja, Auwtoe, Koeteha, Poetoeai^ Napc^oe, Poeroe, Oera- 



47 

moeka, Taimaka, Kaxamako, Ata, P&jft» Kakai, Tara^a^Wai- 
meta en Oeïmetara. Oi deae gehuchten doorgaans langs het 
strand , dan wel gedeeltelijk meer binnenlands l%gai ; hoe verre 
zij onderling van elkandier verwijderd sujn, en tot welke hoogte 
van de kust zij zich uitstrekken, is ons niet duidelijk gebl^« 
koL Yolgens d^ meening van den tolk Fattl Barombang van 
Ceram , zouden zg. omatreeksi den hoek Bo^oe eindigen. De verder 
westwaarts gelegene» dorpen waren aan Abrauw niet bij naam 
bekend, waarom wi), ten einde deae korte statistieke opgaven 
zoo volledig mogeU)k te maken , hier datgene zullen bijvoegen, 
wat wij later, tijden» on» v^blgf in de baai OeroeLangoeroe, 
dienaangaande te weten zijn gekomen. 

Vooreerst dan moeten wij aanmerken, dat, volgena dB disaK 
ingewonnen berigten, die streek wel gerekend wordt tot het 
groote diatrikt Koiwai te bebooren, doch dat het kustland 
weder in onderscheidene kleine distrikten verdedd is,, waarvan 
men er ons vier aanduidde. Deze zijn: het distrikt Lokahia, 
waaronder Kajoe-mejrah behoort; het eilauid Aidoema; het 
distrikt Lobo met Mowara, en het eiland Nametotte, ondei 
hetwelk ook het diland Sagil begrepen is. O&choon nu de 
bewoners van deze vier kleine landschappen onder afzonderlijke 
hoofden staan, behooren zij toch aan den Badja van Name- 
totte ondergeschikt te zijn. Men vindt in dezelve eene menigte 
verspreid liggende gehnohten, waarvan echter velen stechta 
uit eenige weinige armoedige woningen beataan. De Heer vau 
Delden heeft te dezen aanzien de volgende berigten van de 
inwoners dier streken ingewonnen. Lokahia , een eilandje ,. ruim 
twee mijlen van de kust veorwijderd, bezit een dorp, hetwdk 
denzelfden naam draagt. Gehuchten op den vasten wal aldaas 
zijn : Barimbi , Kouwapi , O^narauw , Ölah , Boesama , Wairauw, 
Kairoeroe, Qirimofa, Kasarimpi» Boemarauw en Wisirauw. Op 
het eilandje Eajoe-mejrah bevinden zich de gehuchten : Ikaxoes, 
Awasira, AJamawoea, Ekiminda, Laroei en Kajoe-mejrah. Op 
de vaste kust daaromstreeks zijn gelegen: Eelcanala en Twee- 
rauw. Op het eilandje Dramai bestond vroeger een dorpje van 
dien naam, hetwelk thans echter verlaten is; maar tegen over 
hetzelve, op den vasten wal, vindt men de gehuchten :Nabima, 



48 

Mora, Manga wi, Oeta,.Warkawi, Inbina, Kemana, Sesei en 
Tarai. Op het eiland Aidoema telt men, behalve een gehucht 
v]ln gelijken naam, nog: Simoeroet, Watawai, Waikala en 
Tabaroekan. Op den vasten wal: Warikarauw, Langoerauw', 
Lobo en Mowara. Op het eiland Sagil ligt een gehucht, San- 
ginauv geheeten. Op de kust aldaar vindt men: Boesirauw, 
Kotaifanw en Wairinrauw. Op het eiland Nametotte is een 
dorp van denzelfden naam, en een ander , Eranarauw geheeten. 
Op Foeloe Adie of het Wezels-eiland , vindt men de volgende : 
Watokarbauw, Kiliwoeloe, Nigoear, Eisiwoeï, Manga witoe en 
Boerbauw. Op de vaste kust, tusschen het zoo even genoemde 
eiland en dat van Nametotte, zijn voorts gelegen onderschei- 
dene bewoonde plaatsen , waarvan de voornaamste zijn : Basoa- 
rauw, Mamai, Makombo, Arkassi, Siesie, Nangoaroraie, Mo- 
rana, Wangoema, Sjobarauw, Simorauw^ Glang, Komborauw, 
Itsjonga , Nangoera , Orami , Barari , Serendowarat ; Goeïsi , 
Soenga, Sara, Finaroe, Irina, Oendomo, Bassarauw, Nerita, 
Oernoesoe, Benonga en eenige anderen. Er zijn in dat gedeelte 
tevens twee groote baaijen, Bitsjaroe en Argoenie genaamd, 
welke laatste al- de bogten der omstreek in schoonheid en uit- 
gestrektheid verre zoude overtreffen. 

Ten opzigte vati den aanleg en de inrigting der woningen 
heerscht in de verschillende gedeelten langs de kust, groote 
verscheidenheid. In de door ons bezochte noordelijkste distrik- 
ten, waar de strand bewoners meest Mahomedanen zijn, of 
althans reeds vele Mahomedaansche gebruiken hebben aange- 
nomen, zijn de huizen allen min of meer van Maleischen bouw- 
trant: vierhoekig, somwijlen plat op de aarde, doch vaker 
eenige voeten boven den grond, op stijlen rustende. Hoezeer 
meestal niet bijzonder groot en ruim, en met weinig kunsten 
netheid zamengesteld , bezitten zij nogtans, over het algemeen, 
eene tamelijke stevigheid en zijn zij wèl gesloten. Zij zijn 
gewoonlijk met Atap van verschillende palmbladen bedekt; 
slechts eenige weinige, kleine woningen, die wij hier en daar 
in het bosch aantroffen , hadden de daken van boomschors. Van 
sommigen bestaan de wanden uit planken of enkel uit stukken 
hout; bi] anderen zijn deze uitwendig met boomschors bedekt 



49 

ofwel met atap omhangen. Niet zelden vindt men in zulk eene 
woning een, en somtijds zelfs een paar kleine venstergaten; 
meermaleo echter ontvangen zij haar licht alleen door de niet 
zeer groote opening der deur. Gemeenlijk staat ieder huis min 
of meer vrij en , waar het terrein bergachtig is , het eene vaak 
iets hooger geplaatst dan het andere, en volgens de ligging 
van den grond, het eene som» met den ingang meer naar dezen, 
het andere meer naar genen kant gewend. Inwendig zijn zij 
ten deele hoog genoeg om er regtop-in te kunnen staan , ofschoon 
ons ook enkelen zijn voorgekomen , die dit gemak misten. Veelal 
wordt een enkel huis dooir onderscheidene familiën, somtijds 
wei ten getale van tien of meerdere hoofden, bewoond. Dit is 
dan ook oorzaak, dat meestendeels, gelijk wij reeds boven aan- 
merkten, zich slechts eenige weinige huizen in eene groep bij 
elkander bevinden, dikwerf van drie tot zes, welke dan geza- 
mentlijk een moendoe of dorp vormen. De grootere gehuchten 
bestaan zelden uit meer dan acht of tien huizen. Het tot hier- 
toe medegedeelde omtrent het zamenstel der dorpen heeft 
intusschen alleen betrekking tot de Papoeasche , die men langs 
de kust vindt, tusschen ongeveer 135° oosterlengte, of van 
den hoek Boeroe af, tot voorbij het Wezels-eiland, op 133° of 
welligt nog verder noord-westwaarts op. De bewoners der binnen- 
landen daarentegen, door de strand volkeren van die streek 
Mairassis geheeten, bezitten waarschijnlijk, in overeenstemming 
met hunnen geringen graad van beschaving, veel slechtere 
woningen, waaromtrent wij echter weipig met zekerheid weten. 
Ik zelf heb slechts eenmaal, aan de oostelijke af helling van 
den berg Lamantsjieri , midden in het bosch op eene eenig- 
zins opene plek, eene door zoogenaamde Alfoeren of Mairassi? 
bewoonde hut gezien. Ik geloof echter, dat deze meer voor 
een kortstondig en tijdelijk verblijf dezer ruwe natuurmenschen, 
dan wel voor eene hunner gewone huisvestingen te houden zijn» 
Deze hut bestond enkel uit een half dak , dat tot op den grond 
nederdaalde, terwijl zij aan de andere zijde geheel open was. 
Aan den ingang zelfs kon men onder het dak ter naauwernood 
regtop staan. Het was gedekt met boomschors en boombladen , 
welke voorwerpen op een ruw getimmerte van wild hout ruste- 



50 

den. Volgens het berigt on» door een Fapoeaasch opperhoofd 
van het eiland Aidoema medegedeeld, bestaan de gehuchten 
der meer landwaarts wonende Mairassis uit lange huizen, die 
op palen rusten en van binnen in vele kleine vertrekjes zijn 
afgedeeld. Zulk een huis zoude dan steeds door onderscheidene, 
niet zelden uit 20 tot ^0 personen bestaande gezinnen, be- 
woond zijn. 

Verplaatsen wij ons thans een eind verder zuid-oostwaarts 
aan het strand, bij* de rivier Oetanata, en beschouwen wi] daar 
de woningen der nog weinig beschaafde inlanders. Aan de 
linkerzijde van deze rivier, juist bij haren mond, zijn op het 
witte zandstr(vid een aantal woningen gdegen , door de inboor- 
lingen Oeta genaamd. Dit dorp bestaat hoofzakelijk uit een 
zeer laag , naar eene loods gelijkend gebouw, dat naar den kant 
der rivier vele openingen van ongelijke grootte tot ingangen 
heeft. Van buiten gezien scheen het ons aanvankelijk toe, als 
of er eene menigte kleine hutten naast elkander waren geplaatst, 
doch dezelve binnentredende, vertoonde het geheel eene door- 
loopende lange, vuile en morsige ruimte. Op de menigte bran- 
dende vuurtjes , welke niet weinig rook verspreidden , was men 
bezig groote krabben, visschen, half rijpe bananen, groote 
stukken van het meelachtige merg ec^s sagopalms en andere 
eetwaren meer, te braden of te roosten. Het scheen dat deze 
loods niet alleen aan een aanzienlijk getal menschen , maar ook 
aan varkens en honden tot gemeenschappelijk verblijf verstrekte. 
Qeene matten of iets dergelijks bedekten den zandigen bodem 
van deze sombere schuur, waar oud en jong, mannen, vrouwen, 
kinderen en ook de genoemde huisdieren op den kal^n grond, 
naar welgevallen, waren gezeten , uitgestrekt nederlagen, ofwel 
in de. onbelemmerdste vrijheid door eikand» liepen. Het geheele 
gebouw was ten naastenbi] 30 meters lang, 1,7 breed en omtrent 
ly4s hoog. Het geraamte daarvan bestond uit dunne houtsten- 
gen en bamboes, doch van buiten waren het schuins af hellende 
dak en de wanden overtrokken met matten, uit aan elkander 
geregen palmbladen vervaardigd. Tegen het dak waren hier en 
daar stokken gelegd, waarschijnlL)k met het doel om de ligte 
bladbedekking eenigzins tegen het op- en wegwaaijen te bevei- 



y^^'^^f>^ 



51 

ligen. Ieder gezin scheen 'eenen bijzonderen ingang in de woning 
te hebben, door welke openingen men niet anders dan zeer 
laag bukkeriSe kon uit- en ingaan. Achter deze lange Papoea- 
sché woning stonden , op eene kleine verhevenheid van den grond, 
een paar andere gewone langwerpig-vierkante huizen v^n Ma- 
leischen vorm, en hoezeer eenigzins vervallen, was het niet- 
temin daidelijk zigtbaar, dat deze^op eene betere wijze waren 
zamengesteld. Zij behoorden aan eenige Ceramsche kooplie- 
den, welke veelal jaarlijks die streek bezoeken en er alsdan 
gewoonlijk eenigen tijd vertoeven. Er vertoonden zich overi- 
gens in de . nabijheid van dit dorp weinig of geene vrncht- 
boomen , zelfs niet eens kokospalmen , en de inboorlingen moe- 
ten derhalve de noten,- die wij bij hen zagen, van elders uit 
de binnenlanden verkr^en hebben. Op onze jagttogten hebben 
wij niet zelden kleine troepen dezer menschen op den weg 
ontmoet, zoowel ten Zuiden van het dorp, langs het strand, 
als op de rivier, die zij vaak met kano^s op- en afvoeren. Eens 
kwamen wij eene boot met vier vrouwen tegen, welke uit vis- 
schen waren geweest. Zij hadden echter weinig gevangen , want 
al hetgeen zij ons lieten zien, bestond enkel in eenige groote 
krabben , die zij ons zeer duur wilden verhandelen , verlangende 
zij voor iedere krab een* zakdoek of 'ander stuk linnen. Doch, 
wat deze menschen zelve, hunne zeden « hun huishoudelijk leven 
enzv. betreft, daarover zullen wij later meer uitvoerige mede- 
deelingeu doen. Thans willen wij van het dorp Oeta alleen nog 
aanstippen, dat hetzelve weinig tegen den wind is gedekt, naar- 
dien de grond, waarop het ligt, eene tamelijk smal uitsprin- 
gende tong vormt, die langs den zeekant slechts dun met 
Casnarina*- en andere boomen begroeid is. Van deze zijn som- 
mige, die meer vrij staan, dor, en dus slechte beschutters, 
terwijl de breede mond der rivier een wijd en open vlak voor 
wind en weder aanbiedt. 

Van het Papoeasche gehucht, dat men op omtrent 6^15' Z. 
br. aan het strand ontwaart, en in welks nabijheid de onster- 
felijke Cook, bij zijne eerste reis rondom de aarde, aanlandde, 
geeft de Heer Koiff, die in 1826 aldaar aan wal ging, eenige 
nadere berigten. Hij vond langs den zandigen oever onderschei- 






52 

dene hatten verspreid, die laag gebouwd, aan alle kanten open, 
en met palmbladen bedekt waren. Een eind verder binnenwaarts 
zag hij nog een aantal grootere woningen. Het lané^scheen hem 
over het geheel, hoe woest het zich ook- anders voordeed, 
in die streek vrij sterk bevolkt te zijn: doch ondanks alle 
aangewende moeite, mogt het hem niet gelukken met de in- 
boorlingen in aanraking te komen. Ofschoon in talrijke hoopen 
vereenigd, toonden zij zich nogtans zeer vreesachtig , zoodat zij 
telkens de vlugt namen , wanneer men hen te water of te land 
wilde naderen *«). Wij zelven hebben het voormelde gehucht 
slechts op een^ afstand van ongeveer drie mijlen gezien; het 
bestond uit eenige lage, zich als bloote daken voordoende 
wotiingen, die van 25 tot 30 voeten lang schenen te zijn. Wij 
zagen soortgelijke huizen wel op eene mijl van elkander. 

ïn de Prinses Marianne-str^iat hebben wij langs de oevers 
geene gehuchten, noch zelfs bewoonde hutten gevonden. De 
eenige sporen van menschelijke verblijven, aldaar waargenomen, 
waren de geraamten van eenige oude verlatene hutten, die hier 
en daar in het bosch op drooge plekken gronds verspreid lagen. 
Deze overblijfselen bestonden meerendeels uit vier , als schragen 
schuins tegen elkander in den grond geplaatste stokken , waarop 
van boven een andere dwarsstok rustte. Bij de meesten was 
geene verdere bedekking aanwezig; twee echter hadden aan de 
eene, naar het water gekeerde zijde, een tralieachtig dakge- 
raamte, uit dunne, regthoekig over elkander liggende stokken 
en boomtakken vervaardigd, op welke nog eenige stukken boom- 
schors, als overschotten eener vroegere bedekking, gelegen 
waren. Deze schors scheen van eene acaciansoort , die aldaar 
vrij menigvuldig is, afkomstig te zijn. Het dak daalde tot op 
den grond af; maar aan de antlere zijden dezer hutten was geen 
spoor van beschutting zigtbaar. De hoogte van het geheel was 
doorgaans minder dan gewone manslengte, en bedroeg onge- 
veer slechts drie tot vier voet. De breedte en lengte was in dezelfde 
evenredigheid bekrompen, zoodat zij in der daad meer naar 
groote hondehokken, dan wel naar menschelijke woningen 
geleken. Aan het hout, dat er voor gebruikt was , was gee^i ken- 
teeken van eenig scherp werktuig te bespeuren, zijnde het 



n 



5;5 

blijkbaar alleen afgebroken. — Strekten nu deze eenvoudige 
en ruw zamengestelde hutten eenmaal tot vaste woningen 
aan geheele familiën, of werden zij misschien door eene hier 
langs trekkende, zwervende horde, alleen tot tijdelijke rust- 
plaats en nachtverblijf opgeslagen? Bij eenige er van vonden 
wij overblijfselen van schulpen, krabben, schillen van kokosi- 
noten ■ en verbrande stukken hout, die gedeeltelijk de sporen 
droegen van daar -nog niet zeer lang gelegen te hebben. Niet 
ver ten Westen van daar, aan den noordkant van voornoemde 
straat, ontmoeten wij* een' hoop inboorlingen; doch het valsche 
en arglistige gedrag, dat zij al dadelijk bij die eerste ontmoe- 
ting verrieden, maakte eene nadere kennismaking met hen en 
met hunne levenswijze niet raadzaam,. Zij moeten niet ver 
van de plaats, waar wij hen zagen, hunne woonsteden 
hebben gehad ^ vermits zij weinige uren, na ons. schieten aan 
den oever , eensklaps uit het bosch te voorschijn kwamen. . 
Dikwerf staken zij de armen landwifarts uit, ons doer gebaren 
en teekenen te kennen gevende ^ dat zij in die rigting woonden 
en wij hen derwaarts zouden vergezellen. Onder eene menigte 
mannen bevonden zich ook vrouwen en kinderen , doch zij ver- 
schenen met hunne kano^s niet in de straat. Den volgenden 
dag alleen vertoonde zich een enkel klein bootje, digt onder 
den wal , in hetwelk zioh twee menschen bevonden , die staande 
roeiden. Het verdween echter weldra tusscheu het geboomte 
van eene kleine rivier. Leven deze wilde kinderen der natuur 
welligt altijd zwervende, slechts eenen korten tijd, nu eens 
hier, dan weder elders vertoevende? Zeker is het, dat van al 
de inboorlingen , die wij op Nieuw-Guinea gezien hebben , deae 
het minst beschaafd waren en in hunne manieren de meeste 
dierlijke woestheid aan den dag legden. Waarschijnlijk waren 
wij de eerste Europeanen, en de Triton en Iris de eerste schepen, 
die zij ooit te zien kregen. De navolgende omistandige beschrij- 
ving der ontmoeting met deze inboorlingen, is getrokken uit 
de dagboeken, door sommige mijner reisgenooten gehouden, 
wier aanteekeningen ik met de mijnen tot een geheel heb gemaakt. 
In de hoofdzaak komt 'zij genoegzaam overeen met hetgeen 
men in het reisverhaal van den Heer Modera nopens dit onder • 



54 

werp vermeld vindt; doch daar ieder reiziger zijne bijzpndere 
wijze van zien heeft, zullen ook de waarhemingen , opvattingen 
en mededeelingen steeds onderling van elkander verschillen , en 
iedere kleine bijdrage tot de nadere kennis dier wjlde inenschen , 
welke wij toch verpligt zijn onze natuurgenooten te noemen, 
belangrijk te achten zijn. 

De beide schepen kwamen in den achtermiddag van den 
£]^ften ]^gj J828, binnen de monding der voornoemde straat, 
en wierpen óp omtrent \ mijl afstands van haren noorder wal, 
op 7° aS' Z. br. en 138° 58' O. 1., niet ver van de opening 
eener kreek, door den Heer Kolff als eene zoetwater kreek 
opgegeven, op 8 vademen diepte, het anker. Reeds dienzelfden 
middag, ala ook den. volgenden morgen, voeren er sloepmi 
naar bet land, om deszelfs gesteldheid en voortbrengselen te 
onderzoeken. Ik was derwaarts medeg^aan, en schoot daar 
verschillende soorten van vogels , inzonderheid witte kakketoeên 
(Fsittacue galeritus) , die onder een luidrachtig geschreeuw , in 
groote zwermen boven het bosch rondvlogen. Na eenige uren 
toevens keerden wij naar boord terug, met het berigt^ dat het 
land te laag en te moerassig was om ergens met schik 
eenen voet aan wal te kunnen zetten, en dat de voormelde 
kreek gedurende den ebtijd te weinig zoetwater bevatte en 
tevens te ondiep bij haren ingang was, dan dat men aldaar de 
ledige vaten naar wensch zoude kunnen vullen. Er werd om 
die reden besloten, tegen den middag, met den opkomen den 
vloed, de straat verder in te zeilen. Toen men op dat tijdstip 
juist aan het opwinden van het anker bezig was , traden eens- 
klaps zeven menschen van eene zeer donkere kleur, voor het 
bosch, digt bij den mond der kreek, te voorschijn. Hun getal 
nam weldra tot achttien toe. Begeerig deze inboorlingen van 
naderbij te zien en, zoo mogelijk, eenige berigten nopens 
het land van hen in te winnen, gaf de Kommandant bevel, 
het ligten van het anker vooreerst te staken , en zond hij eene 
wel bemande sloep, onder de leiding van eenen OiHcier^ naar 
wal, aan welke expeditie nog door onderscheidene andere Heeren 
deel genomen werd. 

Kort nadat wij het boord verlaten hadden, hoorden wij de 



55 



nraakte boschbewoners reeds geweldig schreeuwen, en zagen 
wij hen. hunne speren en bogen boven het hoofd zwaaijeu. Hoe 
meer wij hen naderden, des te luidruchtiger werd het gejoel 
en des te meer poogden zij, door den fnodder wadende, ook 
ons naderbij te komen. Onze tolk kon intusschen geen enkel 
woord van hunne taal verstaan, en hetgeen hij hun half in 
eenen Ceramschen , half in eenen Papoeaschen tongval , volgens 
hem, meer noordelijk aan de kust van dit eiland in zwang 
zijnde, toeriep, schenen ook zij volstrekt niet te begrijpen. De 
klanken: kaka^ kaka^ kaka^ — djewa^ d^ewa' — njieuba% 
njieuba enzv., welke zij meermalen achter elkander herhaalden, 
waren het duidelijkst uit hun geroep te onderscheiden. Zoo 
veel wij uit de gebaren, die zij daarbij maakten, konden 
afleiden, noodigden zij ons uit, bij hen aan; land te komen. 
Onze Ceramsche tolk gesticuleerde en scheeuwde even hard als 
zij, daarbij tevens, nu en dan, met zijne banden eenig water 
opscheppende, met hetwelk 'hij de kruin van zijn hoofd be- 
vochtigde , ten teeken van de goede gezindheid , die wij hun 
toedroegen. Een paar der naastbij zijnde inboorlingen maakten 
onverwijld hunne hoofden insgelijks nat. De tolk poogde hun 
door velerlei teekens begrijpelijk te maken, dat zij digter bij 
de sloep moesten komen en dat ook hij hen alsdan nader zoude 
te gemoet treden. Toen men tot op eenen afstand van onge^ 
veer 2b schreden van den wal verwijderd was , en eénige hunner 
een weinig digter bij kwamen, sprong de tolk uit de sloep in 
zee en ging hen te gemoet, hun te gelijk door teekens te 
kennen gevende, dat zij zich van hunne wapenen zouden ontdoen; 
waaraan zij terstond gevolg gaven, door ze in den modder 
te stekel. Zoodra de tolk en de voorsten elkander nabij ge- 
komen waren — hetgeen van weerszijden tamelijk schoorvoe- 
tende en met groote omzigtigheid geschiedde — reikte hij hun 
eenige stukken wit linnen toe, waar zij zeer mede verblijd 
schenen. Hierna volgde wederkeerige vredes- en vriendschaps- 
betnigingen, daarin bestaande, dat de inboorlingen onder een 
vreeselijk geschreeuw den tolk omhelsden en hem al dansende 
en springende landwaarts poogden te trekken. Middelerwijl 
kwam de sloep langzaam nader, hetwelk de inboorlingen eenig- 



56 

zins wantrouwend maakte en hen weder een weinig terug deed 
deinzen. Om hun alle vrees te ontnemen, sprong nu ook de 
Luitenant Hugenholtz te water, liep. naar hen toe en knoopte 
op dezelfde koddige wijze als de tolk, met een paar der moe- 
digsten, die zich ten minste het digtst bij de sloep gewaagd 
hadden , kennis aan. Hun gespring en getier scheen geen einde 
te zullen nemen. Vooral rees hunne blijdschap ten top, toen 
ssij op nieuw onderscheidene geschenken, bestaande in doeken, 
spiegeltjes, glaskoralen enzv. van de onzen ontvingen. Zij gaven 
^ich alle moeite om , zoowel den Heer Hugenholtz als den tolk 
tot het aan wal stappen te bewegen , hetgeen echter door dezen^ 
niet raadzaam werd geacht, trachtende zij daarentegen, lang 
te vergeefs, door het vertoonen van geschenken, de inboor- 
lingen naar de sloep te lokken. De Heer Hugenholtz en de 
tolk keerden ten laatste weder naar de boot terug, dewijl zij 
met het rijzende water al digter bij den wal geraakten. Aldus 
kwamen wij allengs nader bij eenige der inboorlingen, die tot 
boven de knieën in het water stonden. Deze waagden het ein- 
delijk om geschenken uit de boot aan te nemen , hetwelk weldra 
meer anderen aanmoedigde om insgelijks bij ons te komen , 
zoodat wij in weinige oogenblikken van een twaalftal omringd 
waren. Eenige hunner hadden moeds genoeg om zelfs in de 
sloep te klimmen. Wij begiftigden hen met allerlei snuisterijen; 
een der Heeren zelfs ontdeed zich van zijn witte vest, een 
ander van zijn' halsdoek, en een derde sneed de blinkende 
knoopen van zijnen rok en deelde die onder hen rond. Zij 
namen alles met begeerlijkheid aan , doch het linnengoed scheen 
hun vooral te bevallen ; de spiegeltjes braken zij , uit onkunde 
en onhandigheid, dikwerf dadelijk in stukken. Voor de ont- 
vangene voorwerpen gaven zij ons eenige lansen, bogen en 
pijlen, alsmede onderscheidene versierselen uit hunne ooren, 
haren of wri van hunnen hals. Sommigen boden ons eenige 
krabben aan , die zij in gevlochten zakken op den rug droegen. 
Zij namen ons, onze kleederen, wapenen, en vooral ook onze 
sloep, met veel nieuwsgierigheid op, en hadden het daarover 
op den duur zeer druk onder elkander. Nu en dan staarden 
gij, met een gelaat vol verbazing, naar de schepen, wier grootte 



57 

en vorm hen zeer scheen te verwonderen. Tusschenbeide 
schreeuwden zij zoo luid mogelijk naar het btisch , hetwelk door 
onderscheidene grove en fijne stemmen van daar beantwoord 
werd. Eindelijk verschenen er ook twee vrouwen op den oever, 
van welke de eene reeds eenigzins bejaard, de andere nog jong 
scheen te wezen. Toen riepen zij herhaaldelijk: JiW,öièi, onder 
onkiesche gebaren met de handen , naar de vrouwen wijzende. — 
Zij legden in het algemeen eene woeste blijgeestigheid aan den 
dag en werden van lieverlede zeer vertrouwelijk. Desniettegen- 
staande en hoe dringend wij hun ook trachtten te beduiden.» 
dat zij met ons naar de korvet moesten gaan , schenen zij daar 
volstrekt geen lust toe te hebben: zij wezen tot antwoord op 
hunne halzen, die zij vreesden, dat hun zouden worden afger 
«neden, wanneer zij zulks waagden. Dit was dan ook oorzaak 
dat zij bij de minste bew^ing, die met de sloep gemaakt werd, 
deze oogenblikkelijk verlieten en te water gingen. In weerwil 
van deze wantrouwende vrees, boezemden zij ons een gunstig 
denj^beeld van hunne inborst in, en ware het strand beter 
geweest, zoodat wij, zonder tot over de kniën door den modder 
te moeten waden , hadden kunnen landen , dan zouden wij ons 
gewis hebben laten bewegen, om hen naar hunne woningen te 
vergezellen. Thans echter besloten wij , zulks tot den volgenden 
ochtend uit te stellen, en alsdan, van meerdere geschenken 
voorzien, dan wij nu bij ons hadden, de nabij gelegene rivier 
op te varen, alwaar zij ons te kennen gaven, dat wij hunne 
woningen vinden zouden. 

Na ongeveer drie uren met dit zoo echt wild volk doorge- 
bragt en deszelfs gedrag met verwondering gadegeslagen te 
hebben, moesten wij deze onze nieuwe vrienden, die door de 
inmiddels hoog gerezene zee, meest allen tot de borst, en som- 
migen zelfs tot den hals, in het water stonden , tot den volgenden 
morgen verlaten. Er* werd bevel* gegeven om de sloep , die zij 
langzamerhand al digter en digter naar den wal en met het. 
voorste gedeelte in den modder hadden gesleept, achter uit te 
brengen; doch zij hielden haar vast. Toen evenwel de ma- 
trozen haar met kracht afstieten , spande een , op ongeveer tien 
passen van ons verwijderde Papoea zijnen boog en schoot 



58 

plotseling een' pijl op ons af, die den Heer Boers, welke op 
de plecht der sloep zat, in het linker dijbeen trof. Op dat- 
Eelfde oogenblik werden wij van verschillende kanten door eene 
menigte pijlen begroet, welke den Heer Hagenholtz en eenen 
matroos verwondden. Tot ons leedwezen bleef ons toen niets anders 
over, dan eeni^e geweren op hen te lossen, ten einde ons voor 
verdere vijandefijkheden van hunnen kant te behoeden. Bij het 
eerste schot reeds vlogen zij volmaakt als wilde dieren door 
elkander, en kropen, zich zooveel mogelijk onder bet water 
verbergende, in gebakte houding naar het strand. Of er bij 
die gelegenheid eenigen gekwetst zijn geworden , is ons onbekend 
gebleven , doch gedood werd er geen. Sommigen hadden in den 
eersten schrik hunne wapenen weggeworpen, anderen hen, bij 
de overhaaste vlugt, in den. modder laten steken. Wij maakten 
ons van deze meester, alvorens naar boord terug te keereo. 
De gewonden in- de sloep klaagden, dat zij eene brandende 
pijn gevoelden; doch daar de pijlen, die wij de inboorlingen 
hadden zien gebruiken , niet vergiftigd schenen te zijn , meepden 
wij ons , omtrent verdere noodlottige gevolgen gerust te kunnen 
stellen; hetwelk ook door de uitkomst bewaarheid werd. 

De gestalte dezer wilde natuurmenschen was over het alge- 
meen van eene middelmatige grootte, goed gespierd en van 
een forsch aanzien. Hunne bewegingen waren bijzonder vlug en 
levendig. Behalve eenige weinige versierselen, die zij aan het 
lijf droegen, waren zij geheel naakt. De kleur hunner 
huid was donker bruin , eenigzins naar het blaauwachtig zwart 
hellende, doch bij den eenen wel iets lichter dan bij den anderen. 
Zij droegen geene sporen van getatoeëerd te zijn , maar hadden 
het ligchaam en vooral het aangezigt, op verschillende wijzen, 
hetzij met zwarte of met roode, naar houtskool en kleiaarde gelij- 
kende kleuren, dik besmeerd, hetwelk hun overigens nog al 
goedaardig voorkomen ten eenemale afzigtelijk maakte. Daaren- 
boven hadden sommigen nog eene walgelijke huidziekte. Hun 
oog was fraai bruin; eenigen hadden eenen tamelijk breeden, 
anderen eenen meer vooruitstekisnden neus ; hunne lippen waren 
vrij dik , en de tanden van eenigen wit , van anderen vuil bruin. 
Zij hadden kort, zwart, wollig haar, hetwelk schier door elk 



59 

op eene audere wijze werd gedragen en versierd. Van eenigen 
was bet zeer kort, van anderen langer en in tallooze dunne 
vlechtjes van omtrent eene vingerlengte verdeeld , welke hen als 
het haar van een' poedelhond om het hoofd slingerden ; nog anderen 
hadden er geelachtige biezen omheen gevlochten , welke in grooten 
getale , doch meestal bij paren , als iueengedraaide koorden , ter 
lengte van ruim één^ voet, langs den nek af hingen. Sommigen 
weder hadden het haar, boven op de kruin van het hoofd, in 
eenen wrong te zamen geknoopt; terwijl eindelijk enkelen het 
in- eenen , van achteren af hangenden staart droegen. De meeste 
hadden eenen vrij zwaren baard van kort, kroes, gitzwart haar ; ook 
prijkten sommigen met gedeeltelijk met okergele aarde besmeerde 
knevels. Hunne halzen waren met zaamgevlochtene touwen 
omwonden, aan welke bf enkele stukjes hout, bf witte vrucht- 
zaden , bf ook wel eene menigte dunne koorden van ongeveer 
een half voet lengte en van voren met kleine, afhangende stukjes 
hout voorzien, bevestigd waren. Wij zagen er onderscheidenen, 
die groote ringen van rotting in de ooren droegen: van een' 
hunner , die drie zulke ringen in één oor had , ruilde de Heer 
van Raalten er ë^nen voor zijnen halsdoek. Bij de meesten was 
de eene oorlel uitgescheurd , welke alsdan zeer onbevallig in 
twee lappen langs den schouder hing. Om den boven«>arm hadden 
sommigen gevlochtene banden van drie tot vier duim breedte, 
welke, naar het mij toescheen , nit rotting vervaardigd waren ; de 
meesten droegen voorts aan den beneden-arm een' uit dunne 
takjes gemaakten koker, welke nagenoeg van de hand tot aan 
den elleboog reikte. Volgens het gevoelen van den tolk dient 
deze gevlochte armkoker als schild tot het afweren van pijlen. 
Om het midden van het lijf droeg elk eenen«gordel van omtrent 
drie vingers breedte, naar het ons voorkwam, nit de bastvezels 
van eenen Hibiscus of eene andere Malvacea gevlochten. Van 
achteren , waar de gordel zaamgebonden was , hingen de vezels, 
gelijk franjes, ter lengte van meer dan één' voet, naar beneden. 
Onder dezen gordel verborgen zij op eene behendige wijze een 
gedeelte van het mannelijk geslachtslid , leggende zij hetzelve 
opwaarts tegen den buik, de voorhuid, welke bij de meesten 
zeer lang was uitgerekt, onder den gordel stoppende* ÜJien 



60 

bejaard man , de eenige van dien leeftijd onder den troep aan- 
wezig, had het schaamdêel met eene schelp bedekt, welke door 
middel van een dun toaw om de lenden was vast gemaakt; 
terwijl anderen, even boven den buikgordel, nagenoeg ter 
hoogte van den navel , eenen horen droegen. De twee vrouwen , 
die zich op een afstand van omtrent dertig schreden aan ons 
vertoonden, hadden een waarlijk afkeerwekkend aanzien. Ook 
zij waren geheel naakt, behalve dat een klein, driekant schortje, 
dat bf uit gevlochten biezen, bf uit boombast bestond, hare 
schamelbeid bedekte. Haar ligchaamsbouw was klein en schraal; 
zij hadden kort , kroes . baar en , bedrogen wij ons niet , dan 
waren ook bij haar, even als bij de mannen , borst en aangezigt 
met een donkerkleurig smeersel bedekt. 

De wapenen dezer Papoea's bestonden in lange werpspiesen 
en pijl en boog. Knodsen hebben wij bij heu niet opgemerkt. 
De lansen waren geheel van bamboes, bf van voren met eene 
scherpe punt van hard palmhout, ofwel van eenen nagel van 
den Casuaris voorzien. Sommige lansen en werpspiesen hadden 
tevens weerhaken, veelal met boomhars of eenig ander lijmachtig 
mengsel, waaronder ook bindwerk, aan den stok der lans vast^ 
gemaakt. De bogen bestonden uit een stuk gespleten bamboes, 
en de pees uit gespleten rotting. De uit rietstengels vervaar- 
digde pijlen hadden van voren eene lange, palmhouten, in 
het riet gestoken en met bastvezelen daaraan vastgebonden punt. 
Toen de inboorlingen den uitval op ons deden, merkten wij 
op , dat zij • om te schieten, den boog boven hun hoofd spannen, 
hem alsdan langzaam naar beneden laten zakken, vervol- 
gens mikken, en daarna den pijl afschieten ^''). Een der in- 
boorlingen, die in onze sloep geklommen was, bad in den 
gevlochten zak, die op zijnen rug hing, eene kleine bijl, of 
ten minste een werktuig, dat naar eene bijl geleek: een rond 
stuk hout van omtrent anderhalven voet lengte, aan de eene 
zijde voorzien met een zeer stomp stukje \jzer van één' duim 
in het vierkant, was het hoogst ellendig gereedschap, waaraan 
de man toch zooveel waarde hechtte , dat hij het zeer ongaarne 
uit de handen gaf, en in geen geval verruilen wilde. De zakken, 
die velen van hen op den rug droegen , waren eenigzins lang- 



61 

werpig en plat van vorm, en hadden ongeveer anderhalven 
voet wijdte. Aan de beide bovenste hoeken was een touw 
geknoopt, waaraan de zak hing, die roet het hoofd gedragen 
werd. Sommigen hadden daarin eenige groote krabben, anderen 
eene hoeveelheid mosselen. Die dieren maken waarschijnlijk 
een voornaaam deel hunner voeding uit ^«). 

Tot vier ure in den namiddag vernamen wij niets meer van 
de inboorlingen. Toen echter meenden wij, beoosten de kleine 
kreek, eenige beweging in het hooge geboomte 1^ bespeuren, 
en kort daarop ontdekten wij werkelijk verscheidene menschen 
dié in de toppen der boomen rondklauterden en nu eens hier, 
dan weder daar, tusschen de openingen van het loof en de 
takken kwamen uitkijken . Het was juist hoog water en , zoo 
ver men zien kon , stond het geheele bosch in den vloed. Door 
nieuwsgierigheid geprikkeld en tevens verlangende te weten, 
welken indruk de geweerschoten dien morgen op de inboor- 
lingen hadden te weeg gebragt, begaven zich de Heeren Macklot^ 
van Delden , van Oort en ik , tegen het vallen van den avond , 
met eene sloep derwaarts. Den wal naderende, merkten wij op 
dat het geboomte vol zat van inboorlingen. Zij maakten een 
vreeselijk misbaar, sprongen, wenkten, knikten en gaven ons 
door honderd andere bewegingen en gebaren te kennen , dat wij 
toch aan land zouden komen. Onze Ceramsche tolk hield niet 
op, hun op zijne beurt, zoo luid en zoo goed hij kon, toe te 
roepen , dat wij hen bij ons verwachtten , hun tevens witte lappen 
linnen , snoeren koralen en andere soortgelijke geschenken ver- 
toonende. Eenigen van hen klauterden af en verschenen met 
'groene takken in de hand, voor het bosch, waar zij gedeeltelijk 
tot . onder de armen , en enkelen zelfs tot aan den hals, in het 
water stonden. Het wenken en zwaaijen met de takken , en hun 
sterk, blaffend geroep: kaka^ kaka^ — djewa^ djewa^ — 
njieubd , njieuba enzv. , nam geen einde. Allen schreeuwden uit 
verschillende toonen even geweldig door elkander , en de bewe- 
gingen van den eenen waren al wilder en woester dan die van den 
anderen. Hunne bont geschilderde gezigten en verwilderde haren 
waren ons duidelijk zigtbaar. Daar intusschen de ondiepte van 
het water, digter bij den kant, ons belettede hun naderbij te 



62 

komen , moesten wij ons vergenoegen met, hen op eenen kleinen 
afstand gade te slaan. Toen wij, na omtrent een half uur toeyens, 
westwaarts langs het bosch , naar den mond der kreek roeiden, 
▼olgden ons de inboorlingen derwaarts, even als grpote apen, 
met hnn naakt , donkerkleurig ligchaam , vol behendigheid door 
de kruinen der boomen en over de uitstekende wortelen der 
mangle-stammen heen klauterende. De invallende nacht noopte 
ons eindelijk, tegen wil en dank, tot den terugtogt naar 
boord. 

Den volgende ochtend, bij het aanbreken van den dag, zagen 
wij meer dan vijftig menschen, die deels in groepen vereenigd» 
stil aan den oever stonden, deels daarlangs heen en 
weder liepen. De meesten schenen gewapend. Nu en dan hieven 
zij een Inid geschreeuw aan. Langzamerhand kwamen er ook 
eene menigte vronwen en kinderen te voorschijn, van welke 
sommigen groene takken in de handen hielden. Toen de eerste 
«tuurman der korvet, omstreeks het middaguur, met eene sloep 
digt onder den wal roeide, om van de zigtbare hoeken der 
straat eenige peilingen te nemen, toonden zich de inboorlingen 
zeer verheugd. Een aantal vrouwen , welke al dansende en schel 
zingende op hem toeliepen, schenen de bootsgezellen door 
allerlei teekenen van vriendschap tot eene landing uit te 
lokken, waaraan de stuurman natuurlijk geen gevolg gaf. Ghiame 
hadden wij ons eens in de nabijheid van dien wilden hoop 
begeven , doch daar de Kommandant voornemens was met den 
opkomenden vloed het anker te ligten en de straat verder in 
te zeilen, moesten wij van dit genoegen afzien. Na de anker- 
plaats verlaten te hebben , verloren wij de inboorlingen spoedig ' 
uit het oog en kregen ook in die streek geene anderen meer 
te zien. Alleen bespeurden wij later, hier en daar, nog eenige 
vervallen hutten, waarvan wij reeds vroeger gewaagden. Ook 
vonden wij eenmaal, en wel aan de zuidzijde der straat, op 
Prins Frederik Hendriks-eiland, eene half vermolmde kano van 
ongeveer 8 meters lengte, 0,7 breedte en 0,6 diepte , uit eenen 
boomstam gehouwen. 

Langer dan wij, vertoefde de Luitenant Langenberg Kool 
in déze straat. Hetgeen hij in zijn verslag nopens de door hem 



63 

geziene inlanders heeft opgeteekend , komt mij belangrijk genoeg 
voor, om er' hier een kort uittreksel van in te lasschen. Het 
bevat wenken, welke voor den toekomstigen bezoeker dier 
streken van nut kunnen zijn. 

Gedurende de drie dagen , welke de Heer Kool met de twee 
vaartuigen, nabij den zuidelijkeji hoek van den noorder ingang 
der straat, voor anker lag, werden geene inboorlingen door 
hem waargenomen-, maar wel zag men, hier en daar uit /het 
bosch, wolken van rook opgaan. Op den 1®'«» Mei zeilden de 
beiden schepen de straat in en ankerden, tegen den avond, een 
goed eind van de opening verwijderd, nabij eenen hoek , onder 
den noordelijken wal. Den volgenden ochtend brak het anker- 
tonw van de schooner Sireen, en de sterke stroom dien bodem, 
bij het lage water ^ èen weinig vastzettende, zoo verliep de dag 
met het vlot maken van dat vaartuig en het opvisschen van 
het anker. Terwijl men met dezen arbeid onledig was, ver- 
schenen eensklaps vier inboorlingen aan den. digt bijzijnden 
hoek, doch zoodra beproefde men niet hen met eene sloep te 
naderen , of zij namen ijlings de vlugt in het bosch. Kort daarna 
werden bij den overwal twee kano's gezien, in welke zich van 
25 tot 80 inboorlingen bevonden. De Luitenant Kool begaf 
zich met den Luitenant Banse, goed gewapend en van eenige 
geschenken voorzien, derwaarts; dan naarmate zij met de sloep 
naderden , deinsden de inboorlingen achteruit, gingen vervolgens 
aan land en stelden zich, den boog gespannen en den pijl 
gereed , in eene uitdagende houding. De Heer Kool deed eenige 
messen en met tabak gevulde kommen op den oever neerzetten, 
welke voorwerpen, zoodra men zich eenigzins van den kant 
' verwijderd had , dadelijk door de inboorlingen werden weggehaald. 
Zij hieven daarbij een geweldig geschreeuw aan. Men beproefde 
alstoen andermaal, hen te naderen, maar zij weken terstond 
weder terug, en welke moeite zich ook de Officieren gaven om 
met hen in nadere aanraking te komen , zij kontien daarin niet 
slagen. Wat de zaak nog moeijelijker maakte, was, dat hun 
Ceramsche tolk van de taal dezer wilde boschmenschen niet 
het minste konde verstaan. In den achtermiddag kwam eene 
kano met negen inboorlingen zeer nabij de Postillon. De Kom- 



64 

mandant liet hun doeken »eii andere geschenken zien, teneinde 
hen aan boord te lokken. Toen het echter bleek, dat zij door 
geen middel daartoe waren over te halen, zond hij eene sloep 
op hen af; doch zoodra zij dit bemerkten , roeiden zij met spoed 
naar den wal toe. Op den morgen van den 8**" Mei kwamen 
omtrent 25 kano's, elk met zes tot tien inboorlingen bemand, 
van gene zijde der straat, en rigtten haren koers naar de barkas 
en de sloep, die juist bezig waren het terug gevondene anker 
te ligten en aan welke onverwijld eene gewapende sloep tot 
beveiliging werd toegezonden, vermits men de doorgaans van 
pijl en boog voorziene inboorlingen, niet veel vertrouwde. Zij 
deden zich buitendien al zeer woest voor, door de bonte be- 
schildering van hun aangezigt en lijf met roode, gele, en ook 
wel zwarte kleuren , en door de lange oorlellen , welke bij som- 
migen tot op de schouders afhingen en met allerlei versierselen, 
als: schelpen, hout envz., en enkelen zelfs met tanden van 
dieren, doorstoken waren. Men deelde eenige geschenken onder 
hen uit, waarvoor zij kokosnoten terug gaven. Ofschoon zij 
geene vijandelijkheden pleegden, werd evenwel, voorzigtigheids- 
halve, van tijd tot tijd een los schot gedaan, ten einde hun 
eenigen schrik aan te jagen en daardoor, zoo mogelijk, van 
onbehoorlijke handelingen terug te houden. Zij gaven zich veel 
moeite om de bemanning der sloep aan wal te lokken, doch 
toonden zelven geen lust om de schepen te bezoeken. Toen het 
anker geligt was en door de sloepen naar boord werd gebragt, 
roeiden zij gczamentlijk naar den oever, alwaar zi^ zich ver- 
eenigden. De bevelhebbers der beide vaartuigen zich eens onder 
den hoop willende begeven, ten einde te zien of zij ook misschien 
eenige berigten nopens het land zouden kunnen inwinnen, 
roeiden met twee gewapende booten derwaarts. Zoodra zij den 
wal eenigziiis nabij waren gekomen, liepen hun een aantal in- 
boorlingen te gemoet, grepen de sloepen aan en poogden die 
verder naar den oever op te trekken , hetgeen men echter trachtte 
te beletten en door teekens te verbieden. Op datzelfde oogenblik 
veroorloofde zich een inboorling de sabel van den Luitenant 
Byise uit de scheede te halen, terwijl een ander de kolf van 
een geweer vasthield. Deze vrijpostigheden wekten hefc mistrouwen 



1 

\ 



65 

op der Officieren en deden hen bedacht zijn , om in tijds maatre- 
gelen van tegenweer te nemen. Men greep de vuarwapenen en 
legde die op de inboorlingen aan, hetwelk ten gevolge had, dat 
dezen de sloep en alle voorwerpen onmiddellijk los lieten en 
zich onder een ontzettend getier, met overijling verwijderden. 
De Officiereu keerden insgelijks naar hunne vaartuigen terug. 
Na des middags onder zeil te zijn gegaan , staken al de kano^s 
weder naar de andere zijde over , en volgden alstoen de schepen 
langs den wal. Weldra voegden zich nog anderen bij haar, 
zoodat deze inboorlingen allengskens wel een getal van 500 
zullen bedragen hebben. Zij maakten allerlei gebaren, terwijl 
zich nu en dan eene kano van de overigen afzonderde en de 
schepen digter nabij kwam, als om te spion neren. Uit dien 
hoofde, en om de groote menigte inboorlingen, die zich thans 
vereenigd hadden, gebood de voorzigtigheid , eenige stukken 
geschut met schroot te laden, ten einde bi} eenen mogelijken 
aanval gedurende den nacht, denzelven krachtdadig te kannen 
afslaan. Zij waagden zulks echter niet, en zelfs waren, den 
volgenden morgen , alle inboorlingen verdwenen. De beide schepen 
kregen daarna geene meer te zien , en bespeurden ook , gedurende 
de geheele overige vaart, tot aan de zaidelijke opening der 
siraat, geene. rookwolken meer boven het bosch. Alleen zag 
men hier en daar nog eenige vervallen hutten ^ even ellendig 
als de menschen, wien zij tot woning hadden gediend. Vrouwen 
of kinderen waren door de Officieren niet gezien geworden* 

Het navolgende betreft de inboorlingen, door ons met de 
Triton, in de omstreken der rivier Oetanata ontmoet, en met 
welke wij , meer ' dan eene week lang , eene volkomen vriend- 
schappelijke verkeering hebben gehad. Dit volk scheen ons, 
bij eene oppervlakkige vergelijkiilg, toe, in grootte en sterkte 
van ligchaam, een weinig beneden het wilde menschenras der 
Prinses Marianne-straat te staan. Men vergete echter niet, dat 
wij, deze laatsten alleen in gering getal en op een igen afstand 
gezien hebbende, in ons gevoelen dienaangaande ligtelijk door 
den schijn kunnen zijn bedrogen. 

De bewoners van het dorp Oeta en hunne stamgenooten van 
andere nabij liggende gehuchten, zijn over het algemeen van 



66 

eene tniddelmatige gestalte. Een der grootste mannen , doot ons 
aldaar gezien, D<ras 1,75 meter lang; van deze lengte of daar- 
omstreeks waren er echter niet veel. De meesten schenen het 
midden te houden tusschen de 16 én 17 palmen; doch er 
waren ook aanmerkelijk kleinere, diè niet veel langer dan 13 
of 14 palmen (décimètres) waren. De vrouwen waren van eene 
geëvenredigdê middelbare grootte of daar beneden. Deze menschen 
4ijn van eenen regelmatigen en krachtigen ligchaamsbonw. Wij 
bespeurden slechts weinige raisvortni^igen onder hen, bestaande 
in krom gegroeide voeten , ktomming van de tuggegraat en 
breuken» Dikke, vleezige ligchamen zijft ons evenmin als zeer 
magere, voorgekomen. Deze laatste vindt men alleen onder de 
oudere lieden, die in de wartoe luchtsttekeh over het alge- 
meen zeer ontvleeschd zijn. Porsch gespierde mannen markten 
wij alleen onder die van middelbaren leeftijd op; de jongelingen 
hadden meestal, even als de meer bejaarden , dunne ledematen en 
dikke gewrichten. De kinderen vooral, trokken door hunne 
bijzonder schrale armen en beenen en döot hunne dikke buiken, 
de oplettendheid tot zich. De stem der mannen iis meestal 
krachtig en forsch, hetwelk ongetwijfeld door hunne gewoonte 
om elkaar steeds hard toe te spreken, wordt te weeg gebragt. 
Die der vrouwen ïs over het algemeen scherp en onaangenaam 
krijschend. Het feoof<ï dezer Papoea's 2») heeft eenen eenigzins 
smallen , -aan de zijden zamengedrukteA vorm. Het aangezigt 
is Veelal langwerpig rond> de jukbeenderen staan slechts matig 
vooruit; de neus is van gewone grootte, maar vrij breed en 
plat, hetgeen gedeeltelijk ontstaat uit de gewoonte, om van 
jongs af aan Versierselen in deszdfs vleugels te dragen, 
waardoor deze min of meer worden uitgezet. Even fcoö verkrijgen 
ook sommige neuzen eenen langeren en meer gebogen vorm, 
door de zwaarte der voorwerpen , die ér gedarig van ondegen 
worden aangehangen. De neusgaten zijn ruim en openen zich, 
naarmate het onderdeel van den neus min of meer buiten ^jne 
natuurlijke ontwikkeling is geraakt, eenigzins zijwaarts. Hun 
mond is wijd en niet zelden met wel gevorhide tanden bezet, 
die echter meestentijds, Wat de voorsten betreft, in beide kaken 
spits, driehoekig zijn afgeslepen. Dé lippen zijn gemeenlijk vrij 



07 

dik. Aller oegen ziyii donker, van matige grootte, open en 
helder: de nieesten hebb^i eenö bruine, klechts wemigen eene 
jswartachtige iris. Hnn voorhoofd is tamelijk hoog, heeft veelal 
eene zachte ronding en geene bijzonder merkbare voorhoofds- 
knobbels (Tubera frontalia); daarentegen puilen de wenkbraauw* 
bogen niet zelden vrij* sterk uit. •*— De gelaatstrekken zelve 
zijn onderling zeer verschillend. De doorboorde neusvleugels 
en het dikwerf van ondearen als een haak opengespleten mid- 
delschot van den nefiis, maken het aangezigt dezer menschen 
wanstaltig en leelijk^ hetwelk nog vermeeiderd wordt door de 
vaak ongelijk gegroeide, zwarte, kroeze baard en knevelbaren 
en somwijlen ook nog door allerlei donkere vlekken eo lik- 
teekens, welk een en ander zoo vele verschillende wijzigingen 
in de gelaatstrekken te weeg brengt, dat deze moeijelljk te 
karakteriseren vallen. Hunne physionomiën drukten over het 
algemeen eene valsche , listige en wraakzuchtige geaardheid uit, 
hoezeer er zich ook enkdien onder hen bevonden , op wier open 
ai meer verstandig gelaat, de teékens hunner goedaardige 
inborst te lezen waren. De vrouwen, die wij bij de rivier 
Oetanata ontmoet hebben, waren meestal zeer leelijk ; weinigen 
slechts kwamen ons eenigzins dragelijk voor, en dezen waren 
nog jonge meisjes. De meesten hadden insgelijks de neusvleugels 
doorboord en droegen, even als de mannen, houten pennetjes 
of vederen in dezelve. Hare hoofden schenen ons toe aan de 
zijden minder zamengedrukt te zijn, dan die der mannen , maar 
meer rondheid te hebben ; terwijl de neus veelal tamelijk breed 
en plat, de mond aanmerkelijk groot, en de lippen meerendeels 
vrij dik waren. De boirsten dier vrouwen, welke verscheidene 
kinderen gehad hadden, waren min of meer hangende, hetwelk 
inzonderheid bij de oudere vrouwen het geval was; bij de jonge 
meisjes daareii tegen waren zij gemeenlijk vast en rond vooruit- 
staande. De buitengewoon uitstekende, dikke, vleezige achter- 
deelen der vrouwen van middelbaren en jongeren leeftijd , moesten 
noodwendig de algemeene opmerkzaamheid tot zich trekken. 

Dikwerf zagen wij vrouwen in kano's op zee varen, en uu 
en dan kwamen er ook eenigen bij de schepen. Die van eenigzins 
gevorderde jaren, toonden zich gemeenlijk niet zeer verlegen; 



6S 

de jonge meisjes daarentegen waren doorgaans zeer schroomvallig. 
De eersten legden tevens veel handelsgeest aan den dag, en 
bleven in dat opzigt bij de mannen niet ten achteren. Hare 
manieren verrieden alsdan eenen hebzachtigen en onstuimigen 
aard. Met een ijselijk schel geschreeuw boden zij hare vruchten 
ofwel groote stukken sago te koop aan, welke artikelen door 
diegenen, welke er het gunstigst uitzagen, natuurlijk ook het 
duurst verkocht werden. Op asekeren ochtend, dat ik mij aan 
boord van de schoener Iris bevond, ontmoette ik daar twee 
vrouwen , aan eene van welke het ochtendkleed eener Europesche 
vrouw werd aangedaan. Het was een nog jong meisje, dat 
aUtoen geen slecht figuur maakte, daar zij van een teeder 
maaksel en een zacht, goedaardig voorkomen was. Toen het 
aldus opgesmukte meisje met hare gezellin en eenige Papoeasche 
mannoi kort daarna weder vertrok, roeide zij even als de 
overigen met eene vaardigheid, die bewees, dat het ongewone 
hulsel haar geenszins belemmerde. Ook aan boord van de Triton 
werden onderscheidene malen inlandsche vrouwen met katoenen 
kabaaijen opgesierd, waardoor zij een geheel ander aanzien 
verkregen , en de zwarte , naakte beenen en het donkerkleurige 
gezigt alsdan tegen het heldere en ziudelijke lijfgewaad niet 
weinig afstaken. Yan eenigen groeide het zwarte, wollige haar, 
verwilderd om het hoofd; anderen hadden het met blijkbare 
zorg in vlechten geknoopt. Yan deze laatste manier maken ook 
de mannen aldaar veel werk, en zij schijnt ons toe, aan de 
zuid-westelijke Papoea^s in het bijzonder eigen te zijn. Zij 
vlechten hun niet lang, fijn, kroes haar veelal in 6 tot 9 afzon- 
derlijke reeksen, die, van.de kruin, langs de zijden en over 
het achterhoofd afloopende, digt tegen het hoofd aanliggen. 
Wanneer het regelmatig en behoorlijk is opgebonden, is deze 
wijze van het haar te dragen niet onbevallig, gelijkende hetzelve 
eenigzins naar een gevlochten kapje. Zij bezigen daarbij de eene 
of andere vetachtige zelfstandigheid , ten einde het de^gewenschte 
gladheid te geven. Sommige mannen echter droegen het haar 
in zijnen natuurlijken groei , alswanneer het kort gekroesd tegen 
het hoofd aansluit; ofwel, als eene verwilderde pruik, los uit 
elkander gehaald, waartoe zij van eene soort van ruwen kam, 



■ ■ii u w uL ■ ■i. ^»g»i»^B^—» *— l^^B^^^W^P^^W^w^^wj^^—WIl^—^— 11— — — ^^ —i ^ BMB— ^iM| 



69 

bestaande uit een smal stukje bamboes met 4 of 5 lange tanden , 
gebruik maken. Het haar, dat van nature zwart is, verkrijgt» 
daar deze menschen bijna altoos blootshoofds loopen» door de 
werking van licht en zon , van lieverlede min of meer rosach* 
tige punten. Volwassene personen schijnen zelden of nooit het- 
zelve op eene kunstmatige wijze lichtkleurig te maken, gelijk 
wij aldaar kinderen opmerkten, wier roodachtig haar blijkbaar 
met de eene of andere fijne stof aldus gever wd was. 

De httidkleur van deze menschen is zwart-bruin ; bij eenigen 
iets lichter met eenen tint van geelachtig bruin of graauw, 
bij andéren donkerder met eenen blaauwachtigen gloed, ^ij gaan 
naakt, maar behangen hun ligchaam met velerlei versierselen, 
hetgeen hun dikwerf een zeer wild en woest aanzien geeft. Be 
gewoonte van het aangezigt en de borst met roode, zwart-- of 
geelachtige kleiaarde te besmeren , door ons bij de bewoners der 
straat Prinses Marianne algemeen waargenomen, is hier veel 
minder in zwang; althans in tijden van rust en vrede. Slechts 
eenige weinige mannen der horde, in den omtrek der rivier 
Oetanata, hadden alleen het gelaat zwart, doch geenszins rood 
of lichtkleurig beschilderd. Daarentegen kwamen er ons enkelen 
voor, die de borst en de armen met kalk besmeerd hadden. 
Velen hadden allerlei likteekens op bet lijf ,- inzonderheid op 
den bovenarm, de schouders en de borst. De smaak ^ om het 
ligchaam kunstmatig met verhoogde striemen te voorzien, is, 
gelijk men weet, bij het zwarte menschenras der Zuidzeelanden 
vrij algemeen in zwang. Men heeft denzelven insgelijks in 
eenen minder of meerderen graad bij de inboorlingen van Mada* 
gaskar en bij sommige negerstammen in de binnenlanden van 
Afrika opgemerkt. Bij de voormelde i^apoea^s bestonden deze 
likteekens uit donker kleurige, regtlijnige of hoekige figuren. 
Naar men ons zeide , waren zij met eene glimmende houtskool 
in het vel gebrand, na het vel met een^ scherpen steen of eeu 
stuk schelp gekorven en opengescheurd te hebben. — Sommige 
mannen hadden schier het geheele lijf met gitzwart, kort en 
kroes haar, ruig begroeid, hetwelk, hoe dierlijk ook» echter 
minder afkeer inboezemde, dan de afzigtelijke huidziekten, 
waarmede velen besmet waren. Eenigen hadden het ligchaam 



70 

vol van kwaadaardige zweren; bij anderen was de huid geheel 
gespikkeld en geschilferd. Deze soort van huidziekte wordt 
misschien te weeg gebragt of vermeerderd door bet menigvuldig 
baden in zeewater. Bij de gloeijende zonnehitte, die het naakte 
ligchaam schielijk opdroogt, worden de zoutdeeltjes op hetzelve 
gekristalliseerd, de poren door dezelve gedeeltelijk verstopt en 
de huid ruw gemaakt; ter verzachting waarvan zij alsdan allerlei 
vetachtige, dikwerf zeer garstige zelfstandigheden aanwenden. 
Deze omstandigheid, gepaard met hunne onreinheid — want 
zij zijn niets minder dan zindelijk — het gestadig zitten in 
den rook, hunne morsige spijsbereiding, de hoedanigheid hunner 
spijzen zelve , voor een groot gedeelte uit visch en andere niet 
altijd even versche waterdieren bestaande: dit een en ander 
mag wel grootelijks oorzaak zijn Van de hoogst onaangename 
lucht, welke wij steeds bij alle Papoea's, in meer of mindere 
mate bespeurd hebben. 

Het verdient opmerking, dat de Papoeasche vrouwen in die 
streek zich doorgaans veel minder met bonte ved^en en dier- 
gelijke sieraden optooijen, dan de mannen. Yan de wijze, 
waarop zij het hoofdhaar dragen , is reeds vroeger gesproken. Niet 
allen echter hebben hetzelve behoorlijk gehavend , en het aller- 
minst die van ouderen leeftijd, bij welke het soms zeer ver- 
wilderd om het hoofd groeit, en geheel met zand, droogen 
modder en andere vuiligheden doormengd is. Bij onze eerste 
komst aan den wal , zagen wij eenige vrouwen , die Tan het 
Jioofd tot de voeten met allerhande, zoo donkere als lichte tinten 
beschilderd waren , en zich daardoor niets minder dan bekoorlijk 
hadden gemaakt. Zij hadden kleine houten pennetjes in den 
neus steken, en droegen dikwerf verschillende, uit aaneengeregen 
vruchtzaden vervaardigde snoeren om den hals, gevlochten 
rottingbanden om het lijf, en uit horens of van vlechtwerk ver- 
vaardigde ringen om armen en beenen. Tot bedekking harer 
schaamte bezigden zij, ht eenen wijdmondigen horen (veelal 
Yoluta diadema), bf eenen breeden reep zacht bereiden boombast, 
ook wel een vierkant lapje mat, gevlochten uit de bastvezels 
eener Malvacea (Hibiscus) , misschien soms ook uit die van de 
eene of andere XJrticea, terwijl zij zich tot dat einde ook wel 



71 

eens alleen yan een klein stukje plat gespleten l^inboes bedien- 
den. Deze voorwerpen binden zij met een dun touw om de lenden 
vast. Somwijlen hangen jiij nog een schortje v^u casuarisvederew 
of paardenhaar daar overheen; welk , laatste zy van de Geiramsohe 
handelaren ontvangen en zeer hoog achten. 

Veel meer verscheidenheid heerscht er in den dos der mannen. 
Deze hebben verschillende soorten van mutsen, velerlei arm- 
banden en bulkgordela, halssnoeren en allerlei hooge, bonte 
pluimen als hoofdtoaisel. De iqutsen bestaan uit kleine, pl^at- 
ronde of puntige kapjes, of zij bepalep zich alleen tot eeu tai^ieUjk 
hoog vQor«tuk , bij wijze v?in helm. Sommige zijn van gespleten 
rotting of van d|in koord, uit de bovengenoemde plantvezelen 
gevlochten; andere, vit d^ stukken eener dierhuid , voornan^elyk 
van den kengoeroe of casuaris vervaardigd , ^n vaak met kakke^ 
toe-vederen, met de fijue ha^lmeQ van een geel-rood g^ras ^uzv. 
opgesierd. £ene even groote verscheidenheid bestaat ook in den 
overigen opschik. Sommige inboorlingen dragen zw^re snoeren 
van 50 .en meer snijtanden van wilde en tamme varkens, of 
van de twee benedenste voortanden van onderscheidene vruchteu-r 
en grasetende buideldieren (Phalangista , Dorcopois), tot eei^ 
getal van 120 stuks en daarboven, om den hals; anderen hebben 
halsbanden yan aaneengeregen witte, bruine en'roode vruchtr 
zaden (Coitl lachrjma , Calamus , Adenanthera rosea , Zip. ,) enzy., 
van geel riet en ^tulg'es rotting aomwijleii afgewisseld, of door 
kleine krokodiltanden enzv.; terwijl eindelijk eenigen zelfs 
menscfaenkiezeii en menschennagels voor zulk eene versiering 
aanwenden, Hunue armbanden zijn van verschillende breedte, 
en meerendeels uit gespleten rotting, zeldzaam uit bamboes of 
dunne vijgen- en lianenranken gevlochten. Nu eens zijn deze 
ruwe armbanden verfraaid met bossen lichtkleurig gras, ter 
lengte van 2 tot 3 palmen, dan weder met de zwarte, haar- 
achtige vederen yan den casuaris; of zij zijn yan buiten met 
een lapje Jeatoeij overtrokken en pet het mpndgedeelte van 
kleine^ vitte horens (Buccinupi Thersites), bezet. De Oeta- 
bewoqers dragen tevens arpiringen , uit de twee gioote , onderste 
slagtanden van wilde varkens, of uit den mondr^nd ^n de 
windingen van groote horens (Trochus, Turbo) geslepen; of 



72 

eindelgk ook versieren zij hunne armen met kortgeknipte casoa- 
risvederen. Zij steken voorts, niet alleen enkel in de neusvleugels^ 
of dwars door den neus, dunne houten pennen en witte of 
roode papegaaivederen, maar hangen ook dikwerf van onderen 
aan het middelschot, verschillend gevormde, platte stukken van 
schelpen en andere voorwerpen. In de rigting dier pennen 
heerscht veel verscheidenheid , en daar zij telkens door dikkere 
worden vervangen , verkrijgt de neus , door de toenemende ver- 
grooting der gaatjes, van lieverlede een monsterachtig aanzien. ' 
Aan de baardharen onder de kin , binden zij soms lange snoeren 
vruchtpitten, die met kleine bundels kengoero&^haren of papegaai- 
vederen, bij wijze van kwastjes, eindigen. Soortgelijke zaad- ^ 
snoeren hangen zij ook gaarne in de oorlelleta, alhoewel hun 
smaak daaromtrent, zoo in vorm als zamenstel^ zeer verschillend 
is. De pluimen, die zij op het bloote hoofd dragen, bestaan 
of uit groote slag- en staartpennen van witte kakketoes (Psittacus 
galeritus), bf uit de lange zij vederen van paradijsvogels (faradisea 
papuensis) , bf ook uit de karmozijnroode lijf- en groene vleu- 
gelvederen' van den fraaijen , pijlstaartigen parkiet met blaauwen 
rug (Psittacus dorsalis). De korte veertjes, inzonderheid de rood- 
kleurige van deze beide laatste vogelsoorten , worden gemeenlijk 
aan dunne rottingstokjes van 2 tot 8 palmen lengte, door 
middel van fijne bastvezelen vastgebonden. De versierselen , welke 
om het midden van het lijf worden gedragen , bestaan uit ver- 
schillende sjerpen en gordels, deels vervaardigd uit de lange, 
zwarte, haarachtige vederen van den casuaris, deels uit witte 
of groene papegaaivederen, ofwel zij zijn van een steviger en 
duurzamer zamenstel, bestaande uit een' vast gevlochten band 
van 1 tot 5 en meer vingers breedte. Deze banden zijn meest 
uit dun bastvezeltouw van Paritium tiliaceum vervaardigd, en 
vervolgens met stofkalk ingewreven , waardoor zij eene witach- 
tige kleur erlangen. Zij zijn gewoonlijk uitwendig digt bezet 
met de voorste helft of het mondgedeelte van kleine, witte 
horens (Buccinum Thersites), of met de langwerpige , witachtig 
blaauwe zaden van Coix lachryma, terwijl daarenboven dikwerf 
nog een aantal snoeren van laatstgemelde pitten, ter lengte 
van ] tot IJ palm, als kwastjes van dezelve neerhangen. De 



73 

banden hebben gewoonlijk aan den eenen kant eene lis, en 
worden van achteren zamengebonden , waar alsdan de overschie- 
tende koordeinden als lange franjes heen en wéér slingeren. 
Somtijds zijn de banden geheel gesloten, vooral wanneer zij 
slechts een paar vingers breedte hebben, en enkel uit fijn ge- 
spleten rotting vervaardigd zijn. Het bedekken der geslachts- 
deelen schijnt bij deze menschen meer eene voorzorg tegen 
insekten en diergelijke gevaren te zijn , dan wel een gevoel van 
schaamte, naardien niet alleen eene menigte mannen die deelen 
geheel ontbloot laten, maar demeesten,gelijk wij ondervonden, 
de tot dekking gebezigde voorwerpen, bij de minste aanleiding 
om die te kunnen verhanselen , zonder aarzelen afnamen en ze 
ter ruiling aanboden. De meesten verdienden ook ternaauwer- 
nóod den naam , dien wij hen geven. Zij bestonden vaak enkel 
uit kleine kokertjes van bamboes, of van het bovenste hals- 
vormig gedeelte der kalabasvrucht , welke, ter lengte van 
0,12 tot 0,15 meter, alleen het teellid, somtijds slechts het 
voorste gedeelte, en dikwerf niet anders dan de min of meer 
uitgerekte voorhuid konden omvatten. De kokertjes van bamboes 
waren gemeenlijk aan den buitenkant met allerlei gesnedene 
en ingegriffelde figuren versierd. Sommige mannen bedekten 
hunne geslachtsdeelen met eene strook lenig geslagen boombast , 
die om de lenden gebonden en tusschen de beenen doorgehaald , 
van achteren was vastgeknoopt ; ofwel met kleine schortjes , nu 
eens uit een stuk behaarde kengoeroe- of gevederde casuarishuid , 
dan weder uit soortgelijke lapjes mat of uit breedmondige 
horens, gelijk de vrouwen droegen, te zamengesteld. — Niet 
zelden zagen wij voorts, bij de rivier Oetanata, inlanders, die 
een klein, plat zakje, uit Hibiscus-touw gevlochten, voor de 
borst hadden hangen, hetwelk zij met eenen band van gelijk 
maaksel om den hals droegen. De zakjes waren nagenoeg vier- 
hoekig en hadden 1 f tot 2 palmen middellijn. Meerendeels 
vertoonden zij van buiten 5 tot 6 breede, dwarsloopende strepen, 
die vrij regelmatig en netjes, met fijne,, geelkleurige rotting- 
draden doorwerkt waren. De zakjes schenen bestemd te zijn ter 
bewaring van allerlei eetwaren, voornamelijk van vruchten, 
die zich langs den weg opdoen. Wij zagen er soms krabben. 



74 

kreeften of mosselen^ half rijpe bananen, of ook wel eene kleiue 
partij tabak in; dit laatste was van de Cerammers, die na en 
dan deze streek bezoeken, afkomstig. Behalve deze kleine 
zakken merkten wij nog eene grootere soort op, die, van een 
veel grover zamenatel zijnde, meer tot reis- en veldmanden 
schenen te dienen. Deze waren gewoonlijk uit dun gespleten 
rotting gevlochten en hadden veelal eene lengte van 5 tot 6, 
bij eene breedte van 2^- tot 3 palmen. Zij werden doormiddel 
van twee koorden over de beide schouders , of met een strookje 
boombast over het voorhoofd gedi;agen. Wg zagen deze echter 
meer b\j vrouwen dan bij mannen ; ongetwijfeld een gevolg der 
slavernij , waaraan bij deze onbeschaafde volken de vrouwen 
onderworpen zijn, welke, zoo binneai als buiten 's huis, den 
meesten arbeid moeiten verrigten. Wij hebben op onze jagt^ 
togten langs het strand, meermalen vrouwen ontmoet, die onder 
zwaar gevulde zakken gebukt gingen, terwijl eenige mannen 
naast of voor haar uitliepen , wier geheele last in een' boog en 
een' bos pijlen, benevens eenige houten spiesen of eene knods 
bestond. In de kano's tusschen de mannen in staande, zagen 
wij haar vaak, even als deze, met lange pagaaijen roeijen, en 
wel met eene vaardigheid, die duidelijk bewees , dat zij daaraan 
gewoon waren. Kort na ons ankeren bij de rivier Oetanata, 
verzamelden zich langzamerhand al meer inboorlingen, zoodat 
hun getal, tegen het einde van ons verblijf, wel 160, zooniet 
meer, zal bedragen hebben. Velen begonnen, terstond na hunne 
aankomst, hutten te bouwen, welke meeren deels tegen de reeds 
bestaande lange woning aan geplaatst werden. Dit werk werd 
hoofdzakelijk door de vrouwen en meisjes verrigt, terwijl de 
mannen, bijna den ganschen dag, traag en lui, in groepen aan 
den oever zaten of lagen, en hoogstens nu en dan langs den 
zee- en ri vierkant, schelpen, krabben , visschen en andere eet- 
waren zochten, of door nieuwsgierigheid uitgelokt, met hunne 
lange kano's zich naar onze schepen begaven. Hun grootste 
genoegen scheen in den handel te bestaan, waaraan zij door 
allerlei nietige eti onbeduidende voorwerpen, zoowel eetwaren 
ahs wapenen en versierselen , voldoening trachtten te geven. De 
menigte knodsen en spiesen, en vooral bogen en pijlen , die zij 



75 

aan boord bragten, en tegen allerhande, even weinig beteeke- 
nende dingen, verruilden, was in der daad verbazend. Op lijn- 
waden en meer nog op hakmessen, pijlen en andere ijzeren snij- 
-werktuigen waren zij bljzouder gesteld; ook ledige flesschen en 
kruiken hadden zij gaarne; doch in spiegeltjes, koralen, koperen 
ringen , en over het geheel in die zaken , welke meer tot genoegen 
dan tot nut verstrekken, stelden zij minder belang. Gedu- 
rende de eerste dagen van ons oponthoud, bevonden zich van 
^8 morgens vroeg tot met bet vallen vanden avond, onafgebroken 
een aantal kano's in de nabijheid der korvet, met menschen, 
die al wat zij bezaten, onder een oorverdoovend geschreeuw, 
ter ruiling aanboden. Zij verdrongen en stieten elkander uit 
de praauwen in zee, waar zij echter, goede zwemmers zijnde, 
even spoedig wéér uitkwamen, en snaterden daarbij soms zoo 
hard en driftig onder elkander, alsof zij in hevigen twist en gekijf 
waren. Bij deze gdegenheid toonden zij veel levendigheid van 
geest; oplettendheid op elkanders handelingen, en ook op 
hetgeen hun door de schepelingen werd aangeboden; grooten 
ijver om de zaken hunner gading spoedig magtig te worden, 
opdat zij niet in handen van mededingers mogten vallen, en 
dit alles met eene vlugheid van bewegingen en levendigheid 
van gebaren, welke hun eene oorspronkelijkheid gaven en van 
eene zelfstandigheid getuigden, zeer uiteenloopende met hetgeen 
men anders bij den nog zoo geheel onbeschaafden menscb, in 
den heeten aardgordel, gewoon is aan te treffen. Hoe geheel 
anders vertoonden zich deze hartstogtelijke manieren, dan het 
ingetogen en bedaarde karakter der indische eilanders ; en welk 
hemelsbreed onderscheid bieden zij niet aan, met de koud- 
bloedige stompheid der Zuid-Amerikaansche wilden! — Door 
het gestadige verkeer werden die ongebondene natuurkinderen 
weiras zoo gewoon aan ons, dat zij reeds na weinig dagen 
geene verwondering meer deden blijken, wanneer wij bij hen 
aan land kwamen; en bij ons aan boord liepen zij met zulk 
eene gerustheid onder het scheepsvolk rond, als waren zij jaren 
lang met hetzelve bekend geweest. Gheen hunner droeg op het 
laatst meer wapenen, en het denkbeeld, dat wij ons bij hen 
zouden nederzetten, scheen hun allen streelend en aangenaam 



76 

te zijn. En waarlijk, deze goede verstandhouding en de ver- 
draagzame gezindheid, die wij ^ bij deze menschen aantroffen, 
deden het ook ons spijten , dat de gesteldheid der kust aldaar, 
het aanleggen van een etablissement volstrekt ondoenlijk maakte. 
Het grootste bezwaar daartegen bestond in het lage, en daardoor 
aan overstrooming blootliggende terrein , alsmede in de ondiepe 
zandbank, die als een drempel voor den mond der rivier lag 
en op welke, bij eenen eenigzins harden wind, «ene ontzettende 
branding liep, terwijl het geheel regtloopendende strand volstrekt « 
geen schuilhoek, tegen welken wind ook, den schepeling als 
ankerplaats aanbood. 

Of de bewoners van het dorp Oeta , of hunne zich elders in 
den omtrek ophoudende stamgenooten, al dan niet tuinen en 
velden bezitten en geregeld bebouwen , is ons onbekend gebleven. 
Noch rijst, noch turksch koren, twee der voornaamste voe- 
dingsartikelen van de Indische eilanders, hebben wij bij heu 
bespeurd. De voortbrengselen uit het plantenrijk, welke wij in 
hunne woningen en kano^s zagen, bepaalden zich tot kokoksnoten, 
bananen, papaja^s (Carica papaya), pompoenen, jamswortelen 
(Dioscorea alata), Tacca pinnatifida, suikerriet , Spaansche peper 
en eene soort van wilde limoenen. Hun voornaamste voedsel 
scheen te bestaan in het meelachtige merg van eenen sagopalm, 
waarvan groote stukken, van 5 tot 6 palmen lengte, bij 1| 
tot 2 palmen dikte, op het vuur gebraden worden; voorts in 
visschen, krabben (hoofdzakelijk Portunus serratüs Forsk.), 
oesters en and^e schelpdieren. Varkens bezitten zij in veel te 
gering getal, dan dat zij derzelver vleesch dikwerf zouden 
kunnen nuttigen. Zij zijn ook dermate aan deze dieren gehecht, 
dat zij dezelve bij zich in de hutten nemen en hen uit hunne 
handen voeden. Het gelukte ons niet, dit armzalige en bijkans 
als amphibiën levende strandvolk te bewegen om ons een groot 
varken te verkoopen; de Heer Bastiaanse echter ruilde eens, 
met veel moeite , voor onderscheidene stukken linnen , zulk een 
klein voorwerp van hen in; dan, toen hij hetzelve naar de 
sloep deed brengen , om het mede te nemen , begonnen de 
menschen , aan welke het behoord had , luid te weenen en door 
eene treffende droefheid, hun berouw, wegens den gedreven 



77 

handel, aan den dag te leggen. — Dat intusschen een zoo 
weinig beschaafd volk, als de Papoea's der zuid- westelijke 
stranden van Nienw-Guinea, zeer vele wilde voortbrengselen , 
zoowel uit het dieren> als uit het plantenrijk, tot voedsel zal 
gebruiken, valt niet te betwijfelen. Wilde varkens , kengoeroe's 
en andere buildel dieren (Phalangistae , Petauri); vruchtenetende 
vledermuizen (Pteropi) ; welligt 'alle soorten van vogelen , die 
onder hun bereik vallen ; schildpadden benevens derzelver eijeren; 
waarschijnlijk ook groote Jiagedisachtige dieren (Monitores), 
en^ zeer zeker eene menigte wilde vruchten en wortelen , zullen 
ongetwijfeld daartoe behooren. Het opsporen van voedsel maakt 
dan ook hunne grootste en bijna uitsluitende bezigheid uit. 
Ruilhandel met de Cerammers schijnen zij alleen te drijven in 
massoyschors , welke zij echter gewoonlijk eerst tegen de komst 
dier handelaren in de bergen gaan opzoeken. Wij hebben bij 
hen noch notenmuskaat, noch karetbladen, noch gedroogde 
paradijsvogels aangetroffen; zelfs bezaten zij geenen enkelen 
papegaai of anderen levendigen vogel. Zij waren in den volsten 
zin des woords, een hoogst armoedig volk. Al hetgeen zij ons 
ter ruiling konden aanbieden , zonder aan hunne eigene be- 
hoeften, zoo voor het oogenblik als in de toekomst, te kort 
te doen, bepaalde zich tot hunne versierselen benevens een 
gedeelte hunner wapenen, en tot eene geringe hoeveelheid van 
de bovengemelde vruchten, welke laatste zij meerendeels half 
rijp van elders aanbragten. De zware stukken sago , die zij ons 
aanboden, wisten wij niet te gebruiken, en de weinige krabben 
en visschen, door hen soms aan boord gebragt, waren vaak 
bedorven of door eene reeds ondergane bereiding in kolen vuur 
en heete asch, voor ons onsmakelijk geworden. 

Tot de bereiding hunner spijzen hadden zij alleenlijk vuur 
noodig. Wij zagen bij hen noch potten, noch pannen, noch 
iets, dat naar een keukengereedschap geleek. In hunne hutten 
zoowel als ook dikwerf in hunne kano's, hadden zij enkel 
eenige steenen bij elkander liggen of een' houten bak met zand 
gevuld, waarop een vuurtje brandde of eenige gloeijende kolen 
lagen. Deze eenvoudige haarden maakten hun voornaamste of 
liever geheel huisraad uit. De gevangen visschen , krabben enzv. 



78 

werden, soms nog spartelende, op het vuur geworpen, of met 
eene scherpe pen door het lijf, als aan een braadspit, op het- 
zelve een weinig geroosterd en vervolgens met handen en tanden 
van elkander getrokken en verorberd. Hunne kookkunst vorderde 
noch reiniging, noch toebereiding: want zel£i het onschatbare 
zout was bij hen niet te vinden. Beze bekrompene en schier 
dierlijke voedingswijze kenschetst genoegzaam het ruwe bestaan 
dezer menschen. Hunne hutten bevatteden niets, hetgene tot 
gemak of veraangenaming des levens zoude kunnen dienen; 
alleen hebben wij, in plaats van de gebruikelijke mat, bij 
weinigen eenige aan elkander geregen boombladen opgemerkt, 
om hun tot hoofdkussen te dienen. Oud en jong, mannen, 
vrouwen en kinderen, allen lagen of zaten door elkander op 
den grond, en strekten hunne naakte leden op den muilen 
zandbodem uit. Elk deed hetgeen hem behaagde. Hier lagen er 
eenigen te slapen; ginds stookten anderen hunne vuurtjes en 
braadden er hunne spijzen op gaar; elders zat er een de zijne 
te verslinden of tabak te rooken: zonder dat de een zich om 
den anderen bekommerde. De menigte vuurtjes , die aanhoudend, 
zoowel des nachts als bij dag, gestookt werden, maakten het 
in de woning zoo warm, zoo rookerig en benaauwd , dat het ons 
niet mogeliik was, langen tijd binnen dezelve te verwijlen. De 
eetlust van den ^Papoea is groot , en bepaalt zich niet slechts 
tot den dag , maar ook tot alle uren van den nacht. Zoodra hij 
ontwaakt en honger gevoelt, staat hij op, maakt zich op het 
naast hem brandende vuurtje eenig voedsel gereed, nuttigt dit 
in stilte, en l^t zich daarna even stilzwijgend wederom ter 
ruste; want, gelijk het grootste genof^en van elk onbeschaafd 
volk in eten, drinken, slapen en nietsdoen bestaat, zoo ook 
by den Papoea. Hij kent geene behoeften, dan die, van zijn 
leven te onderhouden; en de bevrediging van zijnen onverza-' 
delijken eetlust, bekleedt daarin de voornaamste plaats. Boven, 
dwars onder het dak der hutten , waren lange stokken doorge- 
stoken^ waarop zij , behalve hunne wapentuigen , eenigen voorraad 
sago, schelpvisschen, krabben, bananen enzv. bewaarden, ten 
einde alles dadelijk bij de hand te hebben. 

Geheel overeenkomstig met hunne schier dierlijke levens- 



i 



79 

4 

wijze, is ook , van de geboorte nf aan , hunne opkweeking^ Qp ze-^ 
keren tijd a&n w&l gegddn «ijnde , tn»k een: aeer klein kind, hetwelk 
naanwelijks' eene tnaand scheen &ad te zijn en voot eene woning 
aan de brandende zon lafg bioo^esteld^ onze aandacht. Eene 
vTouw, waarschijnlijk de moeder, sat naast hetzelve. Deee haalde, 
bij onze aannadering, het wichtje naar zich toe , bestrooide hiet 
geheel en al, de ooren en oogen zAia niet uitgezonderd, met 
het heete zand, dat zij van den grond bij dkander raapte, en 
verborg he* vervolgens ondor eenige groote, groene boombla- 
deren. Er waren over het geheel vrij veel kinderen : die , welke 
nog niet konden loopen, werden meestal door die moeders op 
den rug gedragen, door middel eener zachte strook bereiden 
boombast, welke over d« schouder* was vastgebonden. — * Vreemd 
en zeer eigenaardig is het, dat, wanneer wij gedurende den 
dag een tijdlang öndfet de inboorlingen aan land hadden ver- 
keerd, en wij tegen den avond naar boord teruggingen, de 
vrouwen alsdan luid begonnen tè schrerjen. Volgens onzen tolk 
is dit hare -vaste gewoonte, om de droef heid te kennen te geven , 
die zij gevoelen over het scheiden van he» , met wie zij kennis 
hebben gemaakt. 

De huisdieren, welke wij bij dit behoeftige kustvolk aan- 
troffen, bepaalden zich e^nkel tot een gering getal varkens en 
eenige dood magere honden van kleine gestalte, met staande 
ooren en van eene roodachtig gele kleur. Zij schenen van het 
gewone hondenras der Indische eilanden niet te verschillen, 
maar waren, blijkbaar door het sobere voedsel, dat hun ten 
deel viel, zeer leelijk. Behalve deze weinige bonden en varkens, 
bestond de voornaamste bezitting dier inenschen in een aantal 
lange kano^s en in eene groote menigte wapenen. De eersten 
waren doorgaans uit eren enkel stuk boomstam vervaardigd. 
Zij hadden eene verschillende lengte; eene der kleinste tnntrent 9, 
en de grootste, die wij zagen, bijna 17 meters. Deze kano's 
liggen zeer laag op het water en hebben , ondanks hare opmer* 
kelijke smalte in vergelijking- tot hare lengte, geene vleugels 
of iets dergelijks, ter bewaring van het evenwigt, aan de zijden. 
Hare breedte van boven houdt meestal het midden tusschen 
7 tot 10 palmen, en de diepte van 6 tot 8 palmen. Zij hebben 



80 

tamelijk lange, platte panten-, die vrij boven het water uitsteken. 
Langs de kanten en vooral aan de einden , zijn zij meerendeels 
niet onaardig besneden , en sommige hebben tevens met kalk 
gewitten hoeken. De Papoea's maken met deze kano's soms vrij 
verre togteH langs de kost, en wij hebben hen meer dan eens, 
bij eenen frisschen wind en sterken golfslag, op aanzienlijke 
a&tanden van het land, en meermalen zelfs door eene zeer 
onstuimige branding, met dezelve zien heenroeijen. Bij hunne 
groote bedrevenheid in het zwemmen , moet zulks evenwel minder 
bevreemding wekken; want het is hun over het algemeen tamelijk 
onverschillig of zij al eens met de boot omslaan: gebeurt dit, 
dan zwemt het geheele gezelschap om de drijvende kano rond; 
draait zij weder om, dan hoozen zij het water er met de handen 
nit, en bestijgen haar op nieuw. Vaak zelfs springen zij uit 
eigen beweging in zee, zoo als wij bij onze eerste ontmoeting 
dikwijls opmerkten, hetwelk, volgens het gevoelen van onze 
tolken , voor een bewijs van vriendschappelijke gezindheid gelden 
moest. Zij doken dan even onder, en wisten met veel behen- 
digheid weder in hunne vaartuigen te klimmen. Zij roeijen 
altijd staande, en bedienen zich uit dien hoofde van zeer lang 
besteelde pagaaijen, waaraan zich van onderen een langwerpig 
ovaal, dun blad bevindt, aan den eenen kant een weinig bol, 
aan den anderen flaauw uitgehoold. De bolle zijde is gewoonlijk 
met allerhande snijwerk verfraaid. Ook de steel is veelal, ter 
lengte van eenige spannen, aan het beneden- en bovengedeelte» 
niet onaardig besneden. De geheele lengte van zulk een' pagaai 
beloop ruim 3 meters, waarvan het bUd ongeveer 5 palmen 
beslaat en, in het midden gemeten, gemeenlijk ten naastebij 
2 palmen breed is. Meestal zijn, zoowel de pagaaijen als de 
kano's, uit eene zeer ligte houtsoort vervaardigd. De laatsten 
worden voor het grootste gedeelte uitgebrand en vervolgens met 
met kleine Indische bijlen {baijoerCs)^ hakmessen [paranga) 
en andere, tot kappen of snijden ingerigte ijzeren werktuigen, 
welke de Ceraromers derwaarts brengen, van binnen en buiten 
glad gemaakt Ook zoude men zich wel van scherpe, bijtel- 
vormige, in eenen houten steel vastgezetten steenen, tot de 
verrigting van dien arbeid bedienen. Des avonds trekken de 



81 

inwoners van het dorp Oeta hunne booten op het drooge zand- 
strand, en eerst wanneer zij in zee steken of een togtje op 
de rivier willen doen, brengen zij ze te water. Naarmate 
eene kano groot was, zagen wij 3 of 4 en somtijds tot 20 
menschen toe, er in; meestentijds echter 6, 8 tot 10, 
welke steeds op gelijken afstand , in ééne reeks achter elkander 
stonden. Niet minder verwonderlijk dan de zekerheid , inet welke 
zij , bij het sterkste schommelen , het evenwigt weten te bewaren, 
is de verbazende snelheid , waarmede zij ipet deze smalle vaarr 
tuigen het water kunnen doorklieven. 

Het vangen van visoh geschiedt, deels door, gedurende den 
vloed, kleine kreken met rijs en boomtakken af te dammen, 
om zoo doende den visch bij het vallende water op het droogé 
terug te houden; deels gebruiken zij daartoe eene soort van 
schepnetten, welke hun aan het strand en langs de oevers der 
rivier, in de oploopende golven of stillebogten, van dienst zijn; 
of zij drijven die vangst op eene meer kunstmatige wijze, met 
behulp van pijl en boog, waarbij zij eene groote bedrevenheid aan den 
dag leggen, door hun schot zoodanig te rigten, dat het, in 
weerwil van het verschil in de gezigtswaarneming door de straal- 
buiging, met juistheid ouder het water zijn doel treft. Ditzelfde laat 
zich ook toepassen op het steken en harpoenen , waartoe zij bam- 
boezen spiesen en lange houten elgers bezigen met onderscheidene 
scherpe punten, die vorksgewijze naast elkander zijn geplaatst 

De eigenlijke wapenen dezer Papoea's bestaan , gelijk wi] reeds 
vroeger hebben aangemerkt, in pijl en boog, in lansen en 
knodsen. Er heerscht daarin eene groote verscheidenheid 
van maaksel en bestanddeelen. Zielfs die, welke met reeds bekende 
vormen nit andere deelen van Nieuw-Guinea of van andere nabij- 
gelegene eilanden min of meer overeenkomen, zullen toch, als 
voorwerpen van vergelijking, niet overbodig zijn. Het was ons 
doel , om in dezen arbeid al datgene , wat wij in het land aldaar 
zelven gezien en onderzocht hebben, zoo naauwkeurig mogelijk 
zamen te vatten, ten einde aldus eene eerste, meer volledige 
beschrijving te leveren van eenelandstréek, omtrent welke, zelfs 
in de nieuwste en beste geographische werken, nog zulk eene 
groote duisternis heerschende is. 



82 

De stof, waaruii deze wapenen gemaakt zijn, bepaalt zich 
tot vier hoofdsoorten, namelijk: ten eerste, casuarinahout , dat 
voornamelijk tot het vervaardigen der knodsen dient; ten tweede, 
een zeker hard , grofdradig en zwaar palmhout , hetwelk in hoe- 
danigheid met dat van' den nibongpalm vrij ved overeenkomst 
heeft en insgelijks tot het vervaardigen van knodsen gebezigd 
wordt , maar ook inzonderheid voor lansen , bogea en voor de 
scherpe ponten der pijlen; ten derde, riet (waarschijnlijk van 
eene soort van Sacchamm), van hetwelk de pijlstokken zijn 
gemaakt; ten vierde vindt men er ook bogen en lansen , geheel 
uit bamboes bestaande, en vaak hebben sommige pijlen en 
palmhouten lansstokken spitse punten van deze reusvormige 
grassoort. De knodsen verschillen onderling aanmerkelijk in 
lengte, dikte en gedaante. Eene der langste, door ons gezien, 
had 1 meter , 7 palmen , terwijl de kleinste niet veel meer dan 1 
meter bereikte; de meeste waren 13 tot 15 palmen lang. Haar 
handvatsel of. steel is doorgaans min of meer rond; maar van boven 
zijn sommige plat, andere driehoekig, vierkant, bolrond of ovaal, 
en op allerlei wijze ingekorven en gesneden. Niet zelden vertoonen 
zij ruwe afbeeldingen van'menschelijkeaangezigten met dierlijke 
ligchamen; eenige zijn met houten, bijlvormige uitsteeksels, 
ofwel met steenen van eene langwerpig bijtelvormige of hoekig 
starvormige gedaante voorzien; intosschen altijd plomp en ruw 
bewerkt, zoodat zij, wat gladheid, regelmatigheid en sierlijk- 
heid betreft, met de firaaije strijdknodsen van de Nieuw-Zee- 
landers niet in vergelijking kunnen komen. Zij zijn echter in 
alle deelen steviger en sterker dan deze, en daardoor beter 
geschikt tot het woeste gebruik harer bestemming. De lansen 
hebben eene lengte van §^ tot 3 meters. Die van palmhout zijn 
gewoonlijk aan het beneden- en boveneind met snijwerk versierd: 
het laatste gedeelte — dat nu eens plat lancetvormig, dan 
weder nagenoeg vierkant of met twee punten, als eene kleine 
gaffel eindigt — is meestal getand en met weerhaken gewapend; 
het benedeneinde daarentegen meer spadelvormig, met gladde 
of golvende kanten. Eenige zijn aan het bo vengedeelte een- 
voudig spiesvormig, of ook wel met een 6 tot 8 duim lang 
stukje been voorzien, hetwelk puntig geslepen en veelal uit 



S3 

eene varkenspijp genomen is. Bij andere bestaat de punt uit 
een stuk droog bamboes, hetwelk afgespitst en met gespleten 
rotting aan den palmhouten stok yastgebonden is; terwijl ein- 
delijk de eenvoudigste van allen geheel uit bamboes gemaakt zijn. 
De bogen zijn deels van bamboes, deels van palmhout, ter lengte van 
l^tot 2 meters. De pees is steeds van gespleten rotting. Sommige 
palmhouten bogen zijn met snijwerk V'ersierd* De pijlen hebben 
gemeenlijk eene lengte van 18 tot 15 palmen; onder vele hon- 
derden, die wij te zien kregen, waren sleehts weinige een 
paar palmen langer. Van allen bestond de stok uit het boven- 
vermelde riet, dat de dikte van een gewoon, zoogenaamd rot- 
tingstokje, of ten nftafltebij die van eenen pink had. Het zwakste 
gedeelte is naar onderen gekeerd. Bovenaan steekt eene palm- 
houten pen , ter lengte van 4 of 5 palmen , en van zeer verschil- 
lenden vorm, na eens volkomen rond en glad , doch meermalen 
miar de spits toe hoekig en op onderscheidde wijzen getand., 
De Oeta-Papoea^s schijnen aan het vervaardigen hunner pijlen 
veel moeite te besteden, en hunnen kunstzin vooral door eene 
groote verscheidenheid van snijwerk aan den dag te willen leggen. 
Sommige pijjlpunten nogtans bestaan alleen uit een glad stukje 
bamboes. De rietstokken zijn niet zelden met zigezagen en 
geslingerde lijnen versierd. Aan het boveneinde, waar zich de 
pen bevindt, is het riet, ter lengte van één' of ook wel van 
meerdere duimen, met fijne rottingdraden of bastvezels omwikkeld, 
welk windsel gemeenlijk gekalkt of met boomhars bestreken is; 
het gebeort slechts zelden, dat de pennen, zonder eenige vast- 
hechting, in het riet worden gestoken. De pijlen dragen geen 
kenteeken van vergiftiging; sommige zijn, alleen tot sieraad, 
aan de punten met eene roodachtige verwstof bestreken , die 
aan de eene of andere aardsoort sohijn€ ontleend te zijn. 
Het niet vergiftigen der pijlen, door ons algemeen langs de 
zuid- westkust van Nieuw-Guinea opgemerkt, leidt tot de voor- 
onderstelling , dat aan de bewoners van dat land geene zelfstan-* 
digheid bekend moet zijn, waardoor zij op die wijze hunne 
wapenen voor den vijand gevaarlijker kunnen maken. In het 
landschap Lobo alleen maakten de Fapoea^s melding van een' 
boom , Koenter gauwa genaamd , dien zij voorgaven , zoo sterk 



84 

vergiftig te zijn, dat het minste, wat men er van at, oogen- 
blikkelijk den dood ten gevolge zoude hebben. 

Van alle pijlen, die ik bij de verschillende volksstammen, 
in onderscheidene streken van Indiê gezien heb, zijn deze 
Papoeasche de grootste, doch, naar het mij voorkomt, de minst 
gevaarlijke in eenen strijd. Zi^ zijn, in verhouding tot , en als 
een gevolg van hunne aanmerkelijke lengte, veel te ligt en ook 
te plomp van vorm , dan dat zij met die verbazende snelheid 
het luchtrnim zouden kunnen doorklieven , waardoor de kleinere 
soorten, en voornamelijk die van China, de algemeene bewon- 
dering tot zich trekken. De minste luchtstroom oefent eenigen 
invloed uit op de vaart des pijls , 'en verandert min of meer 
zijne rigting. Zacht sissende schiet hij voort; echter zoo, dat 
het oog hem gemakkelijk kan volgen. Men hing eens aan boord 
van de Triton eene ledige wijnflesch onder de grootera, en 
noodigde eenige inboorlingen uit, met pijl en boog daarnaair 
te schieten. Zij beproefden zulks en schoten wel dikwerf digt 
langs de flesch heen, maar geen hunner kon haar treffen. Ten 
einde hun nu een bewijs te geven van de meerdere voortreffe- 
lijkheid onzer wapenen boven de hunnen, legden wij met een 
jagtgeweer op de flesch aan, en werd zij, zoo als ook ver- 
volgens 'nog eeuige anderen, met het eerste schot verbrijzeld. 
De Papoea's toonden zich daarover ten uiterste verbaasd. In 
eene horizontale rigting zullen zij intusschen met meer handig- 
heid en op grootere afstanden met den pijl kunnen treffen. 

Nog moet ik jgewag maken van de zonderlinge ^woonte, 
die men bij de inboorlingen ter zuid-westkust van Nieuw-Guinea 
waarneemt, van namelijk, uit eenen bamboezen koker , ongeveer 
ter lengte van eenen mans arm, een fijn stof in de lucht te 
werpen, dat, op eenigen afstand gezien, het voorkomen* heeft 
van eene rookwolk. Cook reeds maakt van dit werktuig melding; < 
doch, naardien hij hetzelve niet van nabij genoeg zag, kon 
hij zich , omtrent deszelfs eigenlijk zamenstel en werking geen juist 
denkbeeld vormen. Hij vergeleek den daaruit voortkomenden 
damp met dien van een snaphaanschot , zonder dat echter daarbij 
een slag gehoord werd. Gelijk, na hem. Kapitein Hnnter,ten 
gevolge van hetgeen hem van eenige Nieuw-Hollandsche volk- 



85 

stammen was bekend geworden, vooronderstelde, is bet niet 
anders dan een poederachtige stof, uit een- fijn zand, fiJT^ 
gemaakten droogen kalk en asch bestaande, welk mengsel, door 
het schudden en zwaaijen van den bamboezen koker, wordt 
uitgeworpen en zich in de verte als een rook vertoont. Wij 
hebben dit gebruik bij de strandvolkeren , tusschen den 136*^®* 
en JS?"***** lengte-graad v. Gr. opgemerkt, en Kapitein Cook, 
zoowel als de Heer Kolff, nam het nog anderhalven graad verder 
oostwaarts waar. Bij de inboorlingen der straat Prinses-Marianne 
is bet ons echter, evenmin als bij de Papoea^s in het distriki 
Lobo en ommestreken, ooit voorgekomen. Volgens de meening 
onzer tolken zoude het werpen van het stof voornamelijk met 
het doel geschieden, om zich onderling op eenigen afstand te 
doen verkennen. Hieruit laat zich dai\ ook het best de omstan* 
digheid verklaren , dat men het hen • evenzeer ziet verrigten ^ 
wanneer zij eenen vreemdeling vriendschappelijk tegemoet gaan ^ 
als wanneer zij zich openlijk vijandig toonen of met wan- 
trouwen vlugten. Volgens het gevoelen van den tolk Patti Ba- 
rombang, zoude daarbij de overeenkomst bestaan, dat eene 
zijwaartsche slingering van het stof eene vredelievende gezind- 
heid , doch het regt opwaarts werpen van hetzelve , eene uitdaging 
of tegenstandbieding moet aanduiden. Het komt ons niet on- 
waarschijnlijk voor, dat dit toestel misschien ook wel als eene 
soort van wapentuig kan gebezigd worden , en dienen moet om 
er hunnen vijand een pijnverwekkend poeder mede in de oogen 
te werpen. 

Van muzijkinstrumenten hebben wij. bij de inwoners van het 
dorp Oeta alleen eene soort van trom aangetroffen ^ die, ruw 
bewerkt, uit een nagenoeg trechtervormig uitgehoold stuk hout 
bestaat,. tér lengte van 5 palmen, zijnde de bovenste opening, 
waarover het vel van eene groote hagedis (Monitor) is gespannen, 
0,14 wijd, en die van onderen, welke niet bekleed is, 0,09. 
Aan den buitenkant, nabij het beneden of opene gedeelte, is 
deze trom met eenig snijwerk voorzien, maar voor het overige 
glad en plomp van gedaante. Gelijk alle Oostersche volken 9 
schijnt ook het negerachtige ras van Nieuw-Guinea veel van 
muzijk en zang te houden. Vijf Papoea's, uit het zuidelijk 



gedeelte van het distrikt Koiwai , die een paar dagen aan boord 
der korvet vertoefden om ons den mond der rivier Oetanata 
te wijzen , begonnen op eenen avond , door den eersten Officier 
daartoe aangezocht, te zingen. Zij zetteden zich tot dat einde 
in eenen kring op het dek neder. Een hunner zong, op eene 
neuriënde wijze, voor, waarop de anderen van tijd tot tijd 
gezamentUjk, met een vrij treurig luidend gebrom invielen, 
hetwelk telkens, ila het prevelend solo-neuriën , op dezelfde 
wijze herhaald werd. Bij het eindigen van ieder couplet slaakten 
zij allen eenen sterken gil , die, hoe weinig muzijkaal ook voor 
het gehoor, altijd het voordeel opleverde, dat hij het een- 
toonige refrein onverwachts afwisselde. 

De taal dezer inboorlingen, hoezeer meer verscheidenheid 
van toon bezittende en minder blaffend zijnde , dan die van de 
inboorlingen in de Prinses Marianne-straat , is nogtans ver 
van welluidend genoemd te kunnen worden. De uitdrukkingen 
zijn over het algemeen hard, dikwijls schel, en gaan vaak van 
keelklanken vergezeld. Aan het. slot dezer verhandeling zullen 
wij een aantal woorden, zoowel uit de taal dezer menschen, 
als uit eenige andere tongvallen, welke op de zuid-westkust 
gesproken worden, ontleend, tot gemakkelijker overzigt en 
betere onderlinge vergelijking, nevens elkander opgeven. — 
Omtrent godsdienstige begrippen, wetten of welke maatschap- 
pelijke instellingen ook, hebben wij bij dien wilden volksstam 
óf in het geheel geene, bf geene genoegzaam juiste en de 
vermelding waardige inlichtingen kunnen erlangen. Slechts dit 
kunnen wij mededeelen, dat iedere man zooveel vrouwen mag 
nemen, als hij verkiest, of hem het toeval verschaft. Het 
bekrachtigen eener belofte, bij wijze van eenen eed, g^chiedt 
bij hen door een weinig bloed, uit de kleine wond, die zij 
zich door een^ prik in den arm of eeriig ander ligchaamsdeel 
toebrengen , met een . weinig zoutwater te vermengen en ver- 
volgens te verzwelgen. Voor het overige is het ons toegeschenen, 
dat er weinig of geen verschil van rang onder hen bestaat, 
maar dat zij allerwaarschijnlijkst allen evenveel regten hebben , 
of liever, dat geen hunner eenig noemenswaardig voorregt boven 
den ander' geniet. Dat zij zich in kleine maatschappijen ver- 



87 

eenigeo , is niet slechts voor hunne persoonlijke veiligheid nood- 
zakelijk, maar tev^s' een natuurlijk gevolg van den trek tot 
gezelligheid , die den mensch kenschetst. Dat evenwel deze min 
of meer talrijke horden eene zekere soort van bestuur zouden 
kennen, is niet te vooronderstellen. Vermoedelijk bepaalt zich 
hunne onderlinge betrekking enkel tot eenige algemeene regelen 
en verpligtingen, die zij jegens elkander te vervullen hebben^ 
en waardoor hunne vereeuiging wordt in stand gehouden. Een 
elk schijnt voor het overige alleen voor zichzelven en de zijnen 
te zoi^en, en in zijn dóen en laten, mits zulks anderen niet 
benadeelt, eene onbeperkte vrijheid te genieten. Die inboor- 
lingen althans, welke zich als hoofden aan ons voorstelden, 
waren noch in levenswijze , noch door eenig teeken ho^enaamd , 
onder hunne overige stamgenooten gekenmerkt. Abrauw, een 
der voornaamsten onder hen, liep even naakt als alle andere 
dorpelingen van Oeta, en in zijn slaapvertrek zag het er niet 
beter uit, dan in iedere andere hut. Volgens zijn zeggen grondde 
zich z\jn opperhoofdschap op eene erkenning als zoodanig door 
de Gerammers; dan , hoeveel hij er zich ook op liet voorstaan, zijn 
wij er toch niet achter kunnen komen, waarin eigenlijk de 
voorregten van zijnen rang gelegen waren. Zoo zeide bij , onder 
anderen, bij onze eerste ontmoeting, dat wij steeds gerust aan 
wal konden gaan, zonder te vreezen te hebben, dat ons ooit 
iemand het geringste leed zoude doen , daar hij den zoodanigen 
dadelijk zoude laten doodslaan; en toch, in weerwil dezer taal 
als van eenen magthebbende , zagen wij dikwerf den grooten 
Abrauw, met eenen pagaai in de hand, even hard zijne kano 
voortstuwen , als ieder ander zijner zoogenaamde onderhoorigen; 
of wij vonden hem, bij een vuurtje öp zijne hurken gezeten, 
onledig met zich zijn^ eigen^ mondkost te bereiden. Ditzelfde 
had ook plaats met twee zoogenaamde mindere hoofden , Makaai 
en Abrauw Mimiti geheeten , hetgeen ons tot het besluit bragt, 
dat het denkbeeld van hoog gezag bij dit volk zeer gering 
moet wezen. Intusschen moeten wij tot deszelfs eer getuigen, 
dat wij niet de minste vijandelijkheden van hetzelve ondervonden 
hebben, zoodat wij, hiernaar redenerende, hen als menschen 
van eene vreedzame en goede inborst mogen aanmerken. Daax. 



8S 

echter ons verblijf onder hen slechts van korten duur was, is 
er geene gelegenheid geweest, om den jegens hen gunstig op- 
gevatten dank genoegzaam gestaafd te zien. Wie herinnert zich 
niet liet gebeurde met den ongelukkigen Marion , door de Nieuw- 
Zeelanders zoo verraderlijk vermoord , na maanden lang met hen 
op het vriendschappelijkst verkeerd te hebben? en zoo menig 
ander noodlottig geval, dezen en genen zeereiziger overgekomen? 
De ondervinding heeft, helaas, maar al te zeer bewezen, hoe 
weinig de wilde natuurmensch te vertrouwen is. 

Op eenen eenigzins hoogeren trap van beschaving dan de 
tot hiertoe beschouwde inlanders, staan de Fapoeasche volken, 
langs de stranden onder de bergéTchtige kust, op omtrent 4 
graden Zuiderbreedte en van daar noordwaarts op, aangetrofien. 
Sedert langen tijd reeds, hebben de bewoners van Groot-Ceram, 
Ceram-lawut, Gissér, Keffing, Gk)ram en andere eilanden van 
de Ambonsche groep, op die streken ijverig handel gedreven, 
en zijn , nu en dan , Mohammedaansche priesters aldaar aange- 
komen , die de inboorlingen tot het omhelzen van het Islamismus 
hebben overgehaald. Door dit een en ander zijn de zeden dezer 
menschen op verschillende wijzen veranderd, en hunne natuur- 
lijke geaardheid deels verbeterd , deels echter , door het aanleeren 
van allerlei slinksche treken, minof meer verslimmerd. Alvorens 
tot eene nadere beschouwing dezer strandvolken over te gaan, 
merken wij aan, dat de bergachtige binnenlanden dier streken 
door eenen anderen menschenstam bewoond worden, die, zoowel 
in uiterlijk aanzien, als vooral ook door hunne zeden, zich op 
eene zeer in het oog vallende wijze van de eersten onderscheidt. 
Deze bergbewoners, gewoonlijk Alfoeren geheeten, zijn bij de 
kustbewoners van het door ons bedoelde gedeelte onder den 
naam van Maf rassis bekend , terwijl de kustbewoners zelve zich 
ter onderscheiding Orang Papoea ^o) noemen. Kortheidshalve 
zullen wij, in het vervolg van dit geschrift, die beide bena- 
mingen tot eene bepaalde aanduiding van de twee gezegde 
volken gebruiken. 

De Papoea's of het strandvolk, waarvan wij thans handelen, 
kennen het vaste land van Nieuw-Guinea onder de benaming 
van Oekar Lena , dat is : het groote land. Zij matigen zich het 



89 

regt van handel langs het door hen bewoond wordende kust- 
gedeelte aan, en beschouwen de Mairassis als aan hen onder- 
geschikt te zijn. Meer bedreven dan dezen en van betere wapenen 
voorzien , valt het hun niet moeijelijk , deze overweldigde meerder- 
heid staande te houden, en zich het handels-monopolie van de 
voortbrengselen des lands toe te eigenen. Het zal tot de dui- 
delijkheid onzer mededeelingen bijdragen , wanneer wij van elk 
dezer beide volkstammen afzonderlijk datgene vermelden, wat 
ons daarvan is bekend geworden. 

De Papoea^s uit het distrikt Lobo en omliggende eilanden» 
zijn over het algemeen minder sterk en welgemaakt, dan de 
inboorlingen uit den omtrek der rivier Oetanata. In grootte 
blijven zij eenigzins beneden het middelmatige en , hoezeer men 
ook onder hen enkele vrij rijzige gestalten ziet, zijn de meesten 
toch kleiner en tengerder, dan hunne gemelde naburen 'i). 
Zwakken en gebrékkigen zijn hier niet zeldzaam; doch vooral 
ontmoet men onder hen vele lijders aan afschuwelijke huid- 
ziekten. Hunne kleur is overigens dezelfde als di^ van hunne 
zaidelijke landgenooten , en ook hun haar is slechts eenige 
duimen lang,, roetachtig zwarten kroes; zij geven zich echter 
volstrekt geene moeite om het op te schikken , maar laten het 
iu natuurlijken staat wild om het hoofd groeijen. Bij sommige 
vrouwen evenwel, voornamelijk bij die, welke van het gebergte 
afkomstig zijn, vindt men ten deze eene uitzondering , naardien 
zij het haar, op de wijze der zuidelijke bewoners van het land- 
schap Koiwai, kunstmatig in reeksen vlechten. Noch vrouwen, 
noch mannen doorboren den neus, weshalve hunne gelaatstrekken 
meerdere regelmatigheid behouden. Hunne aangezigten ondergaan 
geene versiering, noch worden hunne ligchamen met bonte 
kleuren besmeerd. Bijna allen hebben eenen grooten mond en 
tamelijk dikke lippen; bij sommigen zijn de tanden wit; bij 
anderen, door het 'aanhoudend kaauwen van sirie, zwart; doch 
geen hunner heeft ze spits geslepen. Hun baard is zelden 
sterk; welligt dat hij van sommigen, volgens Maleisch gebruik, 
DU en dan wordt uitgetrokken. Zij gaan allen min of meer 
gekleed, en hebben ten minste altijd het onderlijf bedekt. Som- 
mige mannen dragen doeken om het hoofd, katoenen kabaja's, 



90 

korte broeken ofwel sarongs; anderen daarentegen, die minder 
rijk aan kleedingstukken zijn, hebben alleen eene strook wit 
of bont linnen, of een\reep zacht bereiden boombast om de 
lenden geslagen en tasschen de beenen door van achteren vast- 
gebonden. Eenige dragen banden van gevlochten rotting om 
de armen, en krom gebogene, gouden en zilveren stiftjes, ter 
lengte van ongeveer 0,05, in de ooren. Zoodanige metalen ver- 
sierselen merkte men ook op bij de vronwen , welke zich boven- 
dien gaarne met halssnoeren van gekleurde glaskoralen opschikken. 
Zij dragen doorgaans eenen sarong, welken zij soms onder, soms 
boven den boezem vastbinden, en die meestal van eene grove, 
blaanwe of andere donkerklenrige stof is. Onder de jonge meisjes 
vindt men somwijlen niet onbevallige gezigtjes; de eenig- 
zins bejaarde vronwen zijn daarentegen, voor het grootste 
gedeelte, afschuwelijk leelijk. 

Yan het karakter dezer menschen laat zich moeijelijk iets 
bepaalds zeggen. Sommige mannen waren nieuwsgierig en toonden 
eene zekere bevattelijkheid te bezitten; anderen legden , omtrent 
al hetgeen hun niet aanging, meerdere onverschilligheid aan 
den dag. De gelaatstrekkeu van sommigen duidden blijkbaar 
goedaardigheid en welmeenendheid aan ; terwijl die van anderen 
den duidelijken stempel droegen van wantrouwen, hartstogten 
wraakzucht. Een bewijs van oploopendheid leverde ons, onder 
anderen, eens een Papoea, die, eene levende zeeschilpad aan 
boord van de Triton te koop aanbiedende, toen men hem 
iets minder daarvoor wilde geven, dan hij verlangde, zoo- 
danig in toorn ontstak, dat hij het spartelende dier, zonder 
zich een oogenblik te bedenken , uit zijne praauw in zee wierp» 
en dit met eenen blik en gemompel van boosheid deed 
vergezeld gaan, waaruit duidelijk was op te maken, dat hij 
liever in het geheel niets wilde hebben, dan ons de schildpad 
voor het gebodene af te staan. Hebzucht scheen bij hen een 
algemeene karaktertrek te zijn. De opperhoofden zoowel als de 
vrije onderdanen en de slaven , geen uitgezonderd , namen allen 
gaarne geschenken aan , en met de goederen , die zij ons bragten , 
werden zij hoe langer hoe duurder; zij verdeelden op "'t laatst 
alle dingen zooveel mogelijk in kleine partijen, en schroomden 



91 

niet, om voor elk kleine gedeelte even zooveel te vragen, als 
zij vroeger wel eens voor het geheel bekomen hadden. Bij dit 
alles gaven zij vaak blijken van wantrouwen , en lieten zich niet 
gemakkelijk bewegen , om iets .zonder dadelijke betaling af te 
geven. Aanvankelijk wilden zij niet anders dan ruilhandel drijven, 
daar zij evenmin als de Oeta-bewoners geld kenden , en er dus 
ook geene waarde aan hechtten; nadat wij echter korten tijd 
met hen verkeerd hadden, begonnen zij onze munten zeer wel 
van metalen knoopen te onderscheiden en haar alleugskens 
aangenamer te vinden, o&choon zij aan goederen steeds de 
voorkeur gaven. Katoen, tabak en ijzeren gereedschappen hadden 
zij het liefst, hoezeer de laatsten, voor zooveel de hakmessen, 
pijlen, dolken en harpoenen betreft, reeds door hen zei ven 
gesmeed worden, hebbende zij dit van de Gerammers geleerd, 
die de voornoemde artikelen van het staafijzer, dat zij opzettelijk 
tot dat einde medebrengen, dikwerf aldaar vervaardigen. Men 
vindt dien ten gevolge, bij de Papoea^s van Lobo, hier en 
daar eene soort van kleine smidse, waarin houtskolen worden 
gebezigd, die zij uit dikke blokken hard hout in groeven 
bereiden. In andere handwerken schijnen zij geheel onbedreven te 
zijn, het naaijen hunner kleederen daarvan zelfs niet uitge- 
zonderd, nemende zij daartoe gaarne de hulp der vreemde 
handelaren te baat, van welke zij echter bij voorkeur reeds 
gemaakte kleedingstukken inruilen. — Yan hunne wonin- 
gen en dorpen hebben wij reeds vroeger melding gemaakt. Het 
geno^zaam zwervende leven, dat de Papoea^s leiden, verdeelt 
hen in ontelbare kleine maatschappijen, die slechts dan tot 
aanzienlijke volkshoopen vereenigd worden, wanneer er iets 
buitengewoons in hunne landstreek voorvalt. In bijkans alle 
bogteu en inhammen, die door de steile, klippige kust heen* 
breken, en in wier binnenste meerendeels kleine landstrooken, 
uit wit zand bestaande, aangetrofien worden, vindt men enkele 
huizen of groepsgewijze verspreide gehuchten, die zich , gemeenlijk 
door eenige kokospalmen, reeds in de verte aankondigen. In 
de nabijheid dier woningen liggen ook hunne kleine plantsoenen, 
uit tuintjes bestaande, in welke zij bataten (Convolvulus batatas) , 
bananen, suikerriet, jamswortelen, pompoenen , spaansche peper 



92 

(Capsicum), sirie (Pi per betle), mais, komkommers, katjang 
(Dolichos) , kleine limoenen en eenige andere nuttige gewassen 
aankweeken. Deze kweekerij bindt hen nog eenigzins aan vaste 
oorden en maakt hen, uit dringende noodzakelijkheid, tot 
landbouwers, ofschoon zij van natuur meer neiging hebben tot 
het visschersleven^ aan hetwelk zij zich dan ook^ na den 
oogsttijd, gewoonlijk gedurende het overige gedeelte des jaars 
geheel toewijden. Hunne praauwen dienen hun ^Isdan tot wo- 
ningen; want al hunne beweegbare have voeren zij met zich 
mede. Bij dag varen zij daarmede langs het strand en in de 
eenzame baaijen rond , terwijl zij zich des nachts zorgeloos onder 
liare lage daken, van bladeren ter ruste nedervlijen , dienende 
hun een kleine, van eenen steen voorziene houten haak, tot 
een veilig anker. Zij vangen zooveel visch als zij tot eigen 
gebruik behoeven, en verzamelen voor den handel met de 
Cerammers karetschilden , of steken , tot datzelfde einde , tripang 
(Holothuria), Kembi geheeten, dien zij, naarmate der soorten, 
op verschillende wijze in zout water koken en vervolgens boven 
het vuur of in de zon droogen; ook houden zij zich wel eens 
bezig met het duiken naar paarlen (bij hen Wainetoe genaamd). 
Deze handelsartikelen vermeerderen zij nog met notenmuskaat ^^) 
{Pala)^ met onderscheidene schors- 5') en houtsoorten ««'j^clie 
wegens hare geneeskrachtige eigensdiappen befaamd zijn ; voorts 
met opgezettene paradijs vogels (JSianga)^ levende kakketoes, 
kroonduiven enzv., en met verschillende soorten van zèehojrens; 
al hetwelk zij deels zelven gaan opzoeken of van de Mairassis 
tegen allerlei onbeduidende voorwerpen inruilen. Gewoonlijk 
echter worden die goederen eerst bij de aannadering der west- 
moeson met ijver bijeengezameld , wanneer de Ceramsche 
vaartuigen derwaarts . komen , om tot het doorbreken van de 
zuid-oost-moeson op de kust te verwijlen, wanneer zij, voor 
den wind af, weder huiswaarts keeren. De goederen, welke 
deze Mpluksche handelaren voornamelijk aanbrengen, bestaan 
in lijnwaden en bontkleurige katoenen , sarong's , hoofddoeken, 
staafijzer, bijlen, zwaarden, hakmessen en andere ijzeren werk- 
tuigen; voorts ijzeren pannen, aarden potten, kommen, borden 
en kopjes, gambier-koekjes (uit het sap van Nanclea gambir 



93 

bereid), tabak, glaskoralen , gong's en koperdraad; somwijlen 
ook in kleine Lila^s (grof geschut , niet wijd naar evenredigheid 
van zijne lengte) en geweren ; vooral buskruid en kogels ; 
verder garen, naalden én velerlei andere kleinigheden, voor 
huiselijk gebruik of tot tooijing van het ligchaam gebezigd 
wordende. 

De vaartuigen der Papoea's bestaan in kleine en groote 
zeilpraauwen met hutten er op, en in kleine kano's zonder 
hutten , doch , even als de eerstgemelden , van zijdelings uitste- 
kende wieken of vleugels voorzien. De kleine kano's, blootelijk 
uit een' boomstam gehouwen, worden door de Papoea's zelve 
vervaardigd. Zij kunnen slechts twee of drie , ten hoogste vier 
hurkende menschen bevatten , en zijn ook enkel geschikt om 
korte overtogtjes van de eene plaats naar de andere te doen, 
er mede op de visch vangst uit te gaan enzv. De zeilpraauwen 
daarentegen, die meerendeels door de Cerammers worden aan- 
gebragt, welke hen gemeenlijk op de Key-eilanden aankoopen, 
worden, naar gelang harer grootte, tot huisvesting van geheele, 
talrijke gezinnen .aangewend. Met deze reizen de Papoea's rond, 
en maken van de daarop staande kleine palmbladen-hut maanden 
lang hun dagelijksch verblijf. De praauwen hebben eene kiel, 
bestaande uit een trogsgewijze uitgehoold stuk boomstam, op 
hetwelk alsdan, naarmate van de grootte der vaartuigen, twee, 
diie en somtijds meer smalle , dunne planken , in eene schuinsche 
rigting getimmerd zijn. Het geheel is alleen doormiddel van 
houten pennen in elkander gewerkt, en de voegen zijn met 
boomhars digtgestreken. Sommige groote praauwen voeren twee 
masten ; de meeste echter slechts één ' met een hoog , vierkant 
zeil , dat bf uit matten , bf uit zaamgeregen palmbladen bestaat. 
Vóór in het vaartuig bevindt zich een houten bak met aftrde 
of zand gevuld en tot vuurhaard bestemd, op welken zij in 
roode aarden potten hunne spijzen koken. Enkele praauwen 
voerden kleine HoUaiidsche vlaggetjes, anderen hiaddén in der- 
zelver plaats , aan eenen regtstaanden stok , lappea van verbleekt 
en vuil berookt katoen gebonden, waarvan de oorspronkelijke 
kleur niet meer te bekennen was. Behalve het reeds genoemde 
huisraad, hebben wij in de praauwen en huizen der Papoea's 



94 

nog opgemerkt onderscheidene soorten van mandjes en platte 
doosjes, uit palmbladen gevlochten. De eersten dienen tot 
berging van kleederen en gereedschappen; de laatsten tot het 
bewaren van tabak, sirie, geneesmiddelen en andere, door het 
bijgeloof als behoedmiddelen tegen ziekte en ongeluk geprezene 
voorwerpen. De wapenen dezer strandvolken bestaan in pijl en 
boog 34j, in lansen, eenige handgeweren en kleine metalen 
stukken geschut. De vuurwapenen bekomen zij van de Ceram- 
mers; zij gebruiken die, volgens hun zeggen, hoofdzakelijk 
tot het bestrijden der roovers, die nu en dan hunne kusten 
komen bestoken. Hunne lansen zijn van bamboes of hard hout 
en, even als hunne pijlen en bog«n, in het algemeen zeer 
gelijkvormig met die der zuidelijke bewoners. De pijlen zi^n 
ondertusscben niet zelden gepunt met een stuk scherp geslepen 
been van een' kengoeroe, casuaris of van eenig ander gedierte» 
somwijlen ook met eene sterke en zeer spitse vischgraat. Wij 
zagen hier ook onderscheidene soorten van harpoenen en elgers 
met talrijke, deels gladde, deels getande punten. Deze dienen 
tot het steken van visch, dat meestal des nachts geschiedt, 
wanneer de inlanders er met fakkels op uitgaan, even als 
zulks in het najaar langs den Bijn en de daarin uitstroomende 
rivi^en ten opzigte der zalmvisscherij plaats heeft. Er zijn 
visschen, inzonderheid uit de afdeelingen der Malacopterjgii 
abdominales en der Percoïdei, die gaarne op het licht afkomen 
en zich daardoor laten verlokken. Dikwijls, midden in den 
nacht en uren achtereen , is ons oog geboeid geworden door de 
talrijke, langs het strand op het water drijvende vuurtjes, die 
zich, nu eens in groepen vereenigd, dan weder verstrooid en 
gescheiden vertoonden, elkander voorbijtrokken, zich in ver- 
schillende rigtingen bewogen, ver van elkander afdwaalden en 
zich vervolgens langzamerhand weder verzameldeo: Men kan 
kaQ zich naauwelljks een treffender schouwspel denken, dan 
deze Tustige bedrijvigheid en het gezigt dier tallooze zwervende 
flikkerlichten , bij de doodsche stilte van een' stik donkeren 
nacht, in zulk een wild en bergachtig land. Op andere t^den 
van bet jaar, wanneer het harpoenen en steken van visch 
gedurende den nacht met minder goeden uitslag kan beogend 



95 

worden , visschen de Papoea's bij den dag met hengels en werp- 
netten; terwijl zij ook somwijlen gedeelten van naauwe bogten, 
kreken of kleine rivieren afdammen en sappen van vergiftige 
planten daarin uitstorten, waardoor de visch zoodanig be- 
dwelmd wordt, dat hij, na eenig springen en spartelen , boven 
komt drijven en met de hand kan gegrepen worden. Huisdieren 
hebben wij bij deze Fapoea^s volstrekt niet ontwaard , zelfs niet 
eens den anders zoo onafscheidel ijken begeleider van den mensch, 
den getrouwen hond. Het houden van varkens verbiedt hun de 
godsdienst, die zij werkelijk of slechts in naam belijden: want 
ofschoon de leer van Mohammed sedert lang bij hen' is inge- 
voerd, hebben zij echter slechts een zeer gebrekkig en verward 
begrip van haar en allerminst van haren eigenlijken geest. 
Zij bezitten geene tempels, bidden welligt nooit, en schijnen 
ook op kerkelijke plegtigheden of godsdienstige gebruiken, als 
het vasten, het ofieren voor de dooden en dergelijken, Weinig 
acht te slaan; immers hebben wij nergens een^ priester ontmoet 
om hen tot het uitoefenen van zoodanige vrome instellingen, 
door vermaning en lessen ofwel door eigen voorbeeld te kunnen 
opwekken. Het weinige, dat zij nog van hunne godsdienst 
weten, is met all^lei versierselen en fetichisch bijgeloof, 
het erfdeel hunner voorvaderen, doorweven. Zoo mogen zij in 
deze of gene rivier niet baden, in sommige bosschen geen hout 
hakken , en zoo meer ; want eene overtreding dier verbodswetten 
zoude door zware ziekten gestraft worden. Bij het ondernemen 
van gewigtige zaken brengen zij wel eens eene soort van oifer, 
onder anderen daarin bestaande, dat zij op zekere tijden een^ 
lap wit linnen aan stukken snijden, dien in de opene lucht 
voor zich uitleggen, er vervolgens eenig eten, drinken en 
sommige goederen bijzetten, en daarna, onder het opheffen der 
handen ten hemel, voorspoed over hunne ondernemingen 'en 
gezondheid en zegen over hunnen persoon afsmeeken. Behalve 
dat zij de formulieren van den Mohammedaanschen eed kennen , 
hebben zij nog eene andere wijze van beêediging, die zij veelal 
bij gelegenheid van verzoeningen wegens vroegere oneenigheid 
gebruiken. Zij nemen alsdan eenige wapenen, inzonderheid 
zwaarden, leggen die op den grond neder, en zweren met 



96 

opgehevene handen en het aangezigt hemelwaarts gekeerd, dat 
al hetgeen zij zeggen , waarheid is , en dat zij beloven , daaraan 
getroaw te zullen voldoen , of dat zij anders door die wapenen 
mogen worden vervolgd en vernietigd. — Zij onthouden zich 
van het gebruik van varkensvleesch en van dat der schildpadden, 
en begraven hunne dooden op Mohammedaansche wijze, met 
dat aanmerkelijke onderscheid echter, dat zij de beenderen , na 
verloop van een Ngaraksa of jaar, wederom opdelven en ze 
alsdan naar zekere rotsholten brengen. Zij rigten bij die- gele- 
genheid, op hunne ruwe wijze, een gastmaal aan, verzoeken 
alle vrienden en verwanten daarop, en vermaken zich met 
gongspel en dans, en met eten en drinken. Mannen en vrouwen 
zijn in hunne beste kleederen gedost en met bloemen en ge- 
vederte opgeschikt. Na aldus acht dagen lang in vrolijkheid 
te hebben doorgebragt, voeren zij de beenderen, in een mandje 
gepakt, naar de bepaalde plaats in het bosch over. De kosten 
van het gegeven feest worden gedragen door de gezamentlijke 
inwoners van het gehucht, waar de overledene geleefd heeft '5). 
Volgens Tiet onderzoek van den Heer van Delden, aan wien 
ik ook eenige van de bovenvermelde mededeelingen verschuldigd 
ben, wordt de nalatenschap van het overleden hoofd eener 
familie inzonderheid verdeeld onder de kinderen van het 
mannelijke geslacht. Gewoonlijk bekomen er ook de dochters 
een gering gedeelte van, hoewel zij, naar aangenomen regt, 
eigenlijk geene aanspraak op de erfenis maken kunnen. De vrouw 
blijft altoos in het bezit der goederen tot aan haren dood toe. 
In geval er geene mannelijke afstammelingen aanwezig zijn, 
komen de zoons van den broeder of broeders des overledenen 
als erfgenamen aan de. beurt, welke alsdan slechts een gedeelte 
der nalatenschap aan hunne nichten , dochters des overledenen, 
zoo die ër zijn, afstaan. Indien er echter ook geene broeders- 
zonen be3taan ^ vervalt alles aan de vrouwelijke linie en andere 
leden der familie, welke laatsten de nalatenschap zoo lang onder 
hunne bewaring houden, tot de meisjes van den overledenen 
uitgehuwelijkt of volwassen zijn. Dit regt van erfopvolging is 
aldus ingesteld , opdat de goederen niet gemakkelijk in vreemde 
handen zouden kunnen overgaan. 



97 

De Papoea's houden veel van feesten en nemen gaarne elke 
gelegenheid te baat, om dezelve aan te rigten. Meermalen in 
het jaar brengen zij onderscheidene dagen achter elkander door 
in gezelschappelijke vrolijkheid, waarbij, onder het aanhoudend 
bespelen van de Tifa en den Gong ^e), genoegelijk wordt ge- 
geten en gedronken, gedanst en geschoten. — De taal, welke 
dit strandvolk bezit, verschilt evenzeer van den tongval der 
bewon^s van Oeta en van dien der Mairassis, als van dien 
der inboorlingen uit het landschap Onin of Woni. De korte, 
achter deze verhandeling geplaatste woordenlijst, toont zulks 
aan. De eerstgemelden spreken echter ook meest allen Ceramsch, 
om welke reden het ons nuttig is voorgekomen, ook uit die 
taal een, aantal woorden daarnevens te voegen, ten einde den 
wederkeerigen invloed van de eene op de andere eenigzins te 
doen zien. Wij hebben enkele Papoea's te Lobo ontmoet, welke 
met terqgkeerende handelaren naar de Aroe-eilanden en naar 
Ceram reizen hadden gedaan. Een hunner , die vroeger eenmaal 
op Amboina geweest was, sprak vrij goed Maleisch en onder^ 
scheidde zich buitendien door beschaafdere manieren en ook 
door meerdere sluwheid. — De tijdrekening der Papoea's is 
ontleend van de moesons en van de beweging der aarde en 
der maan. Het verloop van een geheel jaar, of van het begin 
der eene moeson tot aan het einde der andere, noemen zij 
Nga/raksa. Eene moeson het NgwrahwiAa, Het tijdperk van 
eene maand, gerekend naar het wassen en afnemen der maan 
tot aan het nieuw opkomen van eene andere, draagt den naam 
van Oeransa, Yoor de oostmoeson rekenen zij gewoonlijk zes 
Oeransa's^ voor de west-moeson vijf, terwijl zij voor den tijd 
der kentering nog eene maand tellen, die Meti besar (groote 
ebbe) genoemd wordt, omdat alsdan de zee. het stilst en het 
verval van het water het sterkst is. De dagen [Mommat) worden 
naar licht en donker berekend, en tot aanduiding der ver- 
schillende tijdperken van den dag nemen zij den stand der 
zon te baat. Meti besar rekenen zij het te zijn, wanneer het 
blad van den ijzerhoutboom is afgevallen en er weder nieuwe 
blaadjes beginnen uit te botten , hetwelk ten naastebij in October 
plaats vindt. Alsdan maken zij een algemeen begin met de 

7 



98 

tripang' en karetBchildpadden vangst, en met het duiken naar 
paarlen. Het laatste geschiedt gemeenlijk in eene diepte van 
twee tot vijf vademen water en, naar de Papoea's verhaalden, 
op onderscheidene plaatsen langs de kust. De meeste paarlen 
zouden ingezameld worden bij de eilanden Lokahia, Poeloe 
Adie en Nametotte; voorts omstreeks den hoek Karoefa m in 
de groote baaijen Bitsjaroe en Argoenie. 

Gedurende ons verblijf van twee maanden in de baai Oeroe 
Langoeroe, kwamen er vaak Papoea^s bij ons aan boord, welke 
zich hoofden van deze of gene streek noemden. Eenigen hunner 
voerden den titel van Radja, anderen ilien van Drang kaja of 
van Orang toewah enzv., terwijl eindelijk enkelen zich Majoor 
en Kapitein noemden. De voomaamsten onder hen waren ie 
Radja's van Nametotte en van Lokahia , de hoofden van Kajof 
mejrah, Aidoema, Lobo en Mowara, en die van Wezels-eiland 
of Poeloe Adie. Volgens hun zeggen waren aij gedeeltelijk door 
Cerammers, namens den Sultan van Tidore, en gedeeltelijk bij 
verkiezing onder elkander tot die rangen verheven. Welke 
magt zij echter bezaten en welke verpligtingen het onder hun 
gezag staande volk jegens hen te vervullen had, konden wij 
niet te weten krijgen. Voor zooveel wij uit het gedrag, dat 
hunne onderhoorigen jegens hen aan den dag legden, konden 
opmaken , scheen het ons toe , dat het aanzien , waarin zij 
stonden, juist niet zeer hoog was. Men betoonde wel eenige 
gehoorzaamheid voor hunne bevelen, doch bewijzen van eigen- 
lijken eerbied bespeurden wij nooit. Omtrent de erfelijkheid van 
cenige der hooge rangen onder hen, werd ons het volgende 
bekend. Bij overiijden van een* Radja, volgt hem zijn jongste 
volwassen broeder in die waardigheid op. Sterft ook desse,dan 
vervalt het regt van opvolging aan den zoon van eenen ouderen 
broeder, en eerst wanneer ook deze ten grave is gedaiftld, kan 
de oudste zoon van den eerstgestorven Radja uit die familie, 
aanspraak op bet gezag maken. De opvolging blijft in allen 
gevalle in denzelfden stam , zöollang er van het mannelijke oir 
nog één afstammeling aanwezig is. Naar dezen regel behoort 
ook de plaatsvervulling der mindere hooMen te geschieden, 
hetwelk echter niet attijd" het geval is, daar het roer des gw5ag« 



99 

dikwerf door opikooping aan niet gei^igden wordt in handen 
gespeeld. De Orang kaja te Lobo, Loetoe genaamd, het hoofd 
van 268 gehuchten der Mairassis, op de bergen om de baai 
Oeroe Langoeroe gelegen , ontvangt jaarlijka , bij de komst der 
Gerammers, van voormelde bergbewoners, veertig bossen Massoj- 
schors, benevens eenige vogelen en eene kleine hoeveelheid 
tabak* Gelijkerwijze genieten ook de andere hoofden , op zekere 
tijden, van de onder hen staande Mairassis eenige schatting. 
De Badja van Nametotte, aan wien van ondsher het oppergezag 
toekomt over de geheele kost, van den hoek Karoefa af tot 
bij het eiland Lokahia toe, ontvangt telken jate eene bepaalde 
belasting ^ stoowel van de bevolking als van de hoofden , die 
in den omtrek op de eilanden en de kust aldaar, hunne woon- 
plaats hebben. — Yaste maatschappelijke instellingen, die den naam 
van wetten zouden kunnen v^dienen y schijnen de Papoea's niet 
te bezitten. De huwelijken worden op Mohamm'edaansche wijs 
gesloten, en dienvolgens kan ieder man, overeenkomstig feijne 
middelen van bestaan, onderscheidene vrouwen nemen. De 
bruidschat wordt geregeld naar het verinogen der personen. 
Gkswoonlijk bestaat dezelve in gouden en zilveren oorhangers , 
slaven , lijnwaden , gongs , vuurwapenen en dergelijken. — Mi»- 
daden, van welken aard dezelve ook mogen zijn, moord en 
doodslag niet uitgezonderd , worden alleenlijk met boeten gestraft. 
Bijaldien de schuldige niet in staat is, de hem opgelegde boete 
dadelijk te voldoen, wordt hem al ligt tot op zekeren tijd 
uitstel verleend; doch na verloop van dien nog altijd in gebreke 
blijvende, sonde alsdan hij, die eenen doodslag heeft begaan, 
somwö'len zdl om het leven worden gebragt. De betaalde boeten 
komen geéeritelijk aan de bdeedigde partij , en vervallen ander- 
deels aan de hoofden, welke de straf hebben opgelegd. Terwijl 
de euidelijke bewoners, btj de rivier Oetanat», hunne krijgs- 
gevangenM meestal dadelijk dooden, laten daarentegen de 
Papoea's, gelijk 2ij ass veraeekerden , de overwonnenen steeds 
in h€t leven, om hen tot slaven te maken. Yrede beweikstel^ 
Hgm stij door elkander wedetkeerig eene hoereelheid tabak 
te gemokt te zenden. Deüd gesSanten gaan, zoodta zij bij 
dka4r zijn gekomen, te aamen zitten rooken eUy Volgens 



« ■■ • 



100 

hunne staatsbc^rippen, aan het onderhandelen over het vredes- 
verdrag. 

Niet zelden worden de kustdistrikten^ van welke wij spreken, 
door roovers verontrust. De bewoners van het meer noordelijk 
gelegen landschap Onin en van het kleine eiland Karas, maken 
zich inzonderheid aan geweldige strooperijen schuldig. Deze 
gaan somtijds met vloten uit van vijftig tot meer dan honderd 
kano's en praauwen , waarvan elk met tien tot Veertig en soms 
met meerdere koppen bemand is. Zij overvallen de gehuchten, 
plunderen al hetgeen onder bun bereik valt,. voeren de men-- 
schen, die zij levend kunnen magtig worden, als slaven mede, 
vermoorden degenen, die hun hevigen tegenstand bieden, en 
verbranden vervolgens hunne huizen en dorpen. Gemeenlijk hebben 
deze gewelddadigheden plaats in den tijd der Meti besar, als- 
wanneer de zwervende bewoners dier streken , • allerwegen in 
kleine hoopen verdeeld, zich met de vi3ch vangst onledig houden 
en de zee het stilste is. Zelden echter strekken zich die roof- 
togten verder zuid-oostwaarts uit dan tot op de hoogte van 
Lokahia, dei|rijl bij de zuidelijker wonende Koiwaijers niet alleen 
slechts weinig voor die vrijbuiters te halen valt, maarzij aldaar 
ook bovendien meer tegenstand zouden ondervinden. Het is 
ons niet bekend geworden, dat zich de bewoners van Oeta en 
ommestreken aan soortgelyke rooverijen ooit hebben schuldig 
gemaakt. 

Vaste marktplaatsen werden nergens langs de door ons bezochte 
kust aangetroffen. De vreemde handelaren trekken van de eene 
baai naar de andere, en van gehucht naar gehucht, om de 
goederen hunner gading op te zoeken en in te ruilen. Het 
dorp Oeta is het uiterste punt om den Oost, werwaarts zich 
eenigen van hen begeven ; de meesten gaan niet verder dan tot 
Lokahia. Het is voor de geschiedenis van den kleinen kust- 
handel met Nieuw-Guinea niet onbelangrijk te weten, dat er 
onder de Moluksche volken zekere overeenkomsten bestaan, 
ten gevolge waarvan aan deze of gene eilanders het regt wordt 
toegekend^ om in zekere streken van het land der Papoea's 
uitsluitend te mogen handel drijven. Dit voorregt ontstaat 
meestal uit het toevallige eener eerste landing van eene Mo- 






J 



OH 



101 

lulcsche praaaw aan het eeue of andere gedeelte van het strand. 
Eenmaal aldus een nieuw punt tot het drijven van handel ontdekt 
hebbende, beschouwen zij hetzelve in dat opzigt zoodanig als 
hun bijzonder eigendom, dat zij eiken anderen kleinhandelaar 
van daar trachten te weren, zich bij eene toevallige ontmoe- 
ting zelfs het regt toekennende, om den zoodanigen te mogen 
beboeten, door een gedeelte zijner goederen verbeurd te verklaren. 
Dit aangematigde regt bepaalt zich gewoonlijk binnen de grenzen 
der groote distrikten, waarin het land verdeeld is. Wij hebbén 
reeds vroeger gezegd, dat het zuidelijke gedeelte der westkust 
van Nieuw-Guinea een distrikt bevat, door de inboorlingen 
Timakowa of Timoraka geheeten, hetwelk zich van de straat 
Prinses-Marianne, of welligt van de Valsclie Kaap af aan, 
uitstrekt tot op omtrent vijf graden zuiderbreedte. Van daar 
noord-westelijk tot nabij den hoek {Tandjong) Karoefa, heeft 
men vervolgens het distrikt Koiwai; terwijl het verder noord- 
waarts gelegene kustland, tot aan den uitersten noord-westhoek 
van het eiland, verdeeld is in de distrikten Onin en Nottan. 
Aan den noordkant yan Nieuw-Guinea eindelijk, ligt het 
distrikt Asmalas , dat zich tevens nog een goed eind langs het 
noord-oostelijke gedeelte uitbreidt; gelijk sommige Papoea's 
willen, tot bij het eiland Jobie toe« Het eerstgemelde distrikt, 
of dat van Timakowa , wordt door geene Moluksche handelaren 
bezocht, naardien de aldaar wonende menschen te woest van 
aard zijn, en ook het land, voor zooverre bekend is, weinig 
artikelen van eenige waarde oplevert. De vier andere distrikten 
daarentegen, zijn zoogenaamde Sosolafê^ een woord, dat in de 
Ceramsche taal een' doortogt en ook een aandeel {bahagiean) 
in iets beteekent. In dezen laatsten zin gebruiken zij hetzelve 
tot aanduiding eener landstreek, op welke, met uitsluiting van 
alle naburen, slechts door hen mag handel gedreven worden. 
Aldus vormt het distrikt Koiwai den Sosolat van het volk 
van Gisser; het distrikt Onin, dien van Ceram-lawut; het 
distrikt Nottan, dien van Keffing en Goram ; terwijl het distrikt 
Asmalas den Sosolat uitmaakt van den Sultan van Tidore. De 
laatstgemelde vorst, hoezeer zich dus, naar het schijnt, thans 
alleen vergenoegende met dit noordelijke gedeelte, als' datgene, 



102 

hetwelk aan zijue onderdanen de geschiktate gelegenheid tot 
den handel aanbiedt, heeft desniettemin wettige aanapraftk op 
de geheele knst, krachtens de opperheerschappij» welke bij, 
in vorige jaren, over Nieaw-Guinea en onderhoorige eilanden 
uitoefende. 

De handel langs de westkust van Nieuw-Guinea wordt nooit 
door middel van geld, maar alleen bij ruiling gedreven. Er 
bestaan zekere verhoudingen in de waarde der artikelen, die 
hoofdzakelijk in aanmerking komen. Ellen, maten engewigten 
zijn den Fapoea^s t^n eenemale vreemd. Wanneer zij met de 
Cerammers handelen, leggen zij hunne waren by hoopjes op 
den grond neder; dezen legg^i alsdan daar zooveel tegen, als 
zij meenen te kunnen geven en, het onderling met elkander 
eens geworden zijnde, strijkt ieder het aldus ingeruilde naar 
zich toe. Het bedrag van de waarde der goederen, welke 
jaarlijks van die streken worden uitgevoerd, laat zich moeijelijk 
bepalen. Naar het berigt, ona door de Papoea's dienaangaande 
gegeven , zouden er in het distrikt Koiwai gemeenlijk 25 tot 30 
praauwen elk jaar aankomen, waarvan 8omn:iige 8 tot 10 
Kojan's S7) laden. Behalve den reeds genoemden handel , drijven 
zij ook dikwerf dien in slaven, gewoonlijk uit overwonnen 
vijanden en andere gewelddadig weggevoerde menseben, voor-^ 
namelijk bergbewoners, bestaande. De Cerammers brengen 
dezelve meest naar de Ambonsche eilanden en doen hen aldaar 
heimelijk, bij wijze van uitlossing, aan andere inlanders over, 
voor den prijs van 50, 80 tot 100 gulden , naarmate van kunne, 
ouderdom enzv., per hoofd. De levende en opgezette vogelen, 
en de onderscheidene welriekende houtsoorten , die zij inruilen , 
zetten zij veelal op Banda en Amboina van de hand ; doch het 
overige gedeelte der lading brengen zij naar Bali over, alwaar 
zij die goederen aan verschillende handelaren , welke dat eiland 
vaak bezoeken, en voornamelijk Chinezen, Makassaren, Boe- 
ginezen, inlanders van de oost* en westkust van Borneo, van 
het oostelijk en noordelijk gedeelte van Sumatra , van Billiton en 
uit meer andere streken van den Archipel* zijn, eensdeels in 
ruil tegen koopwaren en anderdeels voor gereed geld a^ven. 
Op Bali zelf koopen zij, behalve rijst, vooral vuurwapenen en 



buskruid ia, waarmede 2\j den voordeeligsten handel op NieuW'» 
Guinea kannen drijven en welke goederen zij zich nergens zoo 
goedkoop kannen aan$ohaffen, zallende een geweer gewoonlijk 
slechts vijf spa^nsehe piasters, en een halve pikol of vijftig 
chinescbe kati's baskraid , niet meer dan vyftien piasters kosten. 

Hiermede heb ik. do Papoea's, hunne zeden en gebruiken, 
maatschappdijken toestand en betrekkingen met vreemdelingen, 
voor zoo verre geschetst, als onze onderzoekingen ons dezelve 
hebben doen kennen* Ik wend mij thans tot de bergbewonera 
of Mairassis, om ook omtrent dezen nog bet een en ander 
mede te dael^n. 

De weinige Mairassis, welke wij te Lobo gezien hebben, 
hadden, bij eene. middelmatige grootte, een gezond lichaama- 
gestel en, naar dezen oordeelende, moeten zij pm krachtiger 
volk uitmaken , dan de strandbewonende Papoea's van die streek^ 
Allen hadden welgespierdeleden, vrij regelmatige gelaatstrekken, 
eene donker bruine huid, geen bijzonder lang, awart haart 
dat aonder bewerking, in zgnen natuurlijken groei, wild om 
het hoofd hing, terwfll eenigen van hen tevens zware baarden 
droegen. !3ehal¥$ de etropk boombast, die, vaat om het midden 
gebonden en tusschen de beenen doorgehaald, hunne schaam^ 
deelen bedekte, gingen zij geheel naakt. Sommigen droegen 
snoeren van gedraaide bastvezelen om den hals , en ringen van 
gevlochten rotting om de armen en beenen. Hunne aangezigten 
hadden noch versierselen, noch de sporen van die gehad te 
hebben» Eenigen hadden een klein zakje aan een touw over 
den eenen schouder op zijde hangen. In hetzelve bewaarden 
zij eenige drooge tabaksbladen, een paar bananen, levende 
krabben en mosselen. Zij vertoonden zich steeds gewapend met 
een' bos lange pijlen , met een' boog en somtijds ook met eenige 
werpspiesen, welke wapenen zij gemeenlijk in de handen droegen. 
Met deze wapenen maken zij jagt op wilde varkens, kengoeroe's, 
casuarissen en andere viervoetige dieren en vogelen. Zij gebruiken 
daarbij ook kleine honden, die wij echter niet te zien hebben 
gekregen* De gevangene dieren strekken hun gedeeltelijk tot 
voedsel, gedeeltelijk tot ruilhandel met de Papoea's. Paradijs- 
vedels vangen zij meestal met eene sterk klevende, hars, waar- 



104 

mede zij .de bladen en kleine takken besmeren van zekere 
boomen, vier rijpe vrucht eene aanlokkelijke spijs is voor 
deze vogels 3<). De vangst der kroonduiven (Megapelia) ge- 
schiedt door middel van strikken, die zij in het bosch op 
den grond zetten >•); doch de papagaaijen halen zij nit gaten 
en holen van boomen, waar zich dezelve des avonds in ver- 
schuilen. Een bijzondere tak van bezigheid voor de Mairassis 
is het inzamelen van de massoj-schors. Zij zoeken den boom 
in de bosschen van het gebergte op, hakken denzelven nabij 
den grond om, en schillen van den stam en de grootere takken 
de schors af ^o). Somtijds zou men massoy-boomen vinden , wier 
omtrek beneden aan den stam van één* tot anderhalven vaam 
beslaat. — Omtrent de godsdienstige denkbeelden, zeden, 
gebruiken enzv. der Mairassis, heeft men slechts weinige, on- 
volledige berigten kunnen inwinnen. Wij zijn 'dezelve hoofd- 
zakelijk aan den Heer van Delden verschuldigd, op wiens gezag 
zij hier worden medegedeeld. 

De Mairassis brengen somwijlen offers aan de zon, daarin 
bestaande, dat zij eenige spijzen in de hoogte heffen, dezelve 
dit hemelligchaam aanbieden en, na een weinig in stilte te 
hebben gepreveld, ze vervolgens wegwerpen, zonder er iets van 
te gebruiken. — Eenen. eed leggen zij af onder aanroeping 
van de zon en den berg Lamantsjieri, waaruit zich laat afleiden, 
dat zij aan magtige geesten gelooven, die in deze beide, zoo- 
zeer onderscheidene ligchamen hunnen zetel hebben. Hunne 
bezwering is, dat zij door dezelve vernietigd mogen worden, 
bijaldien zij onwaarheid spreken of aan hunne gelofte ongetrouw 
mogten worden. Huwelijken worden bij hen op de volgende 
wijze gesloten. Een jongeling, genegenheid voor een meisje 
gevoelende , gaat naar hetzelve toe en geeft haar zijnen wensch 
te kennen. Wordt zijne bekentenis gunstig opgenomen, dan 
maken zij afspraak om op zekeren tijd heimelijk met elkaar 
te vlugten. Vooraf echter zet zich de jongeling aan het werk, 
om een stukje grond te bebouwen, hetwelk gewoonlijk in de 
nabijheid van den tuin der ouders zijner geliefde gelegen is. 
Dit gereed zijnde, begeven zich de beide jonge lieden met de 
eerste goede gelegenheid op de vlugt naar het bosch, zoovet4 



105 

voedsel met zich nemende , als noodig is om eenige dagen van 
te kunnen leven. Zoodra wordt intusschen het meisje niet door 
hare onders vermist , of deze maken groot misbaar , vooral wan* 
neer zij ontdekken, dat ook hun jonge buurman uit zijnen 
nieuw aangelegden tuin verdwenen is. Dadelijk geven zij van 
dit voorval kennis aan hunne nabestaanden, alsook aan die 
van den jonkman , en komen met de ouders van dezen laatsten 
overeen, om de beide vlugtclingen onverwijld in het woud te 
gaan opzoeken. Het duurt dan ook zelden lang of zij worden 
ontdekt, en wel altijd door de familie van den jongeling, als 
zijnde deze reeds vooraf van de geheele zaak onderrigt geweest. 
Nu wordt van de ontdekking aan de ouders van het' meisje 
kennis gegeven, hetwelk tusschen beide familiên eene overeen- 
komst ten gevolge heeft, waarbij de verbindtenis en de bruid- 
schat geregeld worden. Deze onderhandeling afgeloopen zijnde, 
wordt de schuilplaats van de jonge lieden aangewezen , die 
zich alsdan, in het bijzijn hunner ouders en bloedverwanten, 
ten teeken hunner echtvereeniging , wederkeerig eene kleine 
wond aan het voorhoofd toebrengen, zoodanig, dat er bloed 
zigtbaar wordt, en op dezelfde wijze verwonden daarna, over 
en weder, elkander alle leden van de beide familiên. Ieder man 
kan voor het overige zoo veel vrouwen nemen als hij verkiest. 
Bij sterfgevallen hebben de volgende gebruiken plaats. Iemand 
onder de Mairassis overleden zijnde, blijft het lijk den eersten 
dag binnen de woning liggen. Middelerwijl verzamelen zich 
alle buren en heffen een droef gehuil en gejammer aan. Yer- 
volgens wordt er eene stellaadje, uit twee schragen ter hoogte 
van 4 tot 5 voet bestaande, en van boven met een dik en 
sterk stuk boomschors voorzien, in gereedheid gebragt, waar 
het lijk, na alvorens gewasschen en, hetzij in linnen , geslagen 
schors , gevlochten boombast of eenige andere stof gewikkeld 
te zijn, op wordt nedergelegd en met Pandanus-bladen over- 
dekt. Na dit alles legt men onder het lijk een zacht vuur aan, 
hetwelk gedurende 25 tot 30 dagen zonder ophouden gestookt 
.wordt, zoodat zich op deze wijze alle vochten uit het ligchaam 
ontlasten en door de onderlaag van boomschors, welke tot dat 
einde van drie gaatjes is voorzien, in het vuur nederdruipen. 



106 



Wanneer het lijk aldus genoegzaam ia uitgedroogd , rigt de 
familie van den overledene, onder medewerking dar overige 
bewoners van het gehucht, een gaatmaal aan, bij welke gele- 
genheid bet lijk van de stelling wordt afgenomen en onder het 
dak van eene daartoe opgerigte hut, hoog boven den grond op 
eene vliering geplaatst. Het verzamelde gezelschap vermaakt 
zich met muzijk, zang en dans, en met eten en drinken. Allen 
zijn rijkelijk met velerlei bloemen, boombladeren en vogelve- 
deren uitgedost. Het feest duurt gewoonlijk zeven dagen, na 
verloop van welken tijd het lijk weder van de vliering afgenomen, 
vervolgens door de vergaderde menigte naar het bosch gebragt, 
aldaar in eene spelonk of rotshol nedergelegd en ouder boom* 
bladeren verborgen wordt. 



DERDE AFDËELING. 



Bezitneming der kast door het Nederlandsehe Gouvernement, 
benevens eenige algemeene denkbeelden omtrent de redenen , welke , onder 
anderen, daartoe aanleiding hebben gegeven. 



Bij eenen terugblik op hetgeen wij in den loop onzer ver- 
handeling omtrent het karakter en de onbeschaafdheid d» in- 
boorlingen van Nienw-Gninea vermeld hebben, soo op grond 
van eigene waarnemingen , als ten gevolge der ondervindingen 
van andere reizigers, kan het der aandacht niet zijn ontgaan, 
dat de bewoners van dit groote eiland, gedeeltelijk eenen zeer 
wilden en woesten, en in het algemeen eenen voorbeeldeloos 
valschen, roof- en oorlogznchtigen aard hebben. Om dit door 
bewijzen te staven, hebben wij in het, als inleiding dijende 
historisch overzigt, opzettelijk een aantal moorddadige aanran- 
dingen , door hen op Europesche zeevarenden ten uitvoer gelegd , 
met korte woorden aangestipt. De trouweloosheid hunner inborst 
zoude ongetwijfeld nog uit menig voorval kunnen blijken, 
indien ons de gebeurtenissen, die nu en dan tusschen hen zelven 
zulke bloedige tooneelen ten gevolge hebben , of die van tijd tot 
tijd de Moluksche kleinhandelaren treffen, welke hunne kusten 
bezoeken, met meer naauwkeurigheid bekend waren. Dit een 
en ander heeft dan ook waarschijnlijk niet weinig bijgedragen 
tot de vermindering der bevolking, inzonderheid van sommige 
stranddistrikten. 

Zooveel wij hebben kunnen opmerken, is de westkust van 
Nieuw-Guinea, van de Valsche Kaap af tot op 3 1 graad zurder- 



108 

4 

breedte, over het geheel slechts schaars bevolkt. Naar de ver- 
zekering der Cerarosche tolken, die ons vergezelden, zouden 
de stranden meer noordwaarts, in dedistrikten Onin en Nottan, 
sterker bewoond zijn. De bewoners van die beide landschappen 
hebben ook van oudsher den meesten handel gedreven, zoo in 
voortbrengselen van den grond als vooral in slaven, die zij 
meerendeels op de nu en dan naar de zuidelijke streken onder- 
nomene strooptogten konden meester worden. De Papoea^s van 
Lobo waren reeds dikwerf door hen verontrust en beroofd 
geworden en^ naar hunne verzekering, zijn er wijd en zijd in 
den omtrek nergens zulke gevaarlijke menschen, als in het 
distrikt Woni of Onin. Vooral zouden de gehuchten Boemakai, 
Djamban , Nesero, Bantoeni en Brauw, wier bewoners algemeen 
voor menscheneters gehouden worden, in dat opzigt berucht 
zijn ^1). Om deze reden zoude het dan ook geen handelaar 
wagen , die gehuchten ooit aan te doen , daar men dezelve niet 
dan met levensgevaar kan genaken. D^n, mogen deze opgaven, 
die ons door de tolken en door onderscheidene Papoea^s als 
uit é^nen mond zijn gedaan, ook al ^eenigzins o verdreven zijn , 
zeker is het, dat de Cerammers overal, v/aar zij dit eiland langs 
de westkust aandoen , steeds zeer op hunne hoede zijn , en zich 
nimmer geheel zorgeloos en gerust op de goede trouw der 
Papoea's verlaten. Dit mogten zij vooral niet vóör onze komst 
in diQ streken, daar er alstoen een volstrekt gemis was aan 
een beschermend gezag voor personen en eigendommen. Om 
derhalve langzamerhand zooveel mogelijk hierin te voorzien, 
behaagde het Zijne Majesteit den Koning te bevelen, dat de 
westelijke kust van Nieuw-Guinea nader opgenomen, aldaar 
een Nederlandsch etablissement gevestigd en de geheele kust, 
plegtig in Hoogstdeszelfs naam , zoude in bezit worden genomen. 
Dit Koninklijk besluit had ^ de boven bedoelde expeditie van 
de schepen Triton en Iris t«n gevolge, en het was bij die 
gelegenheid, en wel op den 24J"*"* Augustus 1828, den heu- 
gelijken verjaardag van onzen hoogst geëerbiedigden Koning, 
dat op Nieuw-Guinea voor het eerst de Nederlandsche 
vlag werd geplant, en zulks onder plegtige afkondiging der 
volgende 



109 
PROCLAMATIE. 

/^Alzoo door Z. M. deyi Koning der Nederlanden, Prins van 
Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg enz v.enzv. enz v., 
bij Ministeriele aanschrijving is bevolen, bezit te nemen van 
de kust van Nieuw-Guinea , van den 141"**'" graad oostelijke 
lengte van Greenwich op de zuidkust , en van daar west- en noord- 
waarts op tot de Kaap de Goede Hoop, op de noordkust gelegen. 

>yZoo ia het, dat ik, Amoldus Johannes van Delden, als 
daartoe door den Gouverneur der Moluksche eilanden, krach- 
tens resolutie van Zijne Excellentie den Luitenant-Gouverneur- 
Generaal over Nederlandsch Indiê, in Bade d. d. 31 December 
1827, Litt. U, geautoriseerd, hier in het openbaar en in het 
bijwezen van de Commandanten van Zr. Ms. korvet Triton, de 
brik Siewa en de schoener Iris, en de Heeren Officieren van 
gemelde bodems, den Commandant en Officieren van het De- 
tachement militairen , de Heeren Ambtenaren , uitmakende de 
Commissie van Natuurkundig onderzoek, benevens de equipa- 
giën en manschappen van Zr. Ms. vaartuigen en het Detachement 
voornoemd, verklaar, in naam en vanwege Zijne Majesteit den 
Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot- 
H^ertog van Luxemburg enzv. enzv. enzv., bij deze plegtig bezit 
te nemen van dat gedeelte van Nieuw-Guinea en de landen daar 
binnen liggende, aanvang nemende van den 141"^^ graad lengte 
oostelijk van Greenwich op de zuidkust, en van daar west-, 
noord-west- en noordwaarts op tot de Kaap de Goede Hoop, 
op de noordkust gelegen, behoudens evenwel de regten, welke 
de Sultan van Tidore op de distrikten van Mansary, Karong- 
defer, Ambarssura en Amberpon zoude mogen hebben. 

//En opdat van deze bezitneming te allen tijde zal kunnen 
blijken, zal door mij van deze plegtigheid worden opgemaakt 
Proces- Verbaal, om te dienen daar en waar zulks mogt behooreu. 

//Aldus gedaan op heden den vier-en-twintigsten Augustus 
achttien-honderd-acht-en-twintig. // 

//De Commissaris tot het in bezit nemen van 
//de westkust van Nieuw-Guinea, 

//VAN DELDEN. ^ 



lïO 

De plaats, waar het nieuw gebouwde fort Du Bus stond, 
ontving den naam van Merk us -Oord , ter eere van den toen- 
maligen Oouvernenr der Moluksche eilanden; terwijl tevens 
bepaald werd, dat Ae baai Oeroe Langoeroe en de daftr naast- 
liggende straat Saraweri Wonrat, welke het eiland Aidoema 
van den vasten wal afscheidt, tot herinnering aan de schepen, 
welke aldaar het eerst hebben gekruist, voortaan den naam 
zouden dragen van Tritonus baai en Iris^straat. 

De Triton 's baai bestaat uit een ruim bekken « hetwelk omtrent 
twee geogr. miilen diep en éétié mijl breed is; g^eel naat 
binnen wordt het iets naairwer. Op den aehteigrond van dese 
ten Oosten en Westen door rotsige en steile hoogten be^omde 
kom, verheft zich de berg Lamantsjieri, waarvan de zuid- 
oostelijke voet fn eene zacht gtooijende vlakte uitloopt, welke 
den noord-westelijken oever der baat rormt. Dit is de eenige 
geregelde vlakte, door ons in die streek gevonden , waarom dan 
ook daar, aaii den kant der zee, de sterkte geplaatst werd. 
Haar bodem bestaat uit kalkgrond , die een weinig met kwarts^ 
zand en kleiaarde is vermengd , eene lichte kleur heeft en van 
boven bedekt is met eene laag plantenaarde, gemengd met 
kalkgrond , ter dikte van omtrent één' voet. Er werd tot acht 
vod^n diep in den grond gegraven, zonder dat men op rotsen 
stiet. Daar, waar de isterkte ligt, bestaat do oever uit eene 
strook wit zand, waarin men, hij het delven van een' kuil, 
reed» op eene diepte van anderhalven tot twee voeten , goed 
drinkwater vond. Niet ver oostelijk va» daar ontlast zich eene 
rivief in de baai, Walar Timbona genaamd. Dtze komt ait 
eene dieper kbof , tasseken de b^gen Lamantsjieri en Oriori 
gelegen. Bij haren mond lójn de oevers laag en moerassig. Dit 
lagere stnindgedeeite is van eene groote, ondd&pe bank van 
aaehten kieigrond omgeven, hier en daar met kalkzand ver- 
mengde. Deze bank neemt meer dan de hdft van do binnenbaai 
in, ea iaat alleeib aan den westkant dersielv^ een smal, maar 
zuiver en diep vaarwater voor schepen open. Midden in de 
wijde bogt liggen onderscheidene kleine eilandjes en klippen 
boven water, en mmt naar buarten , wor den ingang der baai , 
vindt meii JnsgélijkB- eenige kleine eilandjes en boven het water 



111 

uitstekende klippen. De laatsten zijn, even als die binnen de 
baai en in de Iris-straat, van eenen koraalbodetn , die bij de 
helderheid van het water de schoonste kleuren vertoont. De 
diepte der baai, van den ingang af, langs den westkant der 
eilandjes tot aan den hoek Koemoera toe, bedraagt tusschen 
de 60 en 80 vademen; terwijl zij van het laatstgenoemde punt, 
langs den Z. W. wal tot op ongeveer f kabelleijgte van 
den oever, vóór het fort, langzaam afneemt van 30 tot 5 
vademen. 

Daar de geheele vlakte op den achtergrond der baai met een 
zwaar bosch van reusachtige stammen bedekt was, kostte het 
niet weinig moeite eene opene ruimte van zekere uitgestrekt- 
heid te bekomen. Er werd gedurende zeven weken door de 
equipagie der korvet Triton en het detachement militairen, 
bestemd voor de bezetting van dezen nieuwen post, met groote 
krachtsinspanning aan het omhakken der boomen, het weg- 
slepen en verbranden van het hout , en het bouwen der sterkte 
gearbeid. Vele manschappen werden weldra ziek en het ging 
de Officieren en ook ons niet beter. Koude en heete koortsen, 
dyssenteriën en hardnekkige rheumatische aandoeningen heersch- 
ten het meest. Met de Pebres intermittentes was doorgaans eene 
min of meer sterke, zuchtige geneigdheid verbonden, die bij 
de lijders weldra dik gezwollene beenen en andere ongemakken 
ten gevolge had; de meeste manschappen stierven echter aan 
rotkoortsen, die dikwerf in weinige dagen eene ongemeene hevig- 
heid en kwaadaardigheid erlangden. Hoe weinig verblijdend 
deze omstandigheid ook was, zoo schreven wij dezelve toch 
meer aan schadelijke uitwasemingen van den pas onblooten 
grond , aan het gebrek van goed , versch voedsel en aan het 
onafgebroken zwaar werken toe, dan aan het luchtgestel van 
het land zelf. Wij hoopten , dat , de grond eenmaal behoorlijk 
uitgedroogd en van alle onreinheden gezuiverd zijnde, het 
verblijf aldaar, bij een geregeld leven en een goed voedsel, 
even gezond zoude zijn als aan de stranden in de Molukken. 
Deze hoop echter heeft zich, helaas, niet bevestigd: het oord 
bleef in eenen hoogen graad ongezond. Ten gevolge der voort- 
durende ongunstige berigten dienaangaande, verleende Zijne 



112 

Majesteit, in 1835, aan het Indische Bestuur magtiging om 
het Nederlandsche etablissement naar een geschikter en 
gezonder punt te verplaatsen, en terwijl de in de Molakken 
gestationeerde oorlogsvaartuigen zich met het opsporen van 
zoodanig geschikt punt, en ook met het doen van wetenschap- 
pelijke onderzoekingen onledig hielden, achtte men het nood ig, 
de door ziekte afgematte bezetting het fort Du Bus voor* 
loopig te doen ontruimen. 



REIS 



IN HET ZUIDELIJK GEDEELTE 



YAN 



BORNEO, 



GEDAAN IN HET JAAB 1886. 



# > 



LIJST 



VAN 



EENIGE WOORDEN UIT DE VERSCHILLENDE TALEN TER ZÜID-WESTKÜST 

VAN NEÜW-GÜINEA GESPROKEN WORDENDE. 



De zoD. . . 
De maan. . 
De sterren. 



De aarde. . 
Het water. . 
Eene rivier. 

De regen. . 
De wind. . . 
Het vuur. . 
De ochtend. 
De middag. 
De avond. . 
De nacht. . 



Het licht. . . 
De dnistemis 
Ben berg. . . 
Een boom. . 

IËen mensch. 
Ben man. . . 
Ben vrouw. . 



Der inboorlingen 
bg de rivier Oe- 
tanata. 



Djanw. . . . 
Oeran. . . . 



Tiri 

Warari. . . . 
Warari na- 

petike. 
Koma. . . . 
Lowri. . . . 
v/Cta. . • . • 
Kameti. . . 
Kameti aroa. 
Djanw aroa. 
Tapo 



Der Fapöea*8 van 
Lobo en nabu- 
rige distrikten. 



Pamogo. 
Pah. . . 



Orah 

Foeran. . . 
Koma koma. 

Ena. . . .\ 
Walar. . . . 
Walar nabe- 

tik. 
Komah. . . . 
Lowie. . . . 

Lawi 

Sinenere. . . 
Oertoto. . . 
.Oerwawa. 



Der Mairassis bg 
Lobo. 



Marowana. 
Koeranie. 



Niciawa 
Momat 
Foekar. . . . 
Kajoe akar. 
Teima,Orang. 
) Marowana. . 
Mawina. . . 



Ongoeroe. . 
Foeran. . . . 
Waniwani. . 

Gengéna. . . 
Wata. . . . 



«Famo. . . . 
Woreei. . . 
Iworo. . . . 



Tiernawera. 
Njoenabara. 
lÖhanouw. . 
Fatakowa. . 
Eweei. . . . 



Der bewoners van 
bet landschap 
Qnin of Woni. 




Bera 

Foenono. . 
Apatin nofa- 
rere. 

Gai 

Weari. . . 
Weraboean. 

Oenano. . . 
Giriko. . . . 

Api 

Sirarar. . . . 
Rera faroear. 
Bera samana 
Gogam go- 

gam. 
Maram. . . . 
Gamopan. . 
Terio. . . . 



Marara. . . 
Matapais. . 



Ceramsch. 



Olara. 

Woelana. 

Witoeïna. 

Tana. 

Aar. 

Aarsenoe. 

Oerana. 

Angin. 

Afi. 

Olar anrani. 

Olar katoto. 

Olar galiea. 

Garan. 

Masir. 

Garagaran. 

Oekara. 

Kaire. 

Manoesia. • 

Orana. 

Wawine. 

8 



114 





Der inboorlingen 
bg de ririer Oe- 


1 

Der Papoea's van 
Lobo en nnbu- 


Der MatraMis bij 
Lobo 


Der bewoners ran 
het landschap 


Ceramsch. 


Ben kind. . . 


tanata. 


rige distrikten. 




Onin of Woni. 


1 
1 


Moetoekie. . 


Tamanetto. 


Janyani. . . 


Saboban. . . 


Anak. • 


Een slaaf. . . 
Het hoofd. . . 


Man oké. . . 
Oepaaw. . . 


Mooi 




Arobi. . . . 
Onimpatin. . 


Mooi. 
Itoenini. 


Monongo , . 


Nangoewoe. 






Oemoen. 




• 




Het haar. . . . 


Oeïri. ..... 


Monottgfoe- 


Naiigoekatoe. 


Ampoewa. . 


Oekar. 


De oogen. . . 


Mameh. . . 


roe. 
Matalongo. . 


NamboQtoe. 


Matapatin. . 


Matanini. 


De ooren. . . 


lanie 


Tringango. . 


Newirana. . 


Tanigan. . . 


TalingaDini. 


De neas. . . . 


Birimboe. . 


Silcaiongo. . 


Nambi. . . . 


Wiriir. . . . 


Isowanioi. 


De mond. . 


Irie 


Oriëngo. . . 


Naros. . . . 


Soeman. . • 


lioanini. 


Db^ii^^den. /. 


Titi.. .!. . ; 


.Ütdewotongo;. 


Sikn... ; . . 


l^lfkn. 


JNisikoanini. 


De tong. . . . 
De wangen. . 


Mare. ♦ . .. • 
Awamoe. . . 


Kariongo. . 
Wafiwlriongo: 


Nenecroen. . 




Kealonini. 


Kamorkawa.' 


1 
1 


Tafar. 


De hals. . . . 


Erna 

Iwouw. . . . 


Garang. . . 
Kanbonago. 


Nim&rara. . . 




Toltolanini 


De buik. . . . 


Newoeroe. . 


Pitoean. . . 


lioanini. 


De rug. .... 


Oerirai. . . . 


Hoesokongo. 


Newoeroe 




Kotano. 








nembai. 






De armen. . . 


Too 


^ïiyiAni70 






Imara. 








. OkorwUa. . 


^ « 


loaanini. 


De vingers.. . 




Nimangoaoro. 


Amooi. . , 


....'.... 


Rangrang. 


De nagels. . . 


Dja. , . . . . 


Bombo. 








De Ipillen, . . 


Atopoe. . . 


p * t • * •■ • • 


Nasnawera. 




liosaka. 


De beénen. . . 


Imirie, . . . 


Karingo. . . 


Okora. . . . 


• • • ••*#• • 


Keani. 


Het dijbeen. . 


Ai. . . : . . 


WiUimima* . 


•#•• ««f** 




Faar. 


De knien^ . . • 
De kuiten. . . 


Tri HO A' 








Keani woekoe 
Keani bobsal 




Larawètoe. . 


OkorwaL . . 


• • • • 


De voeten. . . 


Mouw. . . . 






Nimin!?2i«.ig 


Keani roewor. 


Groot. . . . 


Napeüké. . . 


Nabetik, . . 


Naweerkai. 


Aboeaui. . . 


Bobak. 


La'Vig. • . . . 


MarAMTAfii. . 


Maraw«a. . . 


Ganagana. . 


Manawaso. 


Malas. 


Ver weg. . . . 


Maraw>it« . . 


Oo, Nauw., 
Nanga. . . 




Bairi. . . * . 


RauQ. 


Kort 




Tomba. . . 


Kandiöra. . 


Fisio 


Toektoek. 


Klein 


Meméti. . . 


Netoe. . . . 


WonsQ woDso. 


Koikoito. . 


Ototaktoekoc. 


Rood 

Wit 


1 
Nïipeteharo, 

Topokoe. • 


Wambar. . . 






Merameia. 
Mafoeti. 


Rakaraka. . 




Sabok. . . . 


Zwart. . . . . 
Mooi 


Ikoko. . . ■ 
Nata^ . . - . 


Moitan. . . 


, 


Kamoeso. . 
Sajoi. . . . 


Metan. 
Baban. 


Nagewi. . . 


Kanioeria. . 


Goed 


Temonifi. . 






Manifia. . ■ 


Baik. 


IJzer 


• 

Poeroetie. . 


Woeroesesi , 


WoersAsi. 


Moemoemoirü 






MoeJïiioemoer 


^ 


» 




Hout. 


Kai 


Kai 


Iwoe. .... 


Kajoe. . . . 


Kai. 


Eensagoboom. 


Amati. . . . 




1 




Kela. 













113 



1 



Sagomeel. . 

Bamboes. . 

Bindrotting. 

Gras. .... 

Roode peper. 

Vlassoi'schors 

Een pompoen. 

Ëene kokos- 
noot. 

Eenemuftkaat- 
noot. 

Tabak 

Saikerriet. . 

Pisang. . . . 

Ben yarken. 

Een hond. . 

Een visch. . 

Ëene krab. . 

Eene sehilcl- 
pad. 

Een schildpad- 
den-ei. 

Een hois. . . . 

Eene leil- 
praaow. 

Zeilen. 

Eene kano. . 

Een pagaai. . 

Een boog. . . 

Een pijl. . . . 

Schieten. . . . 

Een piek. . . . 

Eene werp- 
spies. 

Een mes. . . . 

Een hakmes. . 

Scherp 

Eeb armband. 

Koralen. . . . 

Eene trom. . . 

Iets bewaren. 

Koopen. . . . 



Der inboorlingen 
b^ de rivier Oe- 
tanata. 



Kinanie. 
Boniti. . 
Kema. . 
Matere. . 
Maresen. 
Triga. . 
Apoeni. 
OeteFi. . 

Oeteke. . 

Kapakt. 
Mone. . 
Kauw. . 
Oeh. . . 
Woerie. 
Ërika . 
Pia. . . . 
Piako. . 



Piagoe. 

KamL . 
Piari. . 



Kopoti. . 
Koe. . . 
Poo. . . 
Awoeré. 
Tihareh. 
Ihege. . 
Kareb. . 
Oki. . , . 



Pagati. . 
Tai. . . . 
Nakewi. 
Toetoeroe 
Kamori. 
Momoka. 
Namatorani 
Pain. . . . 



Der Papoea's, van 
Loho en naljo- 
rige difltrikten 



Kakana. . 
Karawattoe 
Koewfth. 
Roeroet. 



Masooi. 
AmboD. 
Nioe. . 



Pala. . . 

Tambako 
Towoe. . 
Foedi. . . 
Booi. . . 
Kawoena 
Dondi« .. 
Karakka. 
Sarab. . 



Sarin. 
Bieri. 



Siroeroet. 



Kewoh. . . 
Larakai. . 
Bakareroe. 



Toeri. 

Benda. 

Mangan. 

Rimbia. 

Remar. 



Mataro. . . 
Tamangoeri. 



T 



Der Mairaasis b^ 
Lobo. 



é 



Mowasé. , 



Masooi. 



Owab* 
Balla. 



Tabako. 
>{eei. • . 
Wefci. . 
Bemba« • 
Antsing. 
Ko eratoe. 



W^tara. 
Ëra. . . . 

Waaoso. 



Kewoea. 
Jorongo. 
Tewei. . 



Mangoeriomo 



Der bewonen van 
het landaehap 
Onin of Woni. 



Inano. 



Sapoefto 
Misooi. 
Sambili:i 
Roeroh. 



Tabako. 
Tepio. 
Focgi. 
Papio. 



Sairi. . 

Araof. 

Fenoe. 



Fenoe patin 

Roemasd. 
Raioboeam. 



Afairo. . 
Raikoikoi 



Poesir. 



Baitoe. 
Tibori, Wasar 

Toeni. . . . 
Sagafisi. . . 
Magani. . . 
Jano 



Afona. . . . 
Atona. . . . 



Ceramsch. 



Baire. 

Oeloera. 

Orara. 

Imaka. 

Maresen. 

Aikorara. 

Laboena. 

Nieöera. 

Pala. 

Tabako. 

Tonara. 

Foedira. 

Booi» 

Kafoenar. 

Ikana. 

Karakara. 

Fenoera. 

Fenoe tellora. 

Roema. 
Anga. 

Sobal. 

Angtiaa. 

Wosara. 

Oesoera. 

Wanoenoeka. 

Tafanak. 

Golagolar, 



Toeri ka. 
Pedara. 
Matare. 
Ritoera. 

Solata. 

Daroe. 



116 



1 



Verkoopeo. 
Stelen. . . . 
Bang zijn. . 
Zitten. . . . 
Liggen. . . . 
Staan. . . . 

Gaan 

Loopen. . . 

Spreken. . . 



Zingen. . 
Hoesten. 
Lagchen'. 
Huilen. . 
Fluiten. 
Slaan. . 
Slapen. . 
Opstaan. 
Honger heb- 
ben. 
Dorst hebben. 



Der inboorlingen 
bij de rivier Oe- 
tanate. 



Der Papoea's van 
Lobo en nabu- 
rige distrikten. 



Tomo. . 
Napopari. 
Aipa. . . 



Aikai. . . . 
Ikonago. . . 
Djaga. . . . 
Ikomorie. . 



Der Maira«8i8 bij ^' ^7°*" !" 

Lobo I *"* landschap 

Onin of Woni. 



Eoesembera. 



Koemetato. 
Tamatoren. 
Koekeimanse. 
Tamariri. . . 
Oetangi. . . 
Tafararoe. . 






Iwar. 



Iwari. . . 



Oetai. . . . 
Okoe. . . . 
Makeh. * . . 
Wareh- . . . 
Eatari. . . . 

Ete 

Etc pokari. . 
Pitiri 



Fierkeei. . . 
Jono 



Tewiawoe. . 

Itirie 

Osoh. , . . . 
Soerah. . . . 



Arematigati. Garang nao- 



Tawa olala. 
Wanroe. . . 
Marifi. . . . 
Tetangies. . 
Fangoes. . . 
Misingie. . . 
Et) ken af. . . 



Bitiri. 




woes. 
Koeko. . . 
Makienoe. 



Sajei 

Ongara. . . 

Teta 

Fonga. . . . 
Eorkörria. . 
Tetewi. . . . 



N^een. . . . 
Ziek. . . . 
De dood. . 



I 



Aroa. . . . 
Pakana. . 
Matigati. . 
Namata. . 



Lakoe. 
Eauw. , 
Oro. . 
Maratei. 
Nawitik. 
Namata. 



Omkatoe. . 

Namgoenoe. 

Mewa. . . . 
Nimgara. .' . 



Oniona. . . 
Eeme. . • . 

Oro 

Indanamba. 

Wita 

Jaweta. . . . 



Papena. 



Biataito. 



Tabana. . . 

Opitiu, Alte- 
ra. 

Asoerat, Si- 
roerat, Fou- 
werwai. 

Eamea. 



Marawa. . . 
Mariri. 
Abeluroe. . 

Gainamara. 

Amoeananoe. 
Kinoen. . . . 
Asioboh. . . 

Joi 

Ono 

Joh. .... 
Matio. - . . . 
Isin bojara. 
Mate 



Ceramach. 



Fakalioes. 

Tomé takot. 

Tamatofan. 

Loesloesson, 

Tamariri. 

Tagi. 

Tafalaro. 

Sabie. 



Tauwo. 

Taoilif. 

Tatangies. 

Tafagoes. 

Seboekat 

Takifit. 

Matawiti. 

Eomongala- 

nako. 
Takafanga. 
Tinoe. 
Eosobakaim. 
Kito. 
Eaun. 
Nai. 

Naitei,Tei. 
MorsingaU 
Tamata. 



117 



GETALLEN. 



1 

2 

«)•••• • ■• 
%• • • * 
5 

6. . ; . . . 

f ■ • • ■ • • 

8 

9 

10 

11 

12. fenav.) 



20. 



25. 



30. 



bOm' . • • • 

100. . . . 
1000. . . . 



Oer inboorlingen 
bg rivier Oe- 
tfoiata. 



NB.BgdeOeta- 
bewoners zijn ons 
geene bijzondere 

uitdrukkingen 
voor de onder- 
scheidene getallen 
bekend geworden. 
Wanneer zg een 
zeker getal wilden 
aanwgzen, deden 
zg zulks met de 
vingers, en bij het 
optellen herhaal- 
den zij, na eiken 
bijgevoegden vin- 
ger, telkens het 
woord Jw«ri. 



Der Papoea's van 
Lobo en nabu- 
rige distrikten. 



Der Maiiassit 
Lobo. 



¥ 



Der bewoners van 
het landschap 
Onin of Woni. 



Ceramsch. 



Saroosi. . . 
Roeëti. . . . 
Touwroe. . 

Faat 

Rimi. .... 
Rim-samosi. 
Rim -roeëti. 
Rim-toawroe. 
Rim-faat. . . 
Woetsja. . . 
Woet8Ja-re- 
sin-kasamosi. 
WoeC8ja-re- 

sin-karoeëti 

(enBv.). 
Sekoemat' 

foeëti. 
Sekoemat- 

roeëti-resin- 

rim. 
Sekoemat- 

tóuwroe. 

^ekoomat-rim 

RaatBJa. . . 

Reboensa. . 



Tangaaw. 
Amooi. . 
Earia. . 
Aai. . . . 
Iworo. . 
Iworamooi. 
Iworkaria. 
IworaaL 
Neeiwora. . 
Werowamooi 
Ne*tangaaw. 

Ne-amooi 
(ensv.). 

Ijauw^nat-ma- 
kia. 



Sa 

Noewa. . . . 

Ten! 

Faat 

Nima. .... 

Nem 

Tarassi. . . 
Taranoewa. 
Sapoeti . . . 
Poesoea. . . 
Po«soea-resi- 

sa. 
Poesoea-resi- 

noewa(eii»v.)- 
Poeti-noewa. 

Poeti-noewa- 
lesinima. 

Poeti-ieni. . 

Poeti-nima. 
Ratja. • . . 
Repisa. . . « 



Sa. 

Roti. 

Tolo. 

Faat. 

Lim. 

Onam. 

Fitoe. 

Aloe. 

Sia. 

Oetsja. 

Oetsja-resi- 

kasaL 
Oetsja-resi- 
ka-roti (enzv). 

Oetroe. 

Oetroerreii- 
ka-lim. 

Oetolo. 

Oetoe-iim. 

Raatsja. 

ReÖeosa. 



111 

uitstekende klippen. De laatsten zijn, even als die binnen de 
baai en in de Iris-straat, van eenen koraalbodetn , die bij de 
helderheid van het water de schoonste kleuren rertoont. De 
diepte der baai, van den ingang af, langs den westkant der 
eilandjes tot aan den hoek Koemoera toe, bedraagt tusschen 
de 60 en 30 vademen; terwijl zij van het laatstgenoemde punt , 
langs den Z. W. wal tot op ongeveer | kabelleijgte van 
den oever, vóór het fort, langzaam afneemt van 30 tot 5 
vademen. 

Daar de geheele vlakte op den achtergrond der baai met een 
zwaar bosch van reusachtige stammen bedekt was, kostte het 
niet weinig moeite eene opene ruimte van zekere uitgestrekt- 
heid te bekomen. Er werd gedurende zeven weken door de 
equipagie der korvet Triton en het detachement militairen, 
bestemd voor de bezetting van dezen nieuwen post , met groote 
krachtsinspanning aan het omhakken der boomen, het weg- 
slepen en verbranden van het hout, en het bouwen der sterkte 
gearbeid. Vele manschappen werden weldra ziek en het ging 
de Officieren en ook ons niet beter. Koude en heete koortsen, 
dyssenteriën en hardnekkige rheumatische aandoeningen heersch- 
ten het meest. Met de Pebres intermittentes was doorgaans eene 
min of meer sterke, zuchtige geneigdheid verbonden, die bij 
de lijders weldra dik gezwollene beenen en andere ongemakken 
ten gevolge had; de meeste manschappen stierven echter aan 
rotkoortsen , die dikwerf in weinige dagen eene ongemeene hevig- 
heid en kwaadaardigheid erlangden. Hoe weinig verblijdend 
deze omstandigheid ook was, zoo schreven wij dezelve toch 
meer aan schadelijke uitwasemingen van den pas onblooten 
grond , aan het gebrek van goed , versch voedsel en aan het 
onafgebroken zwaar werken toe, dan aan het luchtgestel van 
het land zelf. Wij hoopten , dat , de grond eenmaal behoorlijk 
uitgedroogd en van alle onreinheden gezuiverd zijnde, het 
verblijf aldaar, bij een geregeld leven en een goed voedsel, 
even gezond zoude zijn als aan de stranden in de Molukken. 
Deze -hoop echter heeft zich, helaas, niet bevestigd: het oord 
bleef in eenen hoogen graad ongezond. Ten gevolge der voort- 
durende ongunstige berigten dienaangaande, verleende Zijne 



120 

het fferbarntm ilmóotnefiM , Vol. I. p. 85, onder den naam Tan Bissola, 

besclire venen palm. 

'*) Areca macrocalyz et pnnicea; onder dese namen door den Hoogleeraar 

Blame, in zQne Rumphia, Tab. 101, 121 , 160, afgebeeld. 
*>) Sagos illaris , 1. c. Tab. 128. 
*>) Kentia procera , 1. c. Tab. 106. 
") Ptjchosperma Bamphii, angnstifolia et appendicalata , 1. c Tab. 

83, 84, 156. 
») Anrasiaca excelsa, 1. c Tab. 122. 
'■) Uit deze familie ontdekten wQ eene ongemeen fraaie soort , met beerlijk 

roode bloemen; ly is aljgebeeld in de ÜumpAta, Tab. 190, onder den naam 

Dendrophila trifoliata. 

**) Phascogale melas , nob. Zie de Verhandelingen ever de Natuurl^ke ge- 

Mchiedenie der Nederlandseke overzeesehe bezittingen. Zoölogie. Mammalia, 

p. 149, PI. 25. 
'^0 Door ons in de aangehaalde Verhandelingen^ p. 129 en yolgg., PI. 19 en 

20 , nitYoerig beschreven en naar het leven afgebeeld onder de namen Den- 

drolagns nrsinns en Dendrolagns innstns. 
») Verhandelingen, p, 129, PI. 21. 
>*) Voyage de V Astrolabe. Zoölogie, PI. 16. . 
**) Deze nog onbeschreven koekkoek is een weinig grooter dan oose 

gewone Enropesche. Hij is byna eenklenrig zwart , althans het onde mannetje, 

bij hetwelk de bovendeden van het ligchaam eenen zwartachtlg-gproenen tint 

vertoonen , terwyi de bnik meer naar het roet-zwarte trekt. Midden over de 

kmin , van den wortel des heks tot aan het achterhoofd , loopt eene breede , 

zniver witte, overlangsche streep, en ook de onder-dekvederen van den 

staart , alsmede de pnnten van de staartvederen zelve, hebben eenen smallen 

witten zoom. — 

*^) Volgens de uitspraak der westelQke Papoea's , Kasoeurari. 
**) Deze merkwaardige pantser-hagedis, welke op sombere en stille plaatsen 
in de hooge bosschen leefk, werd door mij in 1830 , onder den geslachtsnaam 
Centroplites, aan s' Bijks Mnseum te Leiden toegezonden, en ook in de 
Bijdragen tot -de natuurkundige wetenediappen, D, 5. p. 176 aangeduid, terw^I 
zij in het negen jaren later nitgekomene, vijfde deel der ^977^fo/o^« van' de 
SuiUe a Buffan , naar een voorwerp , door mi) verzameld , onder den ver- 
anderden naam van Tribolanotns beschreven staat. 

**) Van dezen nienwen monitor is door ons eene , naar het leven vervaar- 
digde, afbeelding en beschry ving medegedeeld in de Verhandelingen^ Zoölogie, 
Beptilia, p. 42, PI. 5, terwifl wij ten opzigte van Ceratophryx tnrpicnla ver- 
wijzen tot Schlegel's AUbildungen neuer oder unvollstandig bekannter Amphi- 
bienj p.SOjPl 10 Jlg. 4. 

*") Op de boven vleugels loopen , over een zwart veld , twee boogvormige , 
geelachtig groene banden , terwijl de ondervlengels goudgeel gevlekt zQn , op 
een grasgroen middel vlak , hetwelk met fluweelzwart omboord is. 

*') Verhaal van eene reize naar en langs de ztUd-wesAust van Nieuw- 
GuineOy 1830. 



121 

**) Reize door den zuidelijken MoL Arch, enzv. p. 351. 
- V) De langste lans^ die bij de plaats gehad hebbende schermutseling in 
onze handen viel , is mim 2,5 meters lang , de grootste boog omtrent 2 
meters, en de pijlen honden het midden tusschen 14 tot 15 palmen. Over het 
algemeen is het zamenstel en maaksel dezer wapenen vrij kunstmatig, stevig 
en niet zonder smaak , hetgeen te meer verwon'deren moet , wanneer men het 
90g vestigt op den eenvoudigen en mwen natnarstaat , waarin deze , van 
het overige gedeelte des menschelijken geslachts afgezonderde schepselen 
verkeeren. De afgelegen hoek vari den aardbol , hnn tot woonoord aange- 
wezen, wordt door geene vreemdelingen bezocht, die hnn ijzeren gereed- 
schappen kunnen verschaffen en onderrigting geven in de kunst van het 
volmaken dier voorwerpen , van wier deugdelijkheid hun levensbehoud gedeel-» 
telijk afhangt, en toch verv#irdigden zy, met hunne bekrompene middelen, 
zulke gladde en wel bewerkte wapenen. 

*") Naar de woeste en dierlijke geaardheid, door deze inboorlingen aan den 
dag gelegd, oordeelende, gevoelen wij ons allezins geneigd, hen voor an- 
thropophagen te houden : eene vooronderstelling , die ons , bij hun karig en 
rampzalig levensbestaan , vooral daarom minder gewaagd toeschijnt, dewijl 
ons het zwarte menschenras der Zuidzeelanden , in het algemeen , als een 
volk van kannibalen bekend is. Behalve de bewijzen van zulk eene bar^ 
baarschheid, door Labillardière en andere geloofwaardige vroegere reizigers 
van de Nieuw -Caledoniërs medegedeeld, bezitten wij uit den lateren tijd een 
verhaal van den Engelschen scheepskapitein Dillon, omtrent de bewoners 
der Fidjie-eilanden , hetwelk in afgrijselijkheid alle denkbeeld te boven gaat. 

**) Ofschoon dit volk zijnen woonzetel bezuiden den grenspaal heeft van 
het eigeniyk zoogenaamde land der Papoea's, volgens de van Oudsher 
bewaard gebleven aardrijkskundige verdeeling, meen ik nogtans dezen alge- 
meen bekenden naam insgelijks op hetzelve te mogen toepassen , en zulks op 
grond der overeenstemming', welke het physische gestel en het geheele voor- 
komen dezer zuidelijde bewoners van Nieuw-Guinea, vergeleken met die hunner 
noordelijke, aan gindsche zijde der landengte, langs de kusten zich bevin- 
dende landgenooten , opleveren. Te vergeefs heb ik onder deze ver van 
elkander verwijderde stammen, naar die kenmerkende bijzonderheden in 
phjrsionomie , haargroei enzv. gezocht , welke hunne scheiding in bijzondere 
-^rassen zouden kunnen regtvaardigen , en die, naar mijn inzien, bij eene 
streng wetenschappelijke behandeling noodwendig daartoe vereischt 
worden. 

**) Het woord orang (mensch) hebben zij uit het Maleisch overgenomen ; 
papoeah béteekent in dezelfde taal: gekruld, Arroe^Aari^. Hiernaar zoude de 
gemelde volksnaam zijnen oorsprong ontleenen van den eigenaardigen 
haargroei dezer negerachtige volken. Sommige schrijvers geven echter daar- 
van eene andere verklaring en afleiding op. Argensola, vfieuB Conquista de 
las islas MoUuccas in 1609 is uitgekomen, zegt, dat de kroesharige bewoners 
van de eilanden ten- Oosten der Molukken, „wegens l^unne klenr Papoea's 
werden genoemd , welk woord , in hunne taal , zwart beteekende ". Lesson en 
andere latere reizigers willen dien naam afleiden van poeo'poea , dat donker- 



imim 



m 

bruin loade beteekenen. Pie naam komt roor het overige reeds in het reis- 
verslag van G. de Meneses voor. Deae , door hevige i^troomen met boiteige- 
wone snelheid oostwaarts gedreven, kwam eiDdelijk , in het laatst van 1526 
of begin van 1527, met zgn vaartuig aan een land, welks bewoners even swart 
waren , als de inboorlingen van Znid-Afrika. Wanneer men vroeg — segt 
hij — hoe dit volk genoemd werd ,. antwoordde men „Papaas." Zie Diego de 
Conto , Decada 4 , boek 3, Bijdragen tot de tcutl- land- en volkenkunde van 
N. /, II bl. 351. 

Verscheidene aardryksknndigen spreken voorts van Orang Badfoe*i of 
Müuffoe*s , di$) men , bier en daar , aan de kusten van Nienw-Gninea zonde 
▼inden« Deze opgaven berusten op eene dwaling. De Orang Badfoe*a of juister 
Badjo's^ ook wel , in versebiUende streken van den Archipel , Orang Wadjoe't 
en Ba^jo'laoet geheeten , zjjn een rondzweiaend visschersvolk , hetwelk 
.zijn bestaan grootendeels op zee vindt Hoeseer in bijkans alle streken der 
Indische wateren , doch meet bysonder, in die der oostelgke deelen van den 
Archipel , te weten van Celebes en Timor af aan tot aan de noordkust van 
Nienw-Gninea» wel bekend zjjnde , zoo is dit toch op vele plaatsen alleen ten 
gevolge hunner zwervende levensw^s, die hen, bij afwisseling, nu aan deze, 
dan aan gene kost voert, zonder dat zij zich echter ergens langer ophouden, 
dan tot het opzoeken der benoodigdheden ter bevrediging hunner behoeften 
vereischt wordt Deze benoodigdheden bestaan, behalve in visch tot eigen ge- 
brnik , hoofdzakeiyk in schildpadden en tripang , voor welke artikelen zg zich 
vreemde goederen tot kleeding , gereedschappen enzv. aanschaffen. Zij be- 
hooren op de zuidkust van Celebes te huis; diegenen, welke niet in Gonver- 
nements -landen gezeten zijn, beschouwen zich als onderdanen van Goa of 
Boni, 'Dat zij al zoo tot den Malajo-poljnesischen menschenstam behooren, 
behoef ik naanwelgks te zeggen. 

'*) Het trage en gemakkelijke leven, dat deze noordelyke strandbewoners 
▼sn Nieuw-Guinea's westkust leiden, draagt zeker niet weinig toe bij tot ver- 
awakking van hun phjsiek gestel ; terwyi hunne meer zuideiyke landgenooten, 
in overeenstemming met derzelver woestere zeden , hunne krachten veel meer 
inspannen en oefenen , en dientengevolge ook een' veel sterkeren ligchaams- 
bouw bezitten. 

Een door Raffles naar England medegenomen jonge Papoea, ongeveer 10 
jaren oud , die als slaaf naar Bali kwam en waarschynlijk uit de noordelyke 
of noordwestelijke kuststreken van Nienw-Gninea afkomstig was, werd' door 
den beroemden physioloog Everard Home zoölogisch onderzocht en aldus 
beschreven: ),Tbe Papuan differs from the african negro in the foUowing par- 
„ticulars. His skin is of lighter colonr, the wooUj hair growa in small tuft» 
^^and eack hair hos a spiral twiaU The fo/ehead rises higher , and the bind 
^head is not so much ent off. The nose projects more from the face. The upper 
„lip is longer and more prominent. The lower lip projects forward from the 
„lower jaw to such an extent, that the chin forms no part of the face, the 
„lower part of which is formed \iy the month. The buttocks are so mnch lower 
,,than in the negro, as to form a striking markofdistinction, hut the calf of the 
„leg is as highas in the negro." BalHes , fftstorg of Java , v. 2 , app. p. 235. 



123 



»x> 



o De eigenlijke Mytiaiittk moscluita Bcbgnt niet op Nieaw-GuineA voor te 
komen. Daarentegen is die soort , welker Tmchtkern meer langwerpig is , 
en die in de kruidknndige stelsels onder den naam van M. daetyloides be* 
grepen wordt, geenszins zeldzaam in de bergachtige streken. 

**) Onder dezen komen het meest in aanmerking: 1) de il£as«oi • schors , 
welke gewonnen wordt van eeoen tot de familie der Laurioeae behoorendeq 
boom, die nog niet wetenschappelijk genoeg onderzocht is om met zeker-* 
heid onder eenen geslaehts-naam te kannen worden opgegeven. 2) De Koelit" 
kuoang , zijnde xie schors van Cinnamomam xanthoneurnm , door den Hoog* 
leeraar Blnme, In zijne Bumphiay Tab. 13, fig. 1 , afgebeeld. 3} De Poüetêari» 
eeoe soort van Aljradpi, .welke, wat den geur van hare sehors betreft, naaaw 
verwant schijnt te «ja aan de Aljrxia steliatairan Java. 

^^*) ViKïrQameiijk mee den wortel van een' zwaren , hoogstammigen boom , 
zeer veel gelijkende op de fiagamala (Liqnidambar Altingiana.) 

**) Allezins opmerkelijk is het vertebil tnsschen de wapenen en vaartuigen 
der Nienw-Goineërs en die der Nieuw-HolJ&nders. Bij de eersten hebben 
wi} overal pijl mi boog , en bonten kano's aangetroffen ; de laatsten daaren* 
tegen gebruiken, in plaats van bogen, zoogenaamde werpstokken tot het 
wegslingeren hunner, gevaiarlijkc^hasagaayen ; zij bedienen zich voorts reelal 
van .nit boomsohoi» Tervaardigde bootjes t verscheidenheden , die zich tot op 
geringen afrt&nd<van elkander , in de ttraait Torres voordoen. 

'*} Op zekeren tijd , d^^ ik tnsschen de rawe kfippen en het hontgewas ; 
langs de oostelijke helling van het kleine strandgebergte , dat den westkant 
der baai Oeroe Langoeroe vormt, heenklanterde , vond ik, omtrent vyf 
schreden binnen den ingang van een groot en diep hol der kalkrotsen , eeoe 
menigte menschenbeenderen onordentlijk door elkander op den grond liggen. 
Onder dezelve bevonden zich verschillende , zoo groote als kleine schedels* 
die echter meeren deels gebroken waren. Drie slechts van volwassene men<. 
schen waren nog in hun geheel, doch genoegzaam zonder tanden. Deze 
benevens de voorhelft van een' kinderschedel , heimelijk in mijne wéitaiseh 
door mij medegenomen, bevinden zieh- thans in het Leidscbe Museum. Tot 
mijn leedwezen ben ik niet in staat om met juistheid te kunnen opgeven , 
of deze gr^fspelonk aan de Papoea's, dan wel aan de Mairassis toebehoorde: 
want het zonde onvoorzigtig z^n geweest , de inboorlingen dienaangaande 
te ondervragen. De Hoogleeraar Sandifort, aan wien ik deze schedels ter 
bezigtiging aanbood, heeft de goedheid gehad, mij het volgende over 
dezelve mede ie deelen. 

Twee der schedels komen onderling geheel overeen. Beide zijn van reeds 
bejaarde lieden, aangezien de tanden en kiezen, benevens derzelrer kassen, 
gedeeltelijk geheel , gedeeltelijk in zoo verre ontbrelcen , dat alleen de uit- 
einden der wortels in dezelve kunnen bevat geweest zijn. Beide bestaan uit 
zware en dikice beenderen. De zijdelingsche gedaante van het hersenhol is 
langwerpig ovaal; het voorhoofd is middelmatig gewelfd , niet zeer breed; het 
achterhoofd eenigains uitstekend. De zijwanden zijn plat, met uitpuilende 
wandbeenknobbels en eenigzins ronde slaapbeenderen. De heiligheid voor de 
kleine hersenen is zeer breed , doch weinig uitpuilend.- De slaapkuilen zijn 



1^4 

vrg diep, aangezien de jakbogen , bnitenwaarte gebogen ,. vrij sterk nitpailen. 
Het aangesigt is breed; de roorhoofdsboezems Ego groot en uitpuilende. 
De oogkassen zgn yierboekig, langwerpig in de dwarse lijn; derzelver 
wanden zijn dik. De jukbeenderen zijn uitstekend, echter minder dan de jak- 
bogen der slaapbeenderen { terwijl derzelver bovenste uitsteekselen meer 
platgedrukt z^n. In de opperkaaksbeenderen zijn de wangkuilen vry sterk , 
en de uitsteekselen , tot het ontvangen der jukbeenderen , breed , doch niet 
zwaar; terwijl de breedte der bovenkaak niet zeer groot is. De neusbeenderen 
zyn kort, eenigzins uitgehoold, en maken by derzelver vereeniging eenen 
opstaanden scherpen hoek. Het neusgat is breed , en de onderrand meer als 
het ware uitgesleten, dan scherp. Het verbemelte schgnt, zooveel men nog , 
na het verlies der ianden en tandkassen kan oordéden, zeer gewelfd, lang- 
werpig en breed geweest te zyn. De indmkselen der spieren, zoo van de 
slaapspieren als die van het achterhoofdsbeen , zgn niet sterk. — In beide 
koppen ontbreken de inwendige neusbeenderen en de onderkaak. 

Het derde doodshoofd, waarby de onderkaak aanwezig is, heeft, van voren 
gezien, eene zeer langwerpige gedaante. Hetzelve is insgelyks van een* 
mensch van gevorderden leeftyd , aangezien de kassen der snytanden in de 
boven- en onderkaak geheel natuuriyk vernietigd zyn, terwyi die der hoek- 
tanden en beide voorste kiezen reeds in omvang zoo zyn verminderd, dat 
dezelve niets dan de uiteinden der wortels hebben kunnen bevatten. De ach- 
terste overgeblevene kiezen zgn groot en in hare oppervlakten zeer afgesleten 
en als gepoiyst. Het voorhoofdsbeen is zeer smal, middelmatig gewelfd, 
in de ronde kruin overgaande. Het achterhoofd is eenigzins plat , zoodat het 
geheele hersenhol eene eironde gedaante heeft. De beide wanden zyn zeer 
plat, schoon de slaapbeenderen eenigzins rondachtig zyn. De voorhoofds- 
boezems zyn sterk uitpuilend; de oogkassen zgn langwerpig smal. De breedte 
der opperkaak is gering , met diepe wangkuilen en dunne , doch uitstekende 
ondersteunsels voor de jukbeenderen. Deze beenderen, in hunne bovenste 
gedeelten ter zyde der oogkassen platgedrukt, zyn benedenwaarts sterk 
uitpuilende. De neus is smal; de neusbeenderen zyn uitgehoold; de neusope- 
ning is langwerpig ; deszelfs onderste rand scherp. Het gehemelte is waar- 
schyniyk zeer gewelfd geweest, tydens de aanwezigheid der snytanden. De 
indmkselen der spieren zyn geenszins sterk. De onderkaak is in de kin nit^ 
stekend, haar onderrand dik, terwyi de zydelingsche gedeelten > plat zyn, 
en weinige indrukselen der kaauwspieren vertoonen. 

Indien men de beide eerstgenoemde schedels vergelijkt, komen dezelve 
volkomen in allen deele overeen, en vertoonen iets eigenaardigs, niet alleen 
jn het beloop van het hersenhol, maar by zonder ook in hunne oogkassen, 
juk- en opperkaaksbeenderen, alsmede in de gedaante van den neus en 
deszelfs opening. Ofschoon het derde doodshoofd , wegons deszelfs byzondere 
smalheid, noodwendig eene andere gedaante heeft, zoo vindt men echter 
by deszelfs beschouwing zonder onderkaak, nog veel overeenkomst met de 
voorgaande, by zonder ten aanzien van de sterk uitpuilende voorhoofdsboe- 
zems, de randen der oogkassen, de gedaante der juk- en opperkaaks- 
beenderen. 



125 

Vergelijkt men deze hoofden met die van Papoea's van de noord-oostkust 
▼an Nieaw-Gainea , alsdan is het verschil in vorm der schedels alleropmer- 
kelijkst. Bg de laatstgemelden is de hersenschedel ter zgde zeer rond, het 
▼oorhoofd breed, opgaande en, even als het achterhoofd, plat. De wand- 
beensknobbels zijn zeer uitpuilend; de voorhoofdsboezems niet gproot ; de 
oogkassen bijna cirkelvormig; de opperkaak breed ; de jukbeenderen minder 
uitpuilende dan het hersenhol , er zijn bijna geene wangkuilen ; de neus is 
smal, deszelfs opening langwerpig. Het geheele aangezigt is plat. — Het 
schvjnt, dat ook bij deze natie het hersenhol dikwijls scheef gevonden wordt; 
zulks heeft plaats in den schedel van een' Papoea uit het Kabinet van wyien 
Prof. S. J. Brugmans (a), alwaar de linkerachterzijde van het hersenhol 
meerder ontwikkeld is dan de regterzijde. In een' anderen schedel uit die- 
zelfde Verzameling, geheel in gedaante overeenkomende met die van deu 
Papoea, geteekend Aethiopa Aaiae (6), vinde ik dergelijke scheefheid, door 
mindere ontwikkeling aan de linkerzijde. Gelijke scheefheid is ook waarge- 
nomen door de Heeren Quoj en Gaimard (c}. 

Vergelijkt' men daarentegen de boven beschreven doodshoofden van de 
westkust van Nieuw- Gninea met een doodshoofd uit de voornoemde Verza- 
meling van wijlen Prof. Brugmans (df) , door den beroemden J. Banks mede- 
gebragt van de noord-oostkust van Nieuw-Holland (Nieuw-Zuid- Wallis) , dan 
vindt men tnsschen dezen veel meer overeenkomst. Bij dit laatste is ook het 
voorhoofd smal, opgaande; eene • langwerpige , eironde gedaante van het 
hersenhol; de wanden zijn platachtig, met ronde slaapbeen deren ; de voor- 
hoofdsboezems uitpuilend ; dezelfde gedaante der oogkassen , juk- en opper- 
kaaksbeènderen ; terwijl tevens de neus en deszelfs opening , schoon minder 
breed , eenige overeenkomst hebben. 

Bi) een' anderen schedel , insgelijks dooi J. Banks uit Nieuw-Zuid- Wallis 
(veelligt van een' bewoner der meer zuidelijke streken) medegebragt , is daar- 
entegen geene de minste overeenkomst met voormelde schedels van Nieuw- 
Guinea; in de aangezigtsbeenderen vooral bestaat het grootst mogelijke 
verschil. 



(a) Matenm Anat. Acad. Lngd. Bat. Vol. 3, deBCrlptnm a O. dandifoit. ti. B. 1827. Hap. 
Brugnraannanae N*». 598. 6. Sandifort, Tabnlae craniorum di?erflaram nationam. Lngd. Bat. 
18S8. fol. Faae. 11. 

(i) Aldaar N . 679. 

(e) Obaerv. aar la constitntioii phyaiqoe des Fapona. Annales des Sciences Naturelles; Tom 
7 Fiiris 1826. 8*. alwaar de afbeeldingen overeenkomen met den schedel uit de Verzameling Tan 
vijlen Prof. Bragmans. 

id) A. V. N». 602. 



126 



VOORNAAMSTE AFMETINGEN DER GENOEMDE SCHEDELS. 



NlEtrW-GÜINEA. 



WX8TKÜ9T. 

' CC«nd0c]ui|» Iiobo.) 


S ^ 


K» 1 


N» 2. 


N». 3. 


Sf 



I'ODgte van den schedel^ of afstand 
iassclieii den wortel van den neus 
en het meest aitafekeiid gedieelte 
▼an het achter boofdsbeen 

Lengte der kromming boven op 
den schedel « van den wortel van 
den nens tot den achterrand van 
h«t'gróote achterhoofdsgat 

Hoogte des schedels^ of afstand f 
tniseben 'den yoorrand van het 

'groote gat en de-kruin 

Breedte tasseben de wandbbens- 
I knobbels 

Breedte van het voorhoofdsbeen , 
achter de juknitwassen 

Lengte van het groote achter- 
hoofdsgat 

Breedte van hetzelve . 

Hoogte der Oogkassen* . . *; . . . 

Breedte derieiren. .«-...'..» 

Breedte of afstaiHl tassch^n de 
oogkassen 

Grootste afstand der jukbogen. . . 

Breedte der opperkaak 

Breedte van het gehemelte tnsschen 
de achterste kiezen. ....... 

Breedte van het verhemelte tns- 
schen de slagtanden 

Lengte van het verhemelte 

Diepte van hetzelve bij de achterste 
kiezen 



0,187 



0,127 

. 0,09» 

0,033 
0,031 

0,034 
0,038 

0,036 

0,138 

0,061*) 

0,042 

0,027 
0,053 

0,011 



0,179 



0,365 

4 

0,135 

0,095 

0,034 
0,030 
0^035 
0,040 

0,025 

0,144 

0,060*) 

0,041 

0,031 
0,067 

0,015 




0,175 



0, 365 II 



0,184 



0,114 

0,<089 

0,034 
0,027 
0,037 
0,040 

0,022 
0,127 
0,064 

0,040 

0,029 
0,049 

0,014 



0,171 



0,363 

0^145 

o; 146 

0,092 

0^035 
0,029 
0,^035 
0,038 

0,021 
0,134 
0,069 

0,043 

0,034 
0,051 

0,014 



NIEUW- 
HOLL. 



0,171 



O,3S0 
0,130 

oai5 

0,093 

0.034 
0,025 
0,033 
0,040 

0,<^3 
0,127 
0,067 

0,038 

0,026 
0,057 

0,015 



**) De jnlBte breedte der opperkaak is in deze schedels moeijelgk te bepalen, doordien de 
tandkawen, wegens hooge jaren, geheel ontbreken. 

*) Het gebruik dezer beide speeltuigen is hun door de Molukscbe hande- 
laren geleerd. De Ti/a is eene soort van kleine trom , bestaiande nit een' 
ronden, van hout vervaardigden koker, waarvan alleen (\eééne opening met 



127 

een stak onbereid , doch van het haar onbloot dierenvel , boBpannen is. De 
kleine Tifa*s worden alleen met de Tingers^ de grootere echter met een' 
korten knuppel , bij wgze van een' trommelstok , bespeeld. Op den Gong , een 
z^aar metalen bekken, Tan boven met een' dikken, ronden bol voorzien, 
wordt insgelijks met eenen dikken knoppel in de maat geslagen: dit is , in het 
algemeen , het geliefkoosde speeltnig der Indische eilanders. 

'*) De Kojan is eene maat , die door de inlandsche kooplieden voornamelijk 
wordt aangewend bij het waarderen van scheepsladingen. Dezelve is echter 
niet alleen in de onderscheidene streken van Indië , maar tevens veelal op 
eene en dezelfde plaats , naar gelang der verschillende artikelen , een zeer 
veranderlijk gewigt. Op Batavia bevat een kojan rijst 27 pikol's of 8S75 otide 
ponden, op Palembang daarentegen 48 pikolV of 6000 ponden-, -doch op 
Amboina slechts ^000 ponden. De kojan katjang wordt op Java berekend 
tegen 28 pikol's ; de kojan zont bevat op Soerabaja 40 maten van een.' piköl 
of 125 ponden , das 5000 ponden , terwifi op Banda een kojan zont 40 maten 
van 75 ponden ieder, en bijgevolg 3000 ponden inhoadt. 

'*) Brj 14 individuen van Paradisea papnensis , door ons in de omstreken 
der baai Oeroe Langoeroe geschoten , vond ik in de magen meerefideels 
vrachten en zaden van wilde vijgen en andere boomen nit de famillën der 
Meliaceae, Menispernieae , Sarihentaceae en Araliaceae; eens eene* kleine mns- 
kaatnoot en , nu en dan, eenige overblijfselen van Diptera. Soortgelijke voor- 
werpen vond ik pok in de magen van Paradisea regia, van welken onge- 
meen fraaijen vogel ons in diezelfde boschstreelc 7 individuen in handen vielen. 
Een ond mannetje had de maag voornamelijk met de vruchten eener Pavetta 
en eener soort van Oissampelos gevuld. 

'*) De kroonduif (7Y<tr bij de Papoea's in het landschap Lobo) stemt, ten 
opaigte harer leefwijze, het meest overeen met den wilden paanw van Java 
(Pavo spicifer). Gemeenlijk vindt men haar in kleine troepen van 2 tot 7 
stnks, die gedurende den dag gezellig met elkander op den grond rondloopen, 
doch zoodra haar een mensch of eenig gevaarlijk dier nadert, onder een sterk 
gedmisch opvliegen en zich , meestal niet zeer ver van die plaats , op het 
hoogere geboomte nederzetten. Alhoewel schuw van aard , zijn z|j alsdan , 
even als de paauwen, niet moeijelijk te bekruipen; het allerbest echter 
geschiedt zulks in den vroegen morgen of met schenieravond , dewijl zij den 
nacht steeds op het geboomte doorbrengen In hare kroppen en magen vond 
ik doorgaans verschillende steenvruchten; in de magen ook gewoonlijk eenig 
zand en kleine steentjes, en somwijlen eenige overblijfselen van Orthoptera 
en van verschillende kleine Helices. Op den 29sten Augustus 1828 vond ik in 
het hooge bosch , aan den voet van den berg Lamantsjieri , een nest van eene 
kroonduif, met één reeds eenigzins aangezet ei. Dit nest stond op eenen 
boom van 40 tot 50 voet. hoogte, tusschen de danne loten van een' der 
laagste takken. In vorm en zanienstel kwam het met de nesten onzer wilde 
duiven overeen , zijnde het uit dorre , dunne takjes vervaardigd , die onregel- 
matig over elkander gelegd en met eenige boombladen doormengd waren. 
Van boven had het ongeveer vier palmen middellijn, en in het geheel slechts 
zeer weinig holte. Het ei , geheel wit en ten naastobij de grootte van een 



128 

gewoon hoender-ei hebbende , doch eenigzins meer langwerpig en aan beide 
einden nagenoeg even stomp , had eene lengte van 0,06, en het midden eenen 
omtrek van 0,133 meter. 

^ Gewooniyk anQden sQ dezelve in stokken van twee en een' halven voet 
lengte, by drie tot vier daimen breedte, en binden die in bossen van 25 tot 
30 zoodanige stokken te samen. De dikste schors is het meest geacht 

**) Met deze getaigenis stemt overeen hetgeen de Heer W. Marsden , op 
het gezag van eenige ongelukkige matrozen vermeldt, die gedurende bijna 
twee jaren onder de strandbewoners dier streken leefden; zynde dezelve in 
1783, bij gelegenheid van eenen verraderlijken en moorddadigen aanval, 
gepleegd door de Papoea's op het sloepsvolk van het schip Northnmberland, 
dat toen in eene baai aan de noord- westknst van Nienw-Gninea, op 2^26'Z. 
breedte, ten anker lag, gewelddadig gegrepen en gevangen gehouden. De 
plaats hunner gevangenschap, door den Heer Marsden Braon gespeld, is 
waarschyniyk eenerlei met het laatste van de vijt door ons boven genoemde 
gehuchten. Volgens hnn berigt is het land aldaar ongemeen sterk bevolkt; 
en ditzelfde beweert ook Kapitein H. Wilson van de noord oostzijde des 
eiland», alwaar hg, insgelijks in 1783, met het paketschip Antelope, van 
do Oost-Indische Compagnie, den wal naderde. {TranscuUiotu ofikt Royal 
Asiatic Society of Great BriUam and Irelandj Vol. IIL Part I. pag. 125.) 



*^«« 



BANDJERMASIN. 



I. 



HET VOORMALIGE BUK £N D£ TEGEN WOORDiaE HOOFDPLAATS 

VAN DIEN NAAM. 



Het Bijk van Bandjermasin *) was in het begin der zeven- 
tiende eenw, toen de Hollanders hunne eerste handelskantoren 
in den Indischen Archipel begonnen te vestigen, de aanzien- 
lijkste staat in het zuidelijke gedeelte van Borneo en van het 
geheele eiland. Een paar eeuwen vroeger, volgens de overleve- 
ring tegen het einde der veertiende eeuw, hadden zich een 
aantal inboorlingen van Java en Madura aldaar nedergezet, en 
de Javaansche vorsten van Modjopabit, die kolonisten steeds 
als hunne onderdanen beschouwende, hielden hen ouder toezigt 
en deden de verschuldigde schatting bij hen innen door eenen 
zaakgelastigde, gewoonlijk van vorstelijken bloede. Ten tijde 
der groote staatkundige omwenteling op Java, in het jaar 1478, 
toen de Mohammedaansche krijgsmagt de rtjksstad Modjopabit 
innam, het regerende vorstenhuis verjoeg, en aan het Hin^ 
doeïsmus den laatsten , beslissenden slag toebragt, Was het bestuur 
over de Javaansche volkplanting te Bandjermasin, met welke 
zich allengs ook een aantal Maleijers, Boegitiezen en andere 
inboorlingen der omliggende eilanden hadden vermengd, toe- 
vertrouwd aan eenen eerzuchtigen prins , die, zoqdra hij van de 



gebeurtéiussen in zijn moederland kennis erlangde, zich ouder 
den naam van Fangéran Soerja Nata, tot onafhankelijk Regent 
verklaarde, en aldus de grondlegger werd van eene nieuwe 
djnastie en van een nieuw zelfstandig rijk. Hij werd door 
zijn' jongsten zoon, Baden Gangga Wangsa, en deze door 
deszelfs eenige dochter, Poetri Kala Wande, in de regering 
opgevolgd. Na baar heerschten achtereenvolgend nog drie Hindoe- 
vorsten, onder de titels van Baden, Maharadja en Pangeran, 
over het rijk van Bandjerraasin , alswanneer de leer van den 
Koran ook daar ingang vond en het Hihdoeïsmus verdrong. 
Dit had plaats tijdens de regering van den zevenden vorst, die, 
onder den naam van Soelthan Soerja Angsa, de reeks 
der Mohammedaansche heerschers opende, van welke de 
Panembahan Adam, die in 1825 den troon beklom , de twaalfde 
18. Bekent men nu, gelijk gewoonlijk in Europa geschiedt en 
welke berekening, gelijk de geschiedenis bewijst, ook op de 
Mohammedaansche vorsten van Java mag toegepast worden , 
twintig jaren door elkander voor den regeringsduur van ieder' 
dcT twaalf laatste Sultans van Bandjermasin , dan voeren ons 
die regeringen twee-honderd-en- veertig jaren terug, en dus tot 
in het begin der zeventiende eeuw onzer jaartelling. Voegt men 
nu, den zelfden maatstaf volgende, de zes voorafgaande Hindoe- 
regeringen, welke een tijdvak van honderd-en-twintig jaren 
omvatten en den aanvang der zelfstandigheid van dien staat 
op het jaar 1480 bepalen zouden, daar bij, dan stemt de 
uitkomst volmaakt overeen met de overlevering der inlanders, 
die, gelijk wij boven hebben gezien, de regering van Bandjer- 
masin kort na de verwoesting der rijksstad Modjopahit op 
Java, en wel omstreeks het jaar 1478, laten aanvangen. 

Deze bijzonderheden en gevolgtrekkingen steunen op een, 
ons door een' prins van dit gedeelte van Borneo ter hand gesteld 
// Geslachts-register der Vorsten van Bandjermasin.// Volgens 
deze authentieke bron zoude dus de leer van den Koran aldaar 
eerst omstreeks het jaar 1600 zijn omhelsd geworden door de 
Javaansche en Maduresche afstammelingen, en bijgevolg ge- 
noegzaam ten zelfden tijde, dat deze godsdienst te Goa, op 
Celehes, hare algemeene verspreiding erlangde, welke in 1605 



»» .> 



plaats vond en voornamelijk bewerkt werd door eenige Maleisc]i(t 
priesters van Sumatra en het nabij liggende schiereiland. Yóóv 
dit tijdperk beleden ook de Makassaren, even als de bewoners 
van Bandjermasin , hetzelfde Hindöeïsmus, vroeger de heer- 
schende eeredienst op Java en, naar het schijnt, ook in som- 
mige streken van Sumatra, waar zij echter vermoedelijk het 
allereerst door toedoen der Arabische zendelingen gefnuikt 
werd; terwijl zij thans alleen nog op het eiland Bali, en als een 
laatst, misvormd overblijfsel van hetgeue zij eertijds was, bij 
een gering aantal bergbewoners van de residentiën Pasoeroean 
en Bantam op Java, wordt aangetroffen. 

Of de Portugezen, gedurende de eerste eeuw hunner vesti- 
ging en magtsontwikkeling in die gewesten, met den Hindoe- 
staat van Bandjermasin eenige handelsbetrekking aangeknoopt 
of dien zelfs ooit bezocht liebben, blijkt uit hunne gesdiied- 
boeken niet. Op de kaarten van Bamusio, welke uit het midden 
der zestiende* eeuw dagteekeneu , zoekt men te verge<;fs naar 
den naam van dat rijk. Men vindt dezen eerst in de geschriften 
onzer latere vaderlandsche schrijvers vermeld. De voordeden, 
welke de handel in diamanten, stofgoud en peper opleverde, 
noopten reeds in den beginne den Baad der Oost-Indische 
Compagnie te Bantam , zijn oog vooral ook op Borneo te vestigen 
en, in weerwil van het gevaarlijke der onderneming. Commis- 
sarissen derwaarts te zenden tot het aanknoopen van' han- 
delsbetrekkingen met de inlandsche vorsten. Met dit doel 
vertrok, vanwege het tweede opperhoofd der Hollandsche Factorij 
te Bantam, J. W. Verschoor, op den 14^^" Februarij 1606, 
zekere Gillis Michielszoon, op eene (Chinesche?) jonk naar 
Bandjermasin, die echter kort na zijne komst aldaar ver- 
raderlijk overvallen en met al degenen, welke hem vergezelden, 
vermoord werd. Deze ongelukkige uitkomst schrikte evenwel 
de dienaren der Compagnie niet af, om hunne pogingen te 
hernieuwen. Tegen het einde van 160S stevende de k.oopman 
Samael Blommart met een HoUandsch vaartuig naar Borneo, 
in last hebbende om ergens op dit eiland eene vaste factorij 
te stichten, en voorts met onderscheidene vorsten aldaar, onder 
welke die van Bandjermasin uitdrukkelijk werd aangewezen > 



184 

verbondeu te sluiten ^). Of dien ten gevolge met dezen laatsten 
werkelijk zoodanig verbond is tot stand gekomen, vind ik 
nergens aangeteekend. De geschiedkundige bronnen , uit die 
vroegste tijden, zijn tamelijk droog en houden daarna, gedu- 
rende langer dan eene halve eeuw, geheel op te vloerjen. Indien 
de opgave in een bekend algemeen werk '), juist is, betaalde 
de Oost-Indische Compagnie , volgens een verdrag van 1660, 
vijf- ten honderd aan inkomende regten voor alle goederen, welke 
door haar te Bandjerroasin werden ingevoerd. Een vast handels- 
kantoor schijnt zij echter in de zeventiende eeuw te Bandjermasin 
nooit bezeten, maar zich toenmaals alleen bepaald te hebben 
tot het jaarlijks uitzenden van één of meer schepen, om de 
gewenschte voortbrengselen van daar af te halen , in ruil tegen 
Europesche goederen , welke zij tot dat einde medegaf. Valentyn *) 
teekent onder anderen aan, dat deouzi^n in 1664 Martapoera — 
zijnde de woonplaats des Sultaus en liggende op' den afstand 
van omtrent zes uren gaans beoosten de hoofdplaats Bandjer- 
masin — bezocht hebben, //om het goud en de peper, daar 
vallende, in te handelen.'/ In 1669 werden echter deze vriend- 
schappelijke betrekkingen, uithoofde van den trouweloozen en 
verradelijken aard der bewoners, door de Compagnie ten 
eenemale afgebroken. 

Welke betrekkingen omtrent dien tijd tusschen het rijk van 
Bandjermasin en andere Europesche of Aziatische natiën mogen 
bestaan hebben , vinden wij niet naauwkeurig vermeld. De 
Javaansche kronijken deelen ons mede, dat in 1565 der Jav. 
jaartelling (= 1643 na Chr, geb.), een gezantschap van Ban- 
djermasin aan het hof van Sultan Agoeng van Mataram verscheen, 
en dezen zoo eejrzuchtigen als magtigen vorst hulde betodndes). 
Het laat zich vermoeden, dat vóór en na dien tijd ook dikwerf 
Arabische, Maleische en Boeginesche handelaren en dweepzieke 
priesters dier natiën Bandjermasin zullen hebben bezocht. Of 
de zoo handellievende Chinezen zulks insgelijks deden, is ons 
onbekend. Hunne Encjclopaediën bewaren ten deze een volstrekt 
stilzwijgen, en spreken alleen van de noordelijke en noord- 
oostelijke streken van Borneo, onder de namen P'ho nf , Wen lat 
en P'hA.16, welke hun eertijds schatpligtig waren «). Het schijnt' 



135 

nogtans, dat de haven van Battdjermasin nu en dan dooreene 
.Chinesche jonk ia bezocht geworden, en dat, vermoedelijk door 
middel van dese vaartuigen, ook de Portugezen te Macao 
voortdurend eenige betrekking met genoemd Rijk onderhielen. 
Een Siciliaanscbe Theatijner-monnik, Antonio Yintimiglia 
genaamd, geeft dienaangaande, in eenen brief, omtrent het 
jaar 1690 aan Portngals koning geschreven , en door den onder- 
nemenden en waarheidiievehden Napolitaan Gemelli-Garreri , in 
het verhaal zijner reis om de aarde 7), medegedeeld, eenige 
ophelderingen. De kooplieden van Macao, aldua luidt de zake- 
lijke inhoud van dit berigt, dreven sedert lang handel met 
Bandjermasiu op Borneo, toen de vorst van dat gedeelte des 
eilands aan den gezagvoerder van een schip te kennen gaf, 
dat hij gaarne een Fortugeesch handelskantoor in zijnen staat 
wenschte opgerigt te zien, waartoe hij gunstig zoude mede^ 
werken; terwijl bij levens beloofde, in het belang des Chris- 
tendoms , eene kerk te zullen laten bouwen. De Gouverneur van 
Macao, hiervan verwittigd, bragt zulks ter kennis van Don 
Kodrigo de Acosta, onderkoning van Indiê, welke overwijld 
de noodige bevelen gaf tot het aanleggen van zoodanig gewenscht 
kantoor op Borneo. Aan een' rijk' koopman van Macao, J. Pein- 
heiro, die zich juist te Goa bevond , werd de uitvoering daarvan 
opgedragen, terwijl Pater Yintimiglia, geestelijke in genoemde 
stad, zich gewillig aanbood, de belangen van de Christelijke 
Godsdienst bij deze zending te behartigen. De Portugesche 
afgevaardigden kwamen werkelijk, den 2^*° Februarij 1688, 
te Bandjermasin aan. Kort geleden had daar, op eenige vaar- 
tuigen dier natie, en ook der Siamezen, eene vreeselij ke slag* 
ting plaats gehad, ten gevolge van een listig geameed plan, 
waardoor den Mohammedaanschen inboorlingen eene gewenschte 
gelegenheid gegeven was tot roof en plundering. De tijding 
hiervan was geenszins geschikt om de Portugezen tot de vol* 
voering van hun voornemen aan te moedigen. Zij bepaalden 
zich dan ook alleen tot het inwinnen van narigten aangaande 
het land^ zijne voortbnmgselen en den toestand der inboor- 
Hngen, trachtten eene lading peper te bekomen, en vertrokken 
weder naar Macao. De vrome Pater Yintimiglia had evenwel. 



136 

gedurende zijn kortstondig verblijf te Bandjermasin , de hei- 
densche Beadjoe-Dajakkers, met welke hij in aanraking gekomen 
was, tamelijk wel voor zijne zaak gewonnen en daarom ernstig 
besloten^ zijne overige dagen aan de zedelijke verbetering'dezer 
weinig beschaafde^ maar onbedorven nataurmenschen toe te 
wijden. Hij keerde met dit doel, in het daarop volgende jaar, 
naar die streken van Borneo terag; doch de Beadjoe^s alstoen 
met de Mohammedanen in oorlog vindende, deed hij de hoofd- 
plaats dezer laatsten, Bandjermasin, in het geheel niet aan, 
maar voer regtstreeks de gro3te rivier op, naar da dorpen der 
Beadjoe^s, zette zich onder dezen neder en verkondigde hen 
het Evangelium. Zijn blakende ijver echter om spoedig vele 
belijders voor het heilige geloof te winnen , voerde hem misschien 
wel wat te ver, daar reeds in de eerste zes maanden van zijn 
verblijf niet minder dan achttienhonderd Beadjoe^s door hem 
gedoopt werden. In de opgetogenheid over het wel slagen zijner 
pogingen, had hij aan den koning van Portugal verzocht, dat 
hem eenige Christen-Zendelingen uit Europa mogten worden 
toegevoegd; doch reeds in 1691 ontving men te 6oa het berigt, 
dat zijne ijverige werkzaamheden door den dood waren afge- 
broken. — De Beadjoe's — dus schreef de vrome Pater, 
onder andere bij zonderheden >, in zijnen brief — beschouwen 
zich niet als onderdanen van eenen Mohammedaanschen vorst, 
maar worden door hunne eigene opperhoofden bestuurd ; diegenen 
echter, welke nabij de grenzen van Bandjermasin wonen, 
betalen aan dat rijk eenige schatting. Onder de verschillende 
havens, welke Borneo bezit, is die van Bandjermasin de eenige, 
werwaarts de Portugezen van Macao hunne schepen zenden. 
Zij ligt aan eeue groote zoetwater rivier, welker mond drie 
mijlen breed en veertien vademen diep is. 

Qemelli-Carreri, aan wien wij de mededeeling dezer bijzon- 
derheden te danken hebben, voegt, op grond van hetgeen hij, 
vermoedelijk te Macao, Goa of elders in Indië, van de Por- 
tugezen vernomen heeft, tot meerdere volledigheid van het 
verhaal over Borneo, nog daarbij: dat ten tijde, toen Pater 
Yintimiglia ijverig onder de Beadjoe's het Evangelium trachtte* 
te verspreiden, de Portugezen hun lang gekoesterd verlangen, 



1:^7 

om een vast kantoor te Bandjermasin te bezitten, verwezenlijkt 
zagen en er inderdaad een hadden aangelegd; doch dat dien 
post weldra een noodlottig einde was te beurt gevallen. Op 
zekeren tijd lagen vier Portugesche schepen te gelijk aldaar ter 
reede en werden door eene groote menigte inlanders, onder 
voorwendsel van handel te willen drijven, bezocht. Men. had 
hen, zonder eenig kwaad vermoeden te koesteren, aan boord 
laten komen, toen de bemanning, door de valsche en roof- 
zuchtige Mohammedanen eensklaps overvallen, voor het gTootste 
gedeelte vermoord en drie der schepen buit gemaakt werden, 
terwijl het vierde, met eenige weinigen, welke, na eenen feilen 
strijd, aan de handen der verraders ontsnapt en daar.aan boord 
gevlugt waren, nog gelukkig buiten de rivier geraakte en te 
Maeao terugkeerde, zonder dat evenwel de menschen of goederen 
van het Portugesche kantoor te Bandjermasin hadden kunnen 
worden gered en medegenomen. Deze treurige gebeurtenis deed 
van toen af de Portugesche natie voor altoos van den handel 
op Borneo afzien. — Vijf-en -dertig jaren te voren, vervolgt 
Qemelli-Carreri , waren de Hollandefs in dezelfde haven niet 
beter behandeld geworden. Hun zaakgelastigde werd door de 
inlanders met een , uit een roer geblazen , vergiftigd pijltje ver- 
raderlijk gedood. Zijn opvolger, de bestraffing des. sluipmoor- 
denaars eischende, ontving van den vorst ten antwoord, dat 
de eaveldader naar een verwijderd oord , bij zijne bloedverwanten, 
de vlugt genomen had , doch dat men hem gaarne aan de Hol- 
landers zoude uitleveren, indien zij bijstand wilden verleenen 
om hem gevangen te nemen. Deze lieten zich door die geveinsde 
opregtheid verschalken en, door wraakzucht gedreven, liepen 
zij in den valstrik, die hun aller verdref berokkende. Twee 
HoUandsche schepen , die destijds in de rivier lagen , vermogten 
alleen door eene snelle verwijdering aan het gevaar te ont- 
snappen. 

Het baart bevreemding, dat Valentyn van zulk eene gedenk- 
waardige, noodlottige gebeurtenis ter naauwernood gewag maakt. 
Omtrent de Portugezen zegt hij alleen, dat ten tijde, toen dit 
volk op Bandjermasin handel dreef, er nu en dan aldaar 
priesters gekomen waren, welke vele heiflensche inboorlingen 



138 

tot de Boomsche Godsdienst bekeerden. Zulke bekeerde Dajak* 
kers vond men vooral veel langs eene rivier, die Valentjn 
Cajjong Cajamp (veelligt Kali Kahajan of de zoogenaamde 
groote Dajak) noemt, >9^ vermits de Portugezen van Macao, 
vóór het jaar 1690, aldaar eenen priester hebben achtergelaten » 
welke drie- of vierduizend inlanders gedoopt heeft; maar die 
Pater werd eenige jaren later, bij gelegenheid van een oproer, 
op last des vorsten van Banjermasing, mede omhals gebragt. 
Naderhand is er geen Portugesche priester meer gekomen , ten 
gevolge waarvan die bedroefde Christenschaar, op eene bekla- 
genswaardige wijze verspreid geraakte en weder zoodanig tot 
de vroegere onwetendheid verviel, dat weldra de laatste vonk 
der Christelijke leer bij hare leden was uitgedoofd , en zij daarvan 
geen ander bewijs hebben overgehoudeh , dan een kruisje, 
hetwelk door hen om den hals wordt gedragen// »). — Wat 
den door Gemelli-Carreri vermelden moordaanslag op de Hol- 
landers betreft, daaromtrent bewaart 'Valentyn een volstrekt 
stilzwijgen. Het zoude mogelijk Icunnen zijn, dat dit verhaal 
op eene vergissing of Verwisseling met oudere gebeurtenissen 
van dien aard berustte. In allen gevalle laat zich de opgave, 
dat dit bloedbad vijf-en-dertig jaren vóór 1690 zoude hebben 
plaats gehad, moeijelijk overeen brengen met de vroeger aan- 
gevoerde geschiedkundige aanteekening, volgens welke de 
betrekkingen der Hollanders met Bandjermasin tot aan het 
jaar 1669 hebben voortgeduurd, en toen eerst werden afge- 
broken. 

Omstreeks tien jaren na de verdrijving der Portugezen, be- 
proefden de Engelschen het, zich te Bandjermasin te vestigen, 
en wel op uitnoodiging van den Sultan. Het juiste tijdstip 
hunner nederzetting is eenigzins onzeker, naardien het volgens 
Valentyn in 1702, doch volgens eene andere bron in 1701 
zoude hebben plaats gehad 9). Zij hadden aan den kant der 
rivier eene schans aangelegd , van aarden wallen en houten pa- 
lissaden omgeven, en, Ier versterking der bezetting , een aantal 
Boeginezen van Gelebes in hunne dienst genomen. Dit gaf den 
koning van Boni aanleiding, zich bij den Hollandschen Gou- 
verneur te Makassar te beklagen over de pogingen, welke de 



Engelschen te Bandjermasin in het werk stelden, ora zijne 
onderdanen te verleiden, daar zij er reeds meer dan driehonderd 
tot hunne dienst hadden overgehaald. Het getal der Engelschen 
te Bandjermasin beliep, van den beginne af, niet boven de 
veertig hoofden, vati welke er echter spoedig verscheidene door 
scheurbuik en andere ziekten werden aangetast en weggerukt. 
De Mohammedaansche bevolking, aanmatigend, hebzuchtig en 
roofgierig, gelijk zij altijd was, smeedde weldra ook tegen de 
Engelschen een en aanslag; doch dezen, tijdig daarvan onder- 
rigt, wachtten dien niet af, maar vielen zei ven den vijand 
moedig op Tiet lijf. In weerwil hunner geringe magt, uit niet 
meer dan een tiental weerbare Engelschen en omtrent veertig 
Boeginezen bestaande, maakten zij zich meester van Bandjer- 
masin en van nog eenige andere voorname dorpen, onder 
welke Valentyn zelfs Kajoetangi en Martapoera opnoemt; zij 
namen vele goederen in beslag en behielden vervolgens de 
hoofdplaats Bandjermasin voor zich, of br^gten haar ten minste 
onder hun onmiddellijk bestuur. De overige dorpen gaven zij 
aan den Panembahan of Sultan terug, die aan de Engelschen 
daarentegen drieduizend rijksdaalders uitbetaalde voor oorlogs- 
kosten en schadevergoeding. De herstelde vrede was intusschen 
van geen langen duur, maar werd weldra ten nadeele der En- 
gelschen op nieuw verbroken. Die botsing welke in 1707 
plaats vond, was van dat gevolg, dat de Engelschen , na zware 
verliezen geleden te heSben, het land geheel en al moesten 
vaarwel zeggen. 

Bandjermasin zag zich nu wederom van den Europeschen han- 
del, waaraan het reeds behoefte had gekregen , verstoken, en enkel 
tot dien met China, Siam en andere naburige staten beperkt. 
Ten einde hierin verandering te brengen, zond de vorst, in 
1712, twee afgezanten aan de Hollandsche regering te Batavia, 
en liet haar uitnpodigen, de afgebrokene handelsbetrekkingen 
met zijn rijk te willen hervatten. De regering, den wispel- 
turigen eiv trouweloozen aard dier eilanders bij ondervinding 
kennende, gaf niet dan aarzelend aan dit verzoek gehoor , doch 
vaardigde ten laatste twee harer dienaren derwaarts af, ten 
einde, met den Sultan in onderhandeling te treden. De uitslag 



11.0 



beantwoordde ondertosschen niet aan de verwachting; zoodai 
de beide gevolmagtigden, zonder eenige schikking te hebben 
kunnen treffen , naar Batavia terugkeerden. De Sultan liet echter 
niet af met nu en dan andermaal aanzoek te doen , ten gevolge 
waarvan eindelijk in 1726 de vaart der Hollanders naar Bandjer- 
masin hervat, en in 1733 een nieuw verdrag tot stand kwam, krach- 
tens hetwelk zich de Oost-Indische Compagnie verbond, den vorst 
tegen al zijne vijanden te zullen beschermen , terwijl aan haar vrij- 
heid van handel werd verleend , met uitsluiting van alle andere 
natiën, uitgezonderd de Chinesche, aan welke het geoorloofd zoude 
zijn, daar jaarlijks, door middel eener enkele jonk, eeue lading 
peper te komen afhalen. //Doch deze uitzondering gaf aanleiding, '< 
zegt van Kampen ^^) , //dat er eene menigte vaartuigen regtstreeks 
uit China naar Banjermassin voeren: een handel reeds oudtijds, 
doch thans meer dan immer in zwang; terwijl het schip, dat de 
Hollanrische Compagnie sedert 1726 jaarlijks derwaarts zond, 
onder allerlei voorwendsels , zoo als misgewas, verval van plan- 
taadjes enzv., zonder genoegzame lading werd teruggezonden* Dit 
deed den Gouverneur-Generaal besluiten om dien handel niet 
China te beletten en een smaldeel van drie schepen en twee barken, 
onder den Eerste-Luitenant Ackervelt,, ie gelasten, de Chinezen, 
die Banjer mogten willen bezoeken, van daar af- én naar 
Batavia, Cheribon en Samarang te wijzen, en de haven van 
Banjer te blokkeren , niet alleen voor de Chinezen , maar ook 
voor alle andere natiën, uitgenomen de Hollanders.// Evenzeer 
als de bepalingen van genoemd verdrag telkens door den Sultan 
van Bandjermasin en zijne onderdanen verkracht en dooï allerlei 
gezochte uitvlugteu en verschooningen ontdoken werden, vond 
zulks ook ten opzigte van die overeenkomsten plaats, welke 
later, in 1746 en 1756, tusschen beide partijen tot stand 
kwamen "). Deze gesteldheid van zaken onderging echter eene 
aanmerkelijke verandering na de omwenteling,, welke in de laatste 
helft der achttiende eeuw te Bandjermasin plaats had , en waar- 
mede, in de geschiedenis van dit Bijk, een nieuw en belang- 
rijk tijdvak begint. 

Omtrent het jaar 1780 kwam het beheer over dien staat, 
gedurende de minderjarigheid van den wettigen troonopvolger, 



onder de voogdijschap van diens neef, Pangéran Nata genaamd , 
een' ondernemend' prins, die na eenige jaren enkel als voogd 
geregeerd te hebben, zich het opperste gezag toeeigende en, 
onder den titel van Fanembahan Batoe, den rijkszetel innam. 
Dit gaf tot ernstige binnenlandsche onlusten en het plegen 
vaif velerlei wreedheden aanleiding. De Mohammedaansche 
heerschers van Bandjermasin hadden de grenzen van hun gebied 
allengskens dermate uitgebreid, dat hun gezag zich westwaarts 
tot Kotaringin, van welk landschap tegenwoordig de rivieren 
baai ^an Koemai de oostelijke grens vormen, en aan de zuid- 
oostkust van Borneo noordwaarts tot voorbij het landschap 
Koeti uitstrekte. Pasir was in het begin der achttiende eeuw 
door den zevenden Sultan beoorloogd, overwonnen en dienvolgens 
schatpligtig geworden aan dien vorst en aan zijne opvolgers. 
De bevolking dier landstreek, voor een groot gedeelte uit Boe- 
ginezen en hunne afstammelingen bestaande, en wegens hare 
zucht tot zeerooverij en het stroopen langs de kusten berucht , 
nam de wederregtelijke bezitneming van den troon tot voor- 
wendsel om zich met te meer stoutheid aan menschen- en 
goederenropf te kunnen overgeven. Onder den schijn van den 
verdrongen, wettigen troonopvolger in zijne regten te willen 
herstellen, bragt het volk van Pasir, met eene bende slecht 
gespuis van Koeti, Poeloe Laoet en andere naburige kustlanden, 
den troon verweldiger Panembahan Batoe zoodanig in het naauw, 
dat hij geene andere redding vond, dan bij de Hollandsche 
Oost'Indische Compagnie, die hij om bijstand smeekte. Zij 
snelde hem dan ook ter hulp: eensdeels, ten einde zoo spoedig 
mogelijk aan de verwoestingen en wreedheden van den krijg 
een einde te maken; anderdeels met het vooruitzigt, om na de 
herstelde rust, voor zich-zelve meerdere voordeden uit dat 
land te kunnen trekken. De Panembahan Batoe, vreezende 
anders alles te zullen verliezen, bewilligde gereedelijk in iedere 
voorwaarde, onder welke men goedvond hem hulp te verleenen, 
en men was er wel op bedacht, hem die door het afstaan van 
land te doen betalen. £r werd dus eene genoegzame magt naar 
Bandjermasin gezonden om den opstandelingen vrees aan te 
jagen, den vreemden vijand te verdrijven en den Sultan in 



I t;J 

zijn gez»g te bevestigen. Deze, doordrongen van dankbaarheid 
voor de hem beweeene groote diensten, sloot dai^rop, in den 
jare 1787, een verdrag met de Oost-Indische Compagnie, waarbij 
bij geheel zijn rijk, in volle souvereiniteit , aan haar afstond, 
en het alleen als erfelijk leen weder aanvaardde^ behalve die 
landstreken , welker bezit den Sultan hoegenaamd geen voordeel 
aanbragt, maar hem, bij gebrek aan magten zedelijken invloed, 
niet dan zorg en onrust berokkende. Daarom schonk hij den 
Hollanders gaarne de verwijderde, binnenlandsche twee derde 
gedeelten van de Soengi Doeson, alsmede al de lage en door 
Dajakkers bewoonde landen bewesten deze rivier, tot bij Kota- 
ringin toe; voorts Poeloe Laoet, Tanah Pasir, welk distrikt 
den Sultan toch reeds alle gehoorzaamheid ontzegd en zich het 
meest vijandig tegen hem getoond had, 'benevens nog eenige 
andere kuststreken aan den oostkant van het eiland i^). Van 
dien tijd dagteekeut bijgevolg het landbezit en de eigenlijke 
vestiging der Nederlanders in de zuidelijke gedeelten van 
Borneo. De Panembahan Batoe, met welken zij bet verbond 
ten deze sloten, was de grootvader van den tijdens onze aan- 
wezigheid regei'enden Panembahan Adam, wiens vader de in 
1825 overledene Panembahan Soléman was. 

De Nederlanders hadden gedurende twee-en-twintig jaren, 
of van 1787 tot 1809, voortdurend eene kleine militaire be- 
zetting, een civiel opperhoofd en eenige andere Europesche 
ambtenaren te Bandjermasin gehad, zonder dat, gedurende dat 
tijdvak, eenige vermeldingswaardige staatkundige gebeurtenis 
aldaar is voorgevallen. In de maand Mei 1809 echter, werd 
Bandjermasin door hen verlaten, aangezien de Maarschalk 
Daendelfi dit etablissement, even als meer andere, buiten Java 
gelegene, als een^ lastpost beschouwd^. — Toen in 1811 ach- 
tereenvolgens al de Indische eilanden onder Britsche heer- 
schappij geraakten , wendde de Sultan van Bandjermasin zich 
tot deze nieuwe hoeren, met het verzoek om handelsbetrek- 
kingen aan te knoopen, en hem, in zijnen benarden staat, hulp 
te willen verleenen. Een grillig Engelschman, Hare genaamd, 
die noch onder vreemde wetten, noch onder vreemde vlag, van 
welke natie ook, verkoos te leven, maar zijn eigen wetgever 



wilde zijn en zijne eigene vlag wilde voeren, deze zonderling 
vestigde zich, in 1812, tot groot genoegen van den Sultan en 
onder goedkeuring van den Engelschen Luitenant-Gouverneur 
op Java, meteen aantal, tot dat einde door hem aangeworven , 
Javaansche huisgezinnen, in de zuid-oostelijke streken van 
Borneo. Hij ontving van den Sultan eene uitgestrektheid lands 
ten geschenke, verdeelde dit akkersgewijze onder de zijnen, 
bouwde er eene kleine sterkte , deed zijne onderhoorigén , op 
Europesche wijze, in den wapenhandel oefenen en bekleedde 
zich met een volstrekt onafhankelijk en eigendunkelijk gezag 
over de door hem gestichte, jeugdige volkplanting. Zoodra 
echter de overzeesche koloniën , na de herstelling van den alge- 
xneenen vrede, aan Nederland terug werden gegeven, was zijn 
rijk uit en zijn gezag geëindigd. Het oude contract, in 1787 
tusschen de voormalige Oost-Indische Compagnie en den Sultan 
van Bandjertnasin geslotep, werd door eenen derwaarts afge- 
vaardigden Commissaris, in 1817, vernieuwd en , door verschil- 
lende noodzakelijke bepalingen, welke uit de veranderde rege- 
ringsbeginselen voortvloeiden, eenigzins gewijzigd. Hetzelfde 
had later , nadat men met de behoeften des lands en de wenschen 
van den Sultan beter bekend was geworden , nog eenige malen 
plaats. Bij die overeenkomsten werd de geheele zuid-oostelijke 
landtong, de zoogenaamde Laoet-landen {Tanah-laoet d. i. aan 
zee gelegen land), insgelijks in vollen eigendom aan 
Nederland afgestaan; zoodat, volgens het verdrag met den 
Panembahan Adam, in 1826 gesloten, thans nog slechts 
die landstreek aan den vorst toekomt en onder diens bestuur 
staat, welke men aanduidt door de woorden: //Gebied 
van den Sultan, f/ of //Sultanslanden.// 

Na bet gegeven beknopt overzigt van de staatkundige ont- 
wikkding, den bloei en het verval van het Rijk van Bandjer- 
masin, gaan wij thans over tot de beschrijving der hoofdplaats 
van dien naam, zoo als wij haar in het jaar 1836 bevonden 
hebben. 

Er bestaat naauwelijks een Europeesch etablissement in geheel 
Oost^Indië, van hetwelk de plaatselijke ligging op alle land- 
en zeekaarten, tot in den. jongsten tijd, zoo weinig naauw- 



]4>4 

keurig is opgegeven, als van Bandjerraasin i^). Op de meeste 
kaarten vindt men deze hoofdplaats ruim zes geographische 
mijlen binnen den mond der rivier Bandjer , op omtrent 2° 55' Z. 
breedte aangeteekend ; terwijl zij , volgens onze kaart , op 3^ 20' Z. 
breedte, en slechts ongeveer vier geographische mijlen (linia 
recta) landwaarts in, gelegen is. Hare geographische lengte 
wordt vrij algemeen tusschen 114° 37' en 114° 40' beoosten 
den meridiaan van Greenwich gesteld. 

Omstreeks drie geographische mijlen binnen de mondopening 
der groote Ban dj er-rivier of Soengi Barito, gelijk zij door de 
inlanders van het lagere gedeelte veelal genoemd wordt, ontlast 
zich in hare linker zijde de zoogenaamde kleine Banjer-rivier 
of Soengi Tatas, die, uit de hoogere oostelijke streken der 
Sultans-landen afkomende, van de langs hare oevers liggende 
dorpen verschillende namen ontleent en ongeveer ééne geogra- 
phische mijl vóór dat zij de Baritto bereikt, met dezen stroom 
nog door een' arm of ondiep kanaal , Antassan Kween genaamd, 
verbonden is. Het is door deze gaffelvormige verdeeling , dat een 
stuk land in den vorm van eenen langwerpigen driehoek , van alle 
zijden door water bespeeld, tot een eiland gevormd wordt, dat 
den naam draagt van Poeloe Tatas i*). In den oostelijken 
binnenhoek van dit eilandje, dddr, waar de vereeniging plaats 
vindt tusschen de Antassan Kween en de Soengi Tatas of 
S. Martapoera, gelijk deze rivier hooger op genoemd wordt, 
ligt de hoofdplaats Bandjer of Bandjermasin. Het onbeduidende 
fort, de woning van den militairen Commandant en die der 
burgerlijke ambtenaren, het hospitaal, de gouvemements-pak- 
huizen en het tolhuis, bevinden zich alle op het eiland Tatas, 
langs den regter oever der rivier van dien naam; terwijl daar 
tegenover, op haren linker oever, de Ghinesche wijk, eene 
woning van den regerenden Sultan en eene van zijnen ondsten 
broeder, den Pangéran Mangkoe Boemi of Bijksbestuorder, 
benevens die van een aantal geringere inlanders gelegen zijn. 
De Antassan Kween vormt de grensscheiding tusschen het 
gebied van het Gouvernement en dat des Sultans^ wordende 
de bewoners ter oostzijde van dit natuurlijke kanaal , als onder- 
danen van dien vorst beschouwd, terwijl de gehuchten ter 



145 

westzijde van hetzelve, alsmede die langs de beide boorden der 
rivier Tatas, van Bandjermasin af beneden waarts , tot aan hare 
aitwatering in de Barito, bij de Schans van Tuyll, op Neder- 
land sch grondgebied staan. 

Bandjermasin is zeer arm aan landwegen. Het bezit er slechts 
een' enkelen, langs den westelijken of regter-oever der Soengi 
Tatas, van het gonvernements-tolhuis of den zoogenaamden 
//Boom,// tot aan de woning van den Resident loopenJe; hij 
is door kunst opgehoogd en kan ten allen tijde droogvoets 
begaan worden. Buiten dezen vindt men op Poeloe Tatas nog 
eenige, minder tegen overstrooming beveiligde paden. Een van 
hen, de militaire weg genaamd, leidt van achter het fort, 
langs een kanaal, Antassan Besar geheeten, dwars door het 
eiland , tot aan den oeverkant der Barito , omstreeks ter hoogte 
van Poeloe Kam bang, hetwelk in laatstgenoemde rivier ligt. 
Hier stond voorheen de sterkte Prins Prederik , die thans inge- 
trokken en zelfs geslecht is. Men vindt te dier plaatse en in 
de nabijheid, niet ver van de westelijke uitmonding der Antjassan 
Kween, nog enkele fondamenten, steenen en stukken vanldak- 
pannen, als overblijfselen van de daar gestaan hebbende 
gebonwen en, volgens het zeggen der inboorlingen, zal men 
soortgelijke overblijfselen ook aan de noordzijde van gemeld 
kanaal, op geringen afstand van het tolhuis des Sultans, aan- 
trefien.'Of welligt die bouwvallen dagteekenen van het verblijf 
der Portugezen in het laatst der zeventiende-, of wel van de 
vestiging der Engelschen in het begin der achttiende eeuw, 
hebben wij niet kunnen opsporen. 

Bandjermasin levert voor hem, die nooit eene stad of dorp 
als op het water drijvende, gezien heeft, een zeer vreemd 
schouwspel op. Het land is aan weerszijden der rivier zoo laag, 
dat het dagelijks, bij het rijzen van den zeevloed , overstroomd 
wordt. Dit is de reden , dat alle langs den wal staande woningen , 
twee of drie voeten boven den moerassigen grond, op palen 
rusten, en meestal terzelfder hoogte, door middel van smalle 
houten gangen, bij wijze van bruggen, met elkander onderling 
of wel alleen met den oever in verbinding staan. Niet weinige 
huizen echter, vooral van de Chinesche handelaren, staan op 

10 



1^6 

raiifs of houtvlotten in de rivier: eene woonwijze, die zoowel 
het gemeenschappelijk verkeer begunstigt, als zindelijk, koel 
en gezond is. De vlotten bestaan uit zware boomstammen of 
balken , welke met bamboesriet en bind rotting -aan elkander 
verbonden, en door gevlochten rottingtouw, betzij aan den 
oever , hetzij aan eenige sterke heipalen bevestigd zijn. Zij rijzen 
en dalen met den stand van het water, en staan veelal door 
kleine drijvende bruggen met een' der wall^i in gemeenschap. 
Somwijlen ook liggen zij geheel vrij, en men gaat en komt 
alsdan met kleine inlandsche roeischuitjes, gewoonlijk praauwen 
of praauwtjes genoemd (van het Maleische woord prahoSy 
dat een va ar tui gin het algemeen beteek ent). De meeste handels- 
artikelen vindt men op de rakit's uitgestald; andere koopwaren, 
inzonderheid mondbehoeften, worden in praauwtjes aangeboden. 
Deze ligte bootjes, uit dunne planken van ijzerhout of uit 
eenen enkelen uitgehoolden boomstam bestaande, worden 
gewoonlijk slechts door één\ zelden door twee of meer personen , 
dikwerf vrouwen , met eene korte pagaai of roeispaan voortge- 
stuwd, en men ziet ze onophoudelijk, inzonderheid op de 
marktdagen, langs de rivier heen en weder zweven. Sommigen 
dienen alleen tot het overzetten van menschen; anderen zijn 
als vlottende kramen, met lijnwaden, sitsen en andere kleeding- 
stoffen, raauwe of reeds toebereide eetwaren, rijst, bataten, 
groenten en vruchten, hoenders, eijeren, visch of vleesch en 
dergelijken overvloediglijk beladen. Met één woord , de geheele 
oppervlakte der rivier strekt tot algemeene marktplaats; zij is 
schier het middelpnnt van alle menschelijk verkeer, daar er 
geene andere gemieenschap te land bestaat, dan de weinige voet- 
paden op het eilandje Tatas. 

Het zal wel overbodig zijn aan te merken, dat men te Ban- 
djermasin noch rijtuigen, noch paarden vindt; de eenige nuttige 
huisdieren aldaar, zijn hoofdzakelijk varkens, geiten, honden, 
ganzen, eenden en hoenders. Nu en dan evenwel worden door 
de Chinesche slagters ook buffels en runderen gedood, die 
echter van elders, uit de meer hooge en grasrijke Laoet- en 
Sultans-landen afkomstig zijn en tot dat doel worden aangevoerd. 
De naaste omstreken van Bandjermasin en de kustlanden ten 



147 

westen van daar, zijn te laag, te zeer aan overstrooming van 
zeewater blootgesteld en door de houtbosschen of het harde 
riet, waarmede zij bedekt zijn, te arm aan voedzaam gras, 
dan dat groote herkaanwende dieren aldaar zouden kunnen 
worden aangefokt. 

De huizen der inlanders en der Chinezen, zoo op den wal, 
als op de houtvlotten in de rivier, bestaan gewooonlijk uit 
een geraamte van heele 'of tot sparren gespletene stammen van 
den nibohgpalm ib) en uit latten van bamboesriet. De wanden 
zijn bekleed met hadjang i<() van den nipapalm, en het dak is 
met ataf i^^ van denzelfden palm gedekt. De talrijke palen, 
waarop "de huizen aan den wal doorgaans rusten, bestaan uit 
heele stukken van den nibongstam, vermits het hoornachtig 
harde buitenhout van dezen palm , gelijk reeds Bumphius aan^ 
merkt, eene der beste en duurzaamste van alle houtsoorten is. —* 
De goüvernements-gebouwen te Bandjermasin zijn daarentegen 
van steenen, planken of bamboes, en bezitten gedeeltelijk pannen* 
daken of dezulke, die uit daklei vormige plankjes (sirappen) 
van ijzerhout zijn zamengesteld. Het zoogenaamde fort, ten 
naastenbij in het midden tusschen het tol- en het residentie^ 
huis gelegen, is omgeven van eene hooge palissadéring van 
nibongstammen , die in 1325 werd opgerigt, toen de muite^ 
lingen van de Fekoempai (het middelgedeelte der rivier Doeson), 
de hoofdplaats met eenen aanval bedreigden. Vroeger bestond 
er eene, met ijzerhouten palen omheinde versterking, binnen 
welke, behalve de gebouwen voor het garnizoen, ook de pak« 
huizen en de woningen van de civiele ambtenaren der Gom* 
pagnie gelegen waren. Naardien men de ongezondheid binnen 
die afgeslotene ruimte hoofdzakelijk aan de ijzerhouten palis* 
sadéring toeschreef, werd zij later weggenomen. De tegenwoor- 
dige verschansing, onder den naam van /i^fort Tatas// bekend, 
bevat alleen het kantoor van den Besident, benevens de gou-» 
vernemen ts- kas, eene officierswoning, de kazerne en het 
kruidmagazijn. Deze gebouwen zijn grootendeels uit granietsteen 
opgetrokken, naar men ons zeide, van het eiland Bangka 
afkomstig. Een Kapitein,^ met een drietal Luitenants onder 
zijne bevelen , heeft het commando over de geringe krijgsmagt 



148 

te Bandjermasin en van de drie andere sterkten (te Marabahan, 
Taboeniau en der Schans van Tuyll) in de zuidelijke gedeelten 
van Borneo. 

De bevolking van Bandjermasin, met inbegrip van die langs 
de Antassan Kween en elders op het eilandje Tatas, wordt 
tegenwoordig geschat op ongeveer vijftienhonderd Chinezen en 
hunne afstammelingen, en omtrent vierduizend inlanders, zoo 
Mohammedanen als heidensche Daj akkers. Vele van hen en vooral 
van de Chinezen, leven van den handel, dien zij eensdeels met 
de bevolking der Sultanslanden en met die der Doeson en der 
zoogenaamde kleine Dajak (Soengi Beadjoe of Poeloe-petak), 
anderdeels met de van elders te Bandjermasin aankomende 
padoewakan's , jonken en schepen onderhouden. Sommige be- 
woners leggen zich eeniglijk op den in- en verkoop van levens- 
middelen toe; anderen varen met hunne roeischuitjes personen 
de rivier op en af; wederom anderen zijn duikers en zoeken 
op den bodem der rivier* naar voorwerpen van waarde, die aan 
de menigte van rondvarenden ligtelijk ontvallen of bij het kan- 
telen van een bootje vaak in de diepte wegzinken; terwijl de 
overigen in hun onderhoud pogen te voorzien door de visch- 
vangst, door het telen van rijst, vruchten en groenten, door 
het fokken van varkens, eenden of hoenders, door het kappen 
van nibongboomen , het snijden van bindrotting en nipa-bladen, 
het verzamelen van boomharsen {damar) en van verschillende 
reuk- of verfstof bevattende houten {hajoe garoe of Lignum 
aloës, kajoe aintok^ Jcajoe sapang enzv.) het zoeken naar stof- 
goud, het vlechten van matten, mandjes en hoeden, en der- 
gelijken meer. In een land, door de natuur met zoo velerlei 
nuttige en kostbare voortbrengselen bedeeld, behoeft het den 
mensch in geenen deele aan een ruim bestaan te ontbreken, 
indien hij slechts de moeite wil nemen , de talrijke hulpbronnen, 
die het daartoe bezit, op te sporen en, haar gevonden hebbende, 
daaruit te putten. De even schrandere als nijvere Chinezen 
weten er zeer wel partij van te trekken; en die hunner, welke 
over een matig kapitaal kunnen beschikken en dit in den 
handel steken , worden meestal in korten tijd vermogende lieden. 
Men heeft ons verzekerd , dat de handelaren dier natie hunnen 



149 

geldschieters gaarne eene rente van twintig tot vijf-en-twintig 
ten honderd betalen. Het is niet te berekenen , tot welke hoogte 
het vertier zoude kunnen worden opgevoerd, en welke onnoe- 
melijke voordeelen aan !N^ederland zouden toevloeijen, indien 
de zoo vruchtbare binnenlanden van het zuidelijk gedeelte van 
Bomeo meer bevolkt waren , of wanneer het ooit mogt gebeuren, 
dat zich eene genoegzame menigte Europesche kolonisten daar 
vestigde en aan den grond de schatten ontwoekerde, welke hij 
van nature reeds zoo overvloediglijk bezit en door eene gepaste 
bewerking in staat is op te leveren. 

De voornaamste artikelen^ welke te Bandjernnasin worden 
uitgevoerd » bestaan in : stofgoud , diamanten , eetbare vogelnesten 
bijenwas, bindrotting, rotting- en andere matten, kadjang, 
witte en bruine damar, drakenbloed, zwarte peper, aloë- en 
andere houtsoorten tot wierook, geneesmiddelen of verfstoffen 
dienende; verschillende droogerijen, gedroogden visch en her- 
tevleesch, alsmede in horens en pooten van herten en meer 
andere, minder geachte voorwerpen. Ingevoerd worden voorna- 
lijk: lijnwaden en sitsen, gambir, Chjneesch aardewerk , tabak , 
zout , .koperdraad en allerlei kramerijen , van metaal , glas en 
porselein. De in- en uitgaande r^en, bij het tolkantoor te 
Bandjermasin , bedragen gemiddeld ƒ 50,000 'sjaars. 

Tijdens onze aankomst te Bandjermasin, in de eerste dagen 
van Augustus 1836, dus in de drooge of oost-moeson, washet 
klimaat gedurende den dag zeer warm en droog , en des nachts 
vrij koel. In den vroegen ochtend zagen wy ons meestal in 
een^ dikken, onaangenaam vochtigen nevel gehuld, die eerst 
tegen acht of negen ure des voormiddags optrok. Dehonderd- 
deelige thermometer teekendemet zonsoj^ang gewoonlijk 20° — 
20^5, omstreeks een uur later 21^5, tegen den middag 80^5, 
omtrent twee ure na den middag, zijnde het heetste tijdstip 
van den geheelen dag, 32°^ somtijds eenige tienden minder,somtijds 
ook wel iets meer, en met het vallen van den avond, tegen 
zes ure, gemiddeld 28^5 — 29°. — Met volle maan liep de 
stroom, door den vloed der zee te weeg gebragt, van één uur 
na middernacht tot ruim één uur na den middag op-, het 
overige gedeelte van het etmaal afwaarts. De invloed van het 



150 

watergetijde, die zich tot ver boven Bandjeraasin uitstrekt, 
vertoont doorgaans slechts eenmaal in de vier*en*twintig uren 
eenen geregelden op- en afloop; doch, volgens het zeggen der 
inlanders, neemt men somwijlen nog zoogenaamde doode getijen 
waar, die gedurende weinig uren alleen eenig wassen en dalen 
vt^n het water der rivier veroorzaken. — Wij zijn , door middel 
van het rijzende water, met de schooner Anadyomene, bij 
helderen maneschijn, in drie nren tijds, van de Schans van 
Tujll, aan den mond der Soengi Tatas, tot tegenover het fort 
van Bandjermasin deze rivier opgevaren. 

De groote rivier van Banjer, en ook de kleine (S. Tatas), 
aan wier boorden de hoofdplaats ligt,: bezitten genoegzame 
diepte om voor groote schepen bevaarbaar te zijn. Dit is 
echter geenszins het geval met de modderbank, welke dwars 
voor den mond der groote rivier is gelegen , en waarop bij laag 
water slechts één vadem, en bij hoogen stand niet veel meer dan 
twee vademen water staan. Eenigzins groote schepen blijven er 
soms weken lang op vastzitten en kunnen niet, dan na veel 
arbeids, met behulp van werpankers en dreggen, langzaam 
door den weeken slijkgrond der bank heengeraken. Aan weers- 
zijden van deze moeijelijke plaats is de zee nog ondieper en 
de grond gedeeltelijk zandig en hard. De groote Banjer-rivier 
is aan haren mond ten naastenbij ééne en drievierde zeemijl 
(60=1 graad) of omtrent 3840 meters breed , maar wordt naar 
binnen toe veel naauwer. Hare oevers zijn in dit benedenste 
gedeelte zeer laag, moerassig, en digt begroeid met nipa-palmen, 
Crinum, Sonneratiae en struiken. Bij het opvaren zagen wij 
vele kleine roeischuiten langs de kanten, op sommige waarvan 
lage hutjes van kadjang stonden, welke dikwerf maandenlang 
^an kleine gezinnen ter woon verstrekken. De inlanders houden 
eich daar meest bezig met het snijden van nipa-bladen en bet 
visschen. Buitendien valt er weinig van eenige waarde in deze 
waterrijke en ontoegankelijke wildernissen te halen. — De neusaap 
(Semnopithecus nasicus) is er een der gemeenste zoogdieren, 
op welken echter alleen de heidensche Dajakkers, ten wille 
van zijn vleesch , «doch nooit de Mohammedaansche inlanders 
jagt makeui Het water der rivier is voor het x)verige niet slechts 



151 

rijk aan sinakelijken visch; maar vooral ook aan gevaarlijke 
krokodillen van het gewone tweelijstige en het stompkoppige 
raa (Crooodilns biporcatas en raninus). Uit de klasse der vis- 
schen zijn ons te Bandjermasin dikwerf onderscheidene soorten 
van het geslacht Ophiocephalus te koop aangeboden, waarvan 
jaarlijks honderd-d aizendtallen versch genuttigd, doch meer nog 
gedroogd en naar elders uitgevoerd worden; voorts Toxotes 
jacnlator, welke gebraden, zacht, sappig en uitmuntend van 
smaak is; de minder als spijs geachte, doch door de bijzonder- 
heid, dat hij lage boomen beklimt, eene zekere vermaardheid 
erlangd hebbende Anabas scandens, en meer andere zoet- en 
zoutwatervissehen. Ook van eene waterslang , Acrochordus java- 
nicus, welke de inlanders bij het visschen in de rivier Tatas 
^^g^^S waren geworden, zijn ons verscheidene voorwerpen 
levend aangebragt. Bij een groot voorwerp, ter lengte van om- 
streeks zes voet, nam ik des middags te vier ure, nadat het 
reeds van des ochtends tien ure af, in krachtigen wijngeest 
bad gelegen , nog eene sterke beweging det buikspieren en eene 
grootere prikkelbaarheid waar, dan mij ooit in die mate bij 
eenige andere slangensoort was voorgekomen. 

Wij besluiten dit hoofdstuk van ons reisverhaal met de aan- 
merking, dat de veelal in groepen vereenigd staande inlandsche' 
hnizen langs de boorden der rivier Tatas, beneden Bandjermasin, 
alsmede die langs de Antassan Kween, als zoo vele afzonder- 
lijke gehuchten, met verschillende namen door de inboorlingen 
bestempeld worden. In de nabijheid der hoofdplaats vindt men 
voorts, aan den regter oever der Soengi Tatas, eene plek 
gronds, die kunstig opgehoogd en onder den naam van ^^^ïJm^ 
lama^ d. i. oude schans , bekend is. Aldaar stond voorheen eenig 
geschat van den Sultan, dat ter verdediging van een' ijzeren 
ketting strekte, welke op die hoogte* over de rivier was uit- 
gespannen. Dit en eenige andere gedeelten opgehoogden grond 
te Bandjermasin, alsook eene plek aan de regter zijde der uit- 
monding van de rivier Tatas, waarop de Schans van Tuyll 
staat, zijn de eenige verhevenheden, die niet dagelijks aan de 
overstrooraing van het zoute vloed water zijn blootgesteld. De 
Schans van ïujU, welke den mond der rivier Tatas en de vaart 



15£ 

op de groote rivier Barito, doch deze slechts gebrekkig, be- 
schermt, bezit aarden wallen van eenige stokken geschat voor- 
zien, terwyl een Earopeesch onderofficier daar gewoonlijk bevel 
voert. 



.II. 

BEIS VAK BANDJEBMASIN NAAK HET BINNENLAND, LANGS DE SOSNGI 
DOESOM EN OVEB DEZE BIVIEB TEBUQ NAAB DE SOENOI BBADJOE. 



De groote rivier van Bandjermasin draagt in onderschei- 
dene gedeelten van haren loop verschillende namen. In het 
benedengedeelte, van hare uitwatering in zee tot aan de Kampong 
Fekoempai of het fort Marabahan, geven haar de inlanders 
gewoonlijk de namen Soengi Bandjer of Soengi Barito; boven 
het fort Marabahan tot omstreeks de Dano Babai , wordt zij 
Soengi Fekoempai is) genoemd; terwijl zij boven de Dano Babai, 
tot nabij de Soengi Tohop, meer bepaaldelijk den naam van 
Soengi Doeson is) draagt, en eindelijk boven laatstgemeld punt, 
waar zij eene meer westelijke hoofdrigting aanneemt, onder dien 
van Soengi Moeroeng bekend is. De naam van Doeson wordt 
echter bij de bewoners van Bandjermasin en omstreken het 
meest gehoord , .en door de Europesche ambtenaren gewoonlijk 
op de.geheele rivier toegepast, welke gewoonte dan ook door 
ons zal worden opgevolgd. 

Gelijk men op onze algemeene kaart vindt aangeduid, ont- 
springt deze aanzienlijke rivier uit het gebergte benoorden de 
evenachtslijn. //Zij ontstaat uit de vereeniging van twee armen — 
schrijft Dr. Schwaner w) — die aan de noordelijke grens van 
haar stroomgebied, op de beide voornaamste bergen der water- 
scheiding, den Batang Lissong en Batoe Ajan of Batoe Andan, 
ontspringen. Op eerstgenoemden heeft de Soengi Belatong, de 
westelijke arm, op c. c. P 6' N. br. en 114° O. 1. zijnenoor- 
sprong; op laatstgenoemden, slechts weinige mijlen oostelijker, 
de Soengi Moeroeng. Beide vereenigen zich, na bijkans één' 
geographischen graad zuidwaarts gestroomd te zijn , op ongeveer 



158 

0° 16' N. br. en 113® 58' O. L, om onder den gemeenschap- 
pelijken naam van Soengi Moeroeng haren loop weldra in eene 
oostelijke rigting te vervolgen.// De wildheid en ontoeganke- 
lijkheid van dien bovenloop der Döeson-rivier is oorzaak dat 
men daarvan nog weinig kennis bezit. Haar middenloop mag 
men rekenen te beginnen, waar de Soengi Djoloi zich met de 
Soengi Moeroeng vereenigt, en hare hoedanigheid van berg- 
stroom , te gelijk met de hooger aanwezige watervallen , is verloren 
gegaan: dns bij den Biam Boenoet, op omtrent O'^lÖ' N. 
breedte en 114? lengte beoosten Greenwich; van waar zij zich 
vervolgens tot bij de laatste oeverhoogte der Soengi Doeson, 
of den Goenong Bantau, op ongeveer 0°47'Z. breedte uitstrekt; 
nemende zij in de benedenste helft van dien loop weder eene 
zuidelijke hoofdrigting aan, welke zij ook in haren benedenloop, 
door het lage en vlakke land bijbehoudt. Haar geheele middenloop, 
zonder de kronkelingen mede te rekenen , zal derhalve ongeveer 
dertig geógraphische mijlen (iiuia recta) bedragen. In het laatste 
derde gedeelte van deze lengte, splitst zich de rivier in twee 
armen, onder den naam van Kwala ^i) Andjaman bekend. Deze 
naam koiht bepaaldelijk den noorder mond van den westelijken, 
kleineren riviertak toe, welke tak Soengi Beadjoe of Soengi 
Poeloe-petak , en door de Europeanen meer algemeen Dajak- 
kitjil of kleine Dajak, genoemd wordt De Soengi Beadjoe, na 
eenen zuid-westelijken loop van ongeveer acht geógraphische 
mijlen, vliet met de uit het noorden komende Soengi Kapoeas 
te zamen, en beide wateren stroomen alsdan, onder den naam 
van Soengi Moeroeng , ruim vijf geógraphische mijlen bewesten 
de groote Banjer-rivier, vereenigd in zee. Kleinere waterstraten, 
gelijk de Soengi Makatip en Soengi Mandangai, verbinden 
daarenboven, eenige mijlen hooger, de Doeson met de Soengi 
Kapoeas en de Soengi Beadjoe, terwijl een natuurlijk kanaal, 
Antassan Besar, dè Soengi Moeroeng met het benedengedeelte 
der Soengi Kahajan of groote Dajak (Dajak-besar) vereenigt. 
Door deze vertakking van verschillende rivierarmen en kanalen 
ontstaat een vrij uitgestrekt deltaland, hetwelk dagelijks bij 
hoog getij overstroomd wordt, en buitendien door de groote, 
uit de binnenlanden afgevoerde watermassa, gedurende de west- 



154 

moeson, onophoudelijk, doch langzaam, aan verandering onder- 
hevig is. 

De mond der rivier Banjer of Doeson is aanmerkelijk wijder 
dan de monden der westelijk van haar gelegene Soengi Moe- 
roeng {kleine Dajak) en Soengi Kahajan (groote Dajak), welke 
ongeveer een derde van eene geographische mijl breed mogen 
zijn. Deze drie . groote rivieren stroomen door het deltaland, 
ovef vrij diepe beddingen, van 3 of 4, tot 7 of 8 vademen 
wisselend; maar op geringen afstand buiten hare monden, zijn 
alle drie, door min of meer opgehoogde en breede modder- 
banken in de zee, voor groote schepen ongenaakbaar: een 
natuurlijk gevolg van de groote hoeveelheid fijne aarddeeltjes, 
welke door de, van tijd tot tijd boog gezwollen en alsdan ver 
buiten hare oevers tredende rivieren , uit de binnenlanden worden 
afgevoerd en, door de terugwerkende kracht van den vloed 
der zee, nabij hare mondingen opgehouden, aldaar als een bruin, 
taai slijk bezinken. Wij hebben het gewone peil op de bank voor 
den mond der Banjer-rivier, bij laag en hoog water, bereids 
opgegeven, en daarbij met een enkel woord de moeijeliikheden 
aangestipt, waarmede de schepen, wier diepgang meer dan twaalf 
of veertien voet bedraagt, dikwerf te worstelen hebben. Gelukkig 
echter is de zee in die wijde bogt , vooral gedurende de oost- 
moeson, meestal zeer kalm. 

Ongeveer anderhalve geograpbische mijl binnen den mond der 
groote Banjer-rivier liggen, midden in den Mroom, vier kleine 
en lage eilandjes , van welke het grootste den naam van Poeloe 
Kaget 22) draagt. Poeloe Kaget is het. noordelijkste der vier. 
Bene geogr. mijl verder vindt men een. ander, soortgelijk, van 
lieverlede door aanspoeling van aard- en plantachtige zelfstan- 
digheden ontstaan en reeds geheel bewassen rivier-eilandje, Poeloe 
Tam bang ^^) genaamd; en tegenover dit, aan den linker of 
oostelij ken oever der groote rivier, vèreenigt'zich met deze, de 
aan de westzijde van het Batoesgebergte ontspringende en langs 
de hoofdplaatsen Martapoera en Bandjermasin heenstroomende 
Soengi Tatas of de zoogenaamde kleine Banjer-rivier. 
. De Soengi Doeson ontvangt verreweg haar' meesten toevoer 
uit de oostelijke streken. Aan den westkant storten zich wel 



155 

eene menigte kleine rivieren en kreken in haar; doch aan de 
oostzijde wordt zij niet alleen door het water van zeer vel6 
kleine, maar ook van vier of vijf vrij groote rivieren gevoed^ 
van welke de Soengi Nagara, die hooger den naam van Soengi 
Babirik aanneemt, de aanzienlijkste is. Na deze, verdienende 
Soengi Tewei, de Soengi Ajo, Karaxi en Patai, benevens de 
bovengenoemde Soengi Tatas of Soengi Martapoera, gelijk ze 
bij het dorp van laatstgemelden naam heet, vermeld te worden. 
De Soengi Nagara heeft hare breede mondopening tegenover 
bet fort Marabahan (Moewara Bahan.). Bij dit fort neemt men 
dagelijks een even geregeld op- en afloopen van het water, 
door vloed- en rivierstroomingen , waar, als bij de hoofdplaats 
Bandjermasin , in de Soengi Tatas. In de Soengi Doeson strekt 
zich de ^vloed werking , gedurende de oost-moeson , ongeveer 2,5 
geogr. mijlen (linea recta) landwaarts, dat is tot bij of een 
weinig boven de Kampong Makatip, uit; doch ten tijde van 
het hooge water, in de west-moeson, wórdt de oplooping van 
den vloed naanwelijks tot bij de Kampong Kwala-patai waar* 
genomen. Boven deze dorpen, tot bij de eerste berghoogte, 
den Gh)enong Bantau, vindt men aan weerszijden der Soengi 
Doeson een aantal meren, onder welke de Dano Babai het 
grootste en fraaiste is. Soortgelijke meren worden ook langs de 
beide oeverkanten , in de hoogere streken van den benedenloop 
der Soengi Kapoeas en Soengi Kahajan aangetroffen. Deze 
meren (JDano'g)^ wier gedaante, ofschoon meestal zeer lang* 
werpig, toch even onregelmatig is, als hanne grootte en diepte 
verschillend , en wier lengte-as meestal parallel met de naaste 
rivierbedding loopt, mogen hun aanwezen gedeeltelijk aan eene 
inzakking van den grond te danken hebben, doch zijn vele 
klaarblijkelijk ook gevormd door eene langzame nitholing en 
wegspoeling van deuzelven, ten tijde der hooge waterstanden 
en de daarmede gepaard gaande uitgestrekte overstroomingen 
van geheel het omliggende land. In dat waterrijke tijdperk 
ontstaan niet zelden nieuwe ^m^^^^^s^) of natuurlijke kanalen, 
gevolgen der pogingen van den vloed om zich bij de groote 
kronkelingen dqr rivier, nieuwe en meer regtloopende beddingen 
te formeren ; terwijl op andere plaatsen wederom oude Antas- 



156 

san^s geheel of gedeeltelijk verslijkt worden. Indien zoodanige 
verslijking of verstopping in het lagere gedeelte van een kanaal 
plaats vindt, dan ontstaat al ligt, door het gestadig hooger in- 
stroomende water, van lieverlede eene verwijding, die ten leste, 
bij toenemende grootte, de gedaante van een meir erlangt. 
Hieruit is, ten opzigte der 'vermoedelijke vorming, af te leiden, 
dat de Antassan's in een naanw verband staan met de lang- 
werpig komvormige meren. Wanneer men deze en andere ver- 
schijnselen: als het ontstaan van kleine eilandjes in de lagere 
gedeelten dezer Borneosche stroomen; de gestadige ophooging 
en uitzetting van het deltaland, door den aanvoer van fijne 
aarddeeltjes uit de binnenlanden, en dergelijken meer, in aan- 
merking neemt, en men daarbij het oog vestigt op den uitge- 
strekten loop dier stroomen, inzonderheid van de Doeson,door 
eene landstreek, die slechts weinige ellen boven het zeevlak 
verheven is, dan laat het zich gemakkelijk denken, dat in de 
beneden-helft, bepaaldelijk door het moerassige deltaland, het 
water dezer rivieren slechts eene geringe stroomkracht en snel- 
heid moet bezitten, vooral bij den lagen stand, gedurende de 
drooge moeson. — Na deze korte, algemeene potamographische 
beschouwing, gaan wij tot ons reisverhaal langs de Doesonover 
Wij verlieten den SiO»***^ Augustus 1836 Bandjermasin. Elk 
onzer — D'. P. W. Korthals, D'. L. Horner en Schrijver 
dezes — had een afzonderlijk vaartuig ter zijner beschikking, 
van die soort, waarmede de Mohammedaansche inlanders en 
de Chinezen daar gewoonlijk den handel met de binnenlanden 
drijven. Deze vaartuigen, in het Maleisch Prahoe pandjang 
aambong ^^) geheeten, zijn 30—40 voet lang, aan den vdór- 
en achtersteven scherp en van eene, min of meer hoog, stijgende 
punt voorzien; zij hebben eene kleine, scherpe kiel, dooreen 
klein bootje gevormd, waarop ter weerszijden smalle ijzerhouten 
planken, door middel van houten pennen aan elkaar gehecht, 
eenige voeten hoog zijn opgetimmerd. Deze praauwen worden 
door een acht- of tiental, in de voorste helft gezeten roeijers, 
met lange riemen voortgestuwd, terwijl de stuurman aan het 
achtereinde zooved hooger is geplaatst, dat hij over het ka- 
djang-dak des vaartuigs kan heenzien. In de achterhelft der 



157 

pr^auv bevindt zich een 'klein afgeschoten vertrekje, ten ver- 
blij ve des eigenaars en tevens tot berging der voornaamste 
goederen : want het vaartuig strekt hem en de geheele beman^ 
ning, dag en nacht, gedurende de reis ter woning. Behalve 
zulk eene praauw, ter grootte van bijna twee hojaiis\ had elk 
onzer nog een^ Djoekoeng bij zich, zijnde eene kleine boot of 
kano, van een uitgehoold stuk boomstam eener ligte houtsoort 
vervaardigd. Zulk een Djoekoeng was voor ons van hetzelfde 
nut, als de sloep voor het schip: zij maakten het verkeer met 
het overland gemakkelijker en werden tevens gebruikt om 
eenige onzer Javaansche bedienden , jagers , insektenvangers en 
planten zoekers , steeds digt langs de rivierzoomen te voeren, 
ten einde te verzamelen , wat zich van belang aan hen opdeed. 
Wij hadden er menig liieuw of zeldzaam voorwerp aan te danken, 
hetwelk ons anders ligtelijk zoude ontgaan zijn. 

Aldus uitgerust en met twee-en-veertig koppen aan boord, 
waaronder vele Dajakkers, ondernamen wij, in den vroegen 
morgen van den gemelden dag, de reis naar de binnenlanden, 
langs de rivier Doeson. Wij vertrokken met hoog getij van 
Bandjermasin . de eenige mogelijkheid om de Antassan Kween 
te kunnen dóórkomen, daar dit ondiep en eng kanaal gedu- 
rende de eb te weinig water bevat voor groote praauwen , gelijk 
de onze waren. Aan de beide uiteinden van dien doortogt staat 
ter weerszijden schier huis aan huis; doch het middelgedeelte 
daarent^en is weinig bewoond. Aan de oostzijde ziet men de 
graven der drie eerste Mohamraedaansche Sultans van Bandjer- 
masin; terwijl de acht latere regenten van dit Rijk, bij het 
dorp Karang-intan , aan den regter oever der rivier van dien 
naam, hunne laatste rustplaats erlangden. De vorstelijke graven 
in de Antassan Kween worden bij de Mohammedaansche be- 
volking hoog in eere gehouden, en vaak ontvangen zij hare 
offeranden. Aan het noordereinde van dit kanaal ligt een tolhuis 
van den Sultan, waar van sommige voortbrengselen, uit het 
gebied van dien vorst, en meerendeels uit de rivier van Nagara, 
afkomstig, zeker vast uitgaand regt moet betaald worden, 
-wanneer zoodanige goederen naar Bandjermasin ter markt worden 
gebragt. Wij hebben reeds vroeger vermeld, dat de grensschei* 



158 

ding tnsschen de gonvernementslandeti en die van denSoitan, 
dooT de Antassan Kween gevormd woTdt en van daar, verder 
opwaarts, tot bij de Soengi Paminggir, door den linker oever 
der Soengi Barito of Doeson. Langs deze grenslijn, die eene 
lengte van ongeveer zestien geographische mijlen beslaat, be- 
hooren de oostelijke streken tot het rijk van den Snltan, de 
westelijke tot de Nederlandsche bezittingen. 

Niet ver benoorden den uitgang van de Antassan Kween ligt, 
in de groote Banjer-rivier, het lage eilandje Kambang ><>);en 
van daar opwaarts, ontmoet men achtervolgens , telkenmale op 
den afstand van ongeveer één uur roeijens, nog drie soortge- 
lijke langwerpige eilandjes: Poeloe Halalak, Poeloe Soengi- 
loempa of Poeloe Serapat en Poeloe Andjer geheeten. Het eerste 
dezer drie, dat zijnen naam aan eene zijrivier ontleent, welke 
oostelijk tegenover hem in de Doeson uitstroomt, bevat eenige 
rijstvelden en een klein getal armoedige woningen. Bij den 
mond der Soengi Halalak ligt het vrij aanzienlijk dorp van 
dien naam. Ter hoogte van schier een^ dag opvarens, verdeelt 
rich deze zijrivier in twee armen , van welke de een , in noord- 
oostelijke rigting, een moerassige streek doorsnijdt en bij 
hoogen waterstand, met kano^s, tot in de nabijheid van Mar- 
gasari, aan de Nagara-rivier , te bevaren zoude zijn, terwijl 
men langs den anderen arm, oostwaarts, tot op een^ dag reizens 
van Martaraman kan komen. — Boven Poeloe Halalak begint 
het lage land, aan weerskanten der Soengi Doeson , een weliger, 
met struiken en boomen begroeid aanzien te verkrijgen^ en 
deze wildernissen worden niet zelden afgewisseld door opene 
plekken gronds, welke oude of nieuwe ladang's ^7) aanduiden. 
Dikwerf bespeurt men, al opvarende, de mondopeningen vaa 
kleine rivieren en spruiten , langs wier boorden gewoonlijk eenige 
inlandsche woningen verspreid staan. Het eilandje Serapat of 
Poeloe Soengi -loem pa , aldus geheeten naar eène kleiiae rivier, 
welke niet ver van daar , aan den westkant, in de Doeson valt, 
zoude, volgens het zeggen van een' bejaarden eü schranderen 
Bandjerees, mij door den Heer Resident tot Mandoor (opziener) 
over de roeijers mijner praauw medegegeven, eerst sedert het 
begin dezer eeuw dagteekenen ; de man verzekerde mij , dat 



159 

hij zich de aanvankelijke vorming 'nog zeer goed wist te herin- 
neren. Thans is dit eilandje reeds vrij digt van wild hont 
voorzien, vooral met eene in het oog loopende ranke en dun 
gekroonde boomsoort, kajoe rampai genaamd. Behalve een 
aantal gewone kapellen, eenige kleine insekten-etende vogels 
en twee troepen graauwe Loetang'ê (Semnopithecus pruinosus) 
waren tot op • die hoogte nog geene dieren door ons waarge- 
nomen; doch daarentegea hebben wij des te meer menseben 
gezien, die in kleine ijzerbonteu schuitjes de Doeson op- en 
afvoeren. Dit verkeer te water is vooral tusschen Bandjer- 
masin en de Kampong Pekoempai zeer levendig; boven dit 
dorp echter, tot aan de Kwala Andjaman, neemt het reeds 
aanmerkelijk af, en boven den zoo even genoemden riviermond 
nog veel meer. Tegen 5 ure na den middag, bereikten wij de 
Kampong Bambangin, waar wij voor dien dag onzen togt be* 
sloten te staken. Wij bonden nu, en ook in het vervolg altijd, 
wanneer wij iif de nabijheid eener bewoonde plaats nachtverbltjf 
kozen, onze praauwen met touw van rottingriet aan stillig- 
gende houtvlotten vast, hoedanige daar steeds digt aan den 
oever, hetzij met woonhuizen, hetzij slechts met badtenten er 
op, worden aangetroffen. Een gedeelte der, meest vrij armoe- 
dige huizen, waaruit het gemelde dorp bestaat, rust op dus^ 
danige houtvlotten of rakit's. De overigen staan langs den linker 
oever der Doeson doorgaans, even als te Bandjermasin , eenige 
voeten boven den grond, op talrijke kleine palen. Het dorps- 
hoofd, een bejaard en, naar het scheen, goedaardig en god- 
vruchtig man, deed zich, kort na onze aankomst, met den 
eenigzins zeldzamen, half Maleiscben en half Arabischen, naam 
van Toewau Sarip 2«) bij ons aanmelden. De kleeding en gehed 
het uitwendig, voorkomen dezer dorpelingen schenen het denk- 
beeld van behoeftigheid, dat het aanzien hunner slechte woningen 
aanvankelijk bij ons had opgewekt, te logenstraffen. Zij leven, 
gelijk de bewoners der naburige plaatsen, voornamelijk van 
den landbouw en de vischvangst, en sommigen ook van den' 
handel. 

Den volgenden ochtend, klokslag 6 ure, verlieten wij de 
Kampong Bambangin en voeren dien dag de Doeson op tot 



160 

bij de Kampong Pekoempai of Marabahan , gelijk dit aanzienlijke 
dorp door de Europeanen, naar het daarbij gelegen Neder- 
landsche fortje, veelal genoemd wordt. De oevers der Doeson 
bleven laag, doch de phjsiognomie van den plantengroei ver- 
anderde eenigzina, naarmate wij verder togen. De nipapalm en 
de rank getakte rampai-boomen werden allengs geheel vervangen 
door slingerende Calami, kromstammige Paritnim-, Oarcinia- 
en andere houtsoorten. Van tijd tot tijd zagen wij in de boom- 
kroonen van die schier ontoegankelijke wildernissen een' troep 
neusapen ^^) zich vermeijen, of wel eenen slapenden krokodil 
op eene kale plek van den oever liggen. De gehuchten, welke 
wij voorbijvoeren, bestonden doorgaans uit slechts weinige 
huizen, gedeeltelijk op vlottende rakit's gebouwd. In de nabijheid 
dier gehuchten was men gewoonlijk zeker, eenige met bananen 
en verschillende moeskruiden beplante tuinen en boschvelden 
voor de rijstteelt aan te treilen. Andere ladang^s lagen meer 
verwijderd en eenzaam, en de eigenaren hadden daar een zeer 
eenvoudig verblijf. De bewoners dezer streken , in de wandeling 
onder den algemeenen naam van Orang Pekoempai of Pekoem- 
paijers bekend, zijn Mohammedanen, die, van oudsher aan dat 
gedeelte van de groote rivier gevestigd zijnde, daaraan hunnen 
naam ontleend hebben. Hunne taal verschilt, naar men zegt, 
evenzeer van die der Beadjoe-Daj akkers als van die der Ban- 
djerezen , doch in andere opzigten stemmen zij met deze overeen. 
Yele van hen spreken intusschen de taal hunner naburen , met 
welke zij in gedurig verkeer zijn en zelfs zich niet zelden ver- 
mengen. Waarschijnlijk waren de Pekoempaijers oorspronkelijk 
Daj akkers van dien stam, waarvan nog heden een gedeelte, in 
de voorvaderlijke onwetendheid voortsleurende, als fetischdie- 
naars, de hoogere gedeelten der Doeson bewoont. Vandaar pok, 
dat van alle volksstammen, in de zuidelijke landstreken van 
Borneo , de Pekoempaijers zich hèt meest in kleine maatschap- 
pijen of enkele, afzonderlijk levende familiën verdeeld en wijd 
en zijd verspreid hebben. Hunne getalsterkte is uit dien hoofde 
niet wel te gissen, daar zij niet alleen van Bandjermasin af, 
langs de geheele Doeson; tot bij het dorp Lontontoer, aan de 
uitmonding der Soengi Tewei, alsmede in de kleine Dajak of 



161 

Soengi Beadjoe, op rakit's wonende, gevonden worden, maar 
ter weerszijden van den benedenloop- der Doeson , ook aan de 
boorden van schier elk zijriviertje en aan elke afgelegene zoet- 
waterspruit). Op zoodanige afgezonderde plaatsen brengen zij 
vrij van. alle verpligting jegens honne hoofden en van deze ver- 
geten, in stille onafhankelijkheid door, en leven daar van 
hetgeen hun de aarde en het water, ter vergoeding van een 
weinig arbeid en inspanning, mildelijk aanbieden. 

Het aanzienlijkste- dorp der Orang Pekoempai is tegen- 
woordig de Kampong van dien naam , liggende aan den regter- 
oever der Doeson, schuins tegenover den mond der Soengi 
Nagara of Soengi Moewara-Bahan , zoo als deze breede zijstroom 
genoemd wordt. Dit dorp, dat eene aanmerkelijke lengte beslaat 
en ruim 2500 inwoners telt, dagteekent eerst van het jaar 1825. 
In het voorafgaande jaar, namelijk, was het dorpshoofd, Bakal 30) 

Kendet, van de Kampong Palokan, ongeveer één uur boven 
den mond en op den linker oever der Nagara-rivier, dus op 
des Sultans grondgebied gelegen, tegen dien vorst opgestaan, 
aan wien hij de verschuldigde schatting niet meer wilde betalen. 
De Sultan, hoe ook door deze weigering beleedigd en vertoornd, 
was onmagtig om dit weerspannige opperhoofd tot zijn' pligt 
te brengen, en verzocht daartoe de hulp der Nederlandsche 
regering. Zij werd hem door den Eèsident verleend. Eene af- 
deeling Gouvernements-troepen , met een aantal gewapende 
inlanders 'versterkt, trok, onder aanvoering van een' Kapitein 
en een' Luitenant, naar het middelerwijl door opgeworpene 
aarden wallen en paalwerk verschanste dorp Palokan, hetwelk 
door haar, te water en te land, werd aangetast, vermeesterd 
en verwoest. Een gedeelte der ontvlugte bevolking vereenigde 
zich later onder een ander opperhoofd, en deze Bakal stichtte 
alstoen, aan de overzijde der Doeson, een nieuw dorp , hetwelk 
van lieverlede is toegenomen, en thans, ter eene zijde met 
Bandjermasin, en ter andere met de hoogere streken der Na- 
gara-rivier en van de Doeson , een' zeer levendigen handel drijft. 
Aan het boveneinde van dit dorp, door de bewoners eenvoudig 
Kampong Pekoempai (het dorp der Pekoempaijers) genoemd , 
werd vervolgens eene Nederlandsche sterkte opgerigt, in de 

11 



J(i2 
« 
wandeling /^ibrt Marabahan^ <i) geheeten. Dese sterkte vormt 

een' regelmatigen vierhoek, is van eene gracht omgeven, en 
als den sleutel te beschouwen van de vaart langs de Doeson- 
en der Nagara-rivier. Tijdens onze reis bestond de bemanning ^ 
van dit fortje in een' tweeden Luitenant, twee Europesche 
korporaals en in vier-en-twintig Javaansché soldaten. De hoek- 
bastions waren met vier lange achtponders gewapend. Niet ver 
van de sterkte woonde een Gou vernemen ts Fosthouder, belast 
met de civiele zaken , en vooral met het innen der hoofdgelden 
en der transito-regten , welke van de, uit en naar de binnen- 
landen van het Nederlandsche gebied, doorgevoerd wordende 
koopgoederen geheven worden. Gemiddeld beloopen die heffingen 
omtrent ./ 2000 's maands. In het jaar 1834 bedroegen zij 
f 25901.72 ets., welke som hoofdzakelijk uit de navolgende 
inkomsten verkr^en werd, als: 1.) Hoofdgelden van alle 
volwasse^ne, mannelijke inlanders; 2.) Regteu van stofgoud, 
ijzer, bindrotting, pagaaijen, daroar, vogelnestjes, was, kleedjes, 
katoen, zout, welriekende houten, matten, houten schotels, 
kano's, rijst, drakenbloed, garen en touw van de plant ra«^} '^) 
sirih-doozen en wat dies meer zij. 

Aan den overkant van het fort Marababan ontwaart men den 
meer dan honderd meters wijden mond der Soengi Nagara, of 
ook wel Soengi Margasari genaamd. Deze, ver uithetN. N. O. 
komende en in de hoogere streken vrij sterk bevolkte rivier, 
is door ons niet bezocht, doch door den Overste von Henrici 
omstreeks vijf-en-twintig geographische mijlen opgevaren. Wij 
zullen de voornaamste bijzonderheden, uit het door hem ge- 
houden dagboek, hier mededeelen. 

Wanneer men de Soengi Nagara, met eene roeischuit, ruim 
éévk uur is opgevaren — teekent gemelde officier aan — ziet 
men, ter regter zijde, niet ver van elkander, twee uitwate- 
ringen, die zich, eenigzins meer landwaarts af, in ééne bedding 
tot eene kleine rivier vereenigen, door de inboorUngen Soengi 
Palokan of Falaukan genoemd. Tusschen die twee kleine rivier- 
armen lag voorheen het aanzienlijke dorp van denzelfden naam, 
dat in 1824, tegen den Sultan van Bandj^masin in opstand 
kwam, doch, in het daarop volgende jaar, met behulp der 



163' 

Nederlandsche wapenen, hernomen en geheel vernield werd. 
De plaats , waar het eenmaal stond , is thans met gras en 
struiken begroeid. De oevers der Soengi Nagara zijn voor bet 
overige, even als die der Doeson op gelijke geographische 
breedte, laag en vlak, vertoonen hier en daar opene plekken 
van onde en ook enkele van nieuwe ladang's, achter welke 
zich vrij hooge bosschen verheflen, terwijl deze op andere 
plaatsen de boorden der rivier bezoomeu. De eerste noemens- 
waardige Kampong is Margasari s'), gelegen aan beide de 
oevers, omtrent de uitwatering eener kleine zijrivier, Soengi 
Maroempiean genaamd. Dit dorp bestaat uit een honderd- 
en-twintigtal huizen, en heeft eene bevolking van 600 of 700 
zielen. De meeste woningen zijn van een -ellendig aanzien , door- 
dien het volk, gelijk overal, waar het willekeurig gezag van 
een Oostersch^ heerscher, de eenige wet is, gedurig aan allerlei 
kwellingen en geweldenarijen is blootgesteld , welke ten gevolge 
hebben, dat het geheel verarmt, tot volstrekte onverschillig- 
heid , en ten laatste tot die mafce van ontevredenheid overslaat, 
dat het metter woon opbreekt en naar elders verhuist. De 
Kampong Margasari behoort in eigendom aan den Pangeran 
Mangkoe Boemi, oudsten broeder van den tegen woordigen Sultan 
Adam, heffende die prins niet alleen belasting van de bewoners, 
maar ook tolgelden van de koopwaren, welke langs de, tegen- 
over zijne woning in de Nagara-rivier uitstroomende Soengi 
Maroempieau, op* en afgevoerd worden. Het hoofdgeld bedraagt, 
gelijk -schier overal binnen het gebied van den Sultan,/ 5 
zilvergeld voor elk' volwassen inlander, en f 2.25 voor 
een' jongen. Buitendien heeft de vorst regt op een gedeelte van 
den rijstoogst en op eenige andere voortbrengselen, terwijl 
daarenboven de lagere hoofden zich nog alle mogelijke kneve- 
iarijen en afpersingen op het onwetende volk veroorloven. — 
De reeds genoemde kleine zijrivier Maroempieau, welke aan 
den oostkant in de Soengi Nagara uitstroomt, een half uur 
opvarende, komt men aan een gehucht van denzelfden naam; 
twee uren van daar ligt een ander gehucht, Babongan genaamd, 
en niet ver hooger verdeelt zich de rivier in twee armen, die 
zich op een' afstand van omtrent twee uren weder vereenigeu; 



164 

digt bij deze vereeniging ligt de Kampong Gadong. Van dit 
dorp loopt een landweg över de gehuchten PrigijTamberangan, 
Moening, Benowa en Soengkai naar Martaraman, welken weg 
men in derdehalven dag te voet kan afleggen. 

Er bestaat bij de inlanders eene overlevering, dat, langen 
tijd geleden , in de omstreek van Margasari een aantal Hindoes 
{Orang Kling) zoude hebben gewoond, en dat van die vreem- 
delingen de zware gouden ringen en de, op onderscheidene wijze 
geslepene edelgesteenten afkomstig zijn , welke daar in de aarde 
gevonden worden. De gesteenten bestaan in : carniolen , saffieren, 
amethisten, chrjsoberylen , topazen en meer andere soorten. 
Sommigen zijn plat en vertoonen op het eene vlak onduidelijk 
ingegrifte figuren; andere zijn peervorming en aan het afge- 
spitste gedeelte met een rond gaatje doorboord, waaruit men 
zoude opmaken , dat zij eenmaal , als versierselen of amuletten, 
hangende gedragen waren. De overste von Henrici teekent in 
zijn dagboek aan, dat door hem ook een aldaar gevonden 
topaas, gevat in een' gouden ring, met schrijf karakters is 
gezien; jammer echter, dat hij er niet heeft bijgevoegd, tot 
welken taaistam die karakters behoorden, of ten minste van 
welke gedaante die teekens ten naastenbij waren. De tot nu 
toe gevondene ringen waren meestal van onderen gebroken. 
Hun gou3 is van verschillend gehalte. Zij zijn doorgaans mas- 
sief, derhalve vrij z'waar, en klaarblijkelijk in eenen vorm gegoten. 
Wij hebben in de Verhandelingen twee zoodanige, door ons 
medegebragte ringen, in natuurlijke grootte doen afbeelden. 
De eene vertoont, naar het schijnt, het half verheven beeld 
eener cicade, van de buikzijde gezien, met geopende vleugels 
en eene soort van kroon op den kop; de figuur van den an- 
deren ring is een bloemtakje met knoppen , in het midden met 
een lintje vastgestrikt en van eenige versieringen omgeven, 
zoodat het geheel eenigermate de bourbonsche lelie herinnert. 
Toen de Heer von Henrici Margasari bezocht, vroeg hij den 
inboorlingen naar de plaats, waar zulke voorwerpen gevonden 
waren, en vernemende, dat die niet zeer verwijderd was, besloot 
hij dat belangwekkende oord persoonlijk in oogenschouw te 
nemen. Zijn berigt dienaangaande luidt hoofdzakelijk aldus: 



1()5 

// Door het opperhoofd en eenige andere inwoners van Margasari 
vergezeld, voeren wij, nagenoeg aan het boveneinde van dit 
dorp, naar ^en linker oever der Nagara-rivier, waar wij bij 
eene, gedurende dan ebtijd droog vallende kreek, aan land 
gingen. Na een' tijd lang te zijn voortgegaan over een' moe- 
rassigen , met hoog gras bedekten bodem , welke op vele plaatsen , 
bij het zoeken naar voorwerpen van waarde, door de inlanders 
was uitgedolven, bereikten wij het oord, Batoe-babi 34) genaamd. 
Hier zag ik , tusschen het gras en de struiken , een blok zand- 
steen, van eene onbepaalde gedaante, doch eenigzins naar een 
verminkt overblijfsel van een' liggenden stier zweemen de, gelijk 
zoodanige stierenbeelden (de Nandi van Siwa) hier en daar 
op Java gevonden worden. Van hier geleidde men mij naar 
eene andere, niet ver verwijderde plaats, Tanah-tinggi (hoog- 
land) of ook Goenong (berg) genoemd , alwaar zich uit den 
vlakken moerasgrond een heuvel verheft, omtrent welken ik 
niet heb kunnen te weten komen, of hij natuurlijk of kunst- 
matig opgeworpen zij , bevindende zich digt in zijne nabijheid 
een groot vierkant gat, van ongeveer dertig meters middellijn 
en eene aanzienlijke diepte in het midden, waarin vijf dikke, 
ijzerhouten palen, van ongelijke lengte, overeind staan, doch 
wier toppen naauwelijks tot aan den rand uitsteken. De in- 
landers willen doen gelooven, dat op die plaats voorheen een 
dorp van de Orang Kling (inboorlingen van Cöromandel) zoude 
gestaan hebben. Ik ontwaarde daar echter geen speur van 
metselwerk; doch, tot mijne niet geringe bevreemding, trof ik 
op eene derde plaats, Tjandi ^s) geheeten, zoodanige overblijf- 
selen aan, waar ook door de inlanders de meeste kostbaar- 
heden, van edele gesteenten, gouden voorwerpen, glaskralen en 
diergel ijken gevonden zijn. De grond is daar met puin van 
gemetselde muren overdekt. Volgens de volksverhalen zoude er 
op die plek een koepelvormig gebouw ^^) gestaan hebben, en 
de legende wil , dat onder hetzelve verscheidene aarden potten 
vol goud verborgen zijn geworden. Ten einde dezen schat- te 
vinden, hebben de inlanders den grond reeds ijverig omge- 
woeld, zoodat alle fondamenten zijn opgegraven en er kuilen 
gevonden worden van zes of acht meters wijdte en twee of drie 



meters diepte. Vele der gebak kene steenen zijn nog vrij goed 
en vast, doch missen de fraaije roode kleur van die van som- 
mige oude tempels op Java. Eenige dier steenen , door mij ge- 
meten, waren 0,315 meters lang, 0,157 breed en 0,052 dik. 
Tttsschen het puin en het st)'uikgewas ontdekte ik ten laatste 
ook eene korte zuil, van een graauw basaltachtig gesteente, 
waarvan ik eene afteekening vervaardigde. '7) Nog zag ik , niet 
ver van daar, vele verbrijzelde stukken van eene soortgelijke 
steenen kolom. Eenige mijner inlandsche begeleiders hadden 
middelerwijl , gebruik makende van een plat houten bord, het- 
welk daar voorhanden en waarschijnlijk vroeger reeds meermalen 
tot dat einde gebezigd was, uit de leemachtige aarde, onder- 
scheidene gekleurde, langwerpige glaskralen uitgewasschen. '/ 

Uit deze, aan de aanteekeningen van den Overste von Henrici 
ontleende omstandigheden, en inzonderheid uit het aanwezige 
metselwerk van gebakkene steenen en de kunstmatig behou- 
wene zuilen, blijkt ten duidelijkste, dat op de gemelde plaats 
menschen hebben gewoond, die op eenen veel hoogeren trap 
van beschaving stonden, dan de hedendaagsche heidensche en 
mohammedaansche bevolking van geheel het zuidelijk Bomeo. 
Of nu echter de aldaar bestaan hebbende maatschappij alleen 
of grootendeels uit vreemde Hindoes , regtstreeks afkomstig van 
de kust van Coromandel, was zamengesteld ; dan wel, of veeleer 
dat oord de hoofdzetel was van de laatste Hindoesche inlanders, 
nadat de leer van den Koran reeds in de lagere landstreken 
te Bandjermasin was ingevoerd en algemeen verspreid , daarvan 
geeft ons de geschiedenis geene nadere konde. De legende 
noemt zekeren Lembong Mangkoerat, een' rijken en schranderen 
man, die zich te Amoentai zoude hebben gevestigd, als stichter 
eener meer geregelde maatschappelijke vereeniging in die on- 
gastvrije landstreken. Onder zijn bestuur verscheen eensklaps — 
zoo luidt het wonderverhaal — uit het witte schuim eener 
rivier, eene geheimzinnige schoone maagd , die met zinspeling op 
haren oorsprong, Poetri Djoendjong Boehi werd genoemd. 
Voor deze, uit het schuim verrezen prinses, werdalstoen 
tot echtgenoot een prins gekozen uit het Javaansche vorsten- 
huis Madjapahit, die pnder den naam van Pangeran Soerja 



ir>7 

Nata het nieuwe rijk regeerde en de stamvader werd van de 
latere heerschers van Bandjermasin. — Wij hervatten het 
verhaal van den togt des oversten, -de Nagara-rivier verder 
opwaarts, hoezeer zijne aanteekeningen te dien opzigte in hooge 
mate gebrekkig en zeer^ onvolledig zijn. 

Het eerste aanzienlijke dorp boven Margasari is Nagara ««), nf 
aan beide oevers dezer rivier, op omstreeks 2° 30' Z. breedte 
gelegen, en door zijne ijzersmederijen vermaard. Het heefteenige 
duizenden inwoners, van welke zich een zeventig* of tachtigtal 
nagenoeg uitsluitend met het vervaardigen van onderscheidene 
wapensóorten bezig houden. Zij maken buksen^ pktolen, sol- 
daten- en jagtgeweren, gedamasceerde sabels, degens, inlandsche 
zwaarden en krissen, in één woord, alle soorten van hand- 
wapenen. Zij arbeiden onderling min of meer fabriekmatig, 
en een hunner, een priester, Hadji Mohammad Saleh genaamd, 
bestuurt in zeker opzigt de gezamentlijke werkzaamheden sa). 
De prijzen der ws^penen, die deels van inlandsch, deels van 
Europeesch ijzer en staal vervaardigd worden, zijn allezins 
billijk. De Sultan heft een tiende van de waarde op de uit- 
gevoerd wordende wapenen. Ten einde een denkbeeld te geven • 
van de zonderlinge administratie der inlanders, teekenen wij 
hier aan, hoedanig, onder anderen, het hoofdgeld der bevolking 
van het dorp Nagara, onder verschillende leden der vorstelijke 
familie, verdeeld wordt. Njai Komala 4oj, de invloedrijkste 
vrouw van den Sultan, trekt het van duizend mannelijke in- 
woners; de Sultan zelf slechts van tachtig; zijn oudste broeder, 
de Pangaran Mangkoe Boemi , van niet meer dan dertig ; voorts 
eene fiatoe of prinses, insgelijks van dertig, en eindelijk nog 
een prins, Fangeran Ismaïl geheeten, wederom van vijftig 
hoofden; zoodat dienvolgens aldaar 1190 personen schatpligtig 
zijn. Volgens een' ander' berigtgever 4>) zouden er ondertns- ^ 
schen te Nagara 2000 mannen hoofdgeld betalen, en die. plaats 
900 huizen bevatten, die niet, gelijk te Bandjermasin en elders, 
gedeeltelijk op vlotten zijn gebouwd, maar allen op hooge palen 
langs de moerassige oevers der rivier. Het omliggende land 
is er, over eene groote uitgestrektheid, laag, in vele oorden 
overstroomd en uit dien hoofde ongeschikt voor den landbouw. 



IficS 

Bij het dorp Nagara stort zich in de rivier van dezen naam 
eene andere rivier, welker bronnen in de oostelijke bergketente 
vinden zijn. De Heer von Henrici vernomen hebbende, daf in de 
hoogere streken van dezen zijstroom, vooral in de nabijheid der 
Kampong's Pagat en Lebong*amas, twee soorten van ertsen zouden 
voorkomen, bij de inlanders onder de namen bcdoe brani ^^) en 
mos oerong 4') bekend, wekte dit zijne belangstelling open 
ondernam hij , met eenige kano's , den togt derwaarts. Aanvan- 
kelijk vertoonden zich de oevers, even als die der Nagara-rivier, 
vlak,, en was het land, aan weerskanten, dikwerf vol moerassen 
{rav)ah^ê)\ weldra echter werd de stroom driftiger en bewoog 
zich in ontzettend vele kronkelingen. De oevers bleven meestal 
door pekoempai-gras bezoomd , waaruit zwermen van moskieten 
te voorschijn kwamen. In den namiddag ontwaajde men in het 
oosten een uitgestrekt gebergte, v^moedelijk eene voortzetting 
van het Batoes- of Honderd-gebergte der Laoet-landen. Bij 
de Kampong Pamangki, waar de Djoeragan ^) dadelijk de 
blanke vreemdelingen kwam begroeten en hun eenige kokos- 
nooten aanbieden, besloot de Overste nachtverblijf te houden. 
Den anderen ochtend vervolgde hij de vaart. De oevers der 
rivier werden thans hooger, zich van 8 tot 10 voet boven het 
water (het was Augustus) verheffende, terwijl de afwisseling 
van vruchtboomen , velden en dorpen vaak een bekoorlijk gezigt 
opleverde. De reizigers voeren achtereenvolgend een achttal 
dorpen en gehuchten voorbij; doch, hoe verder zij kwamen, 
des te minder toonden de inwoners met de plaats, waar de 
metaalsoorten moeten gevonden worden, bekend te zijn, tot zij 
ten laatste, bij de bogt Bantau Boedjor, verklaarden, dat 
die, ja, weleens door de bewoners der oostelijke bergen bij 
hen waren aangebragt, doch van welk oord of gehucht, dat 
wist niemand. De Heer von Henrici , het. voortzetten der reis 
als nutteloos beschouwende, zakte den volgenden ochtend de 
rivier weder af. Boven Bantau Boedjer, het verste punt, dat 
hij bereikte, treft men, volgens de opgave der inlanders, langst 
de boorden der Soengi Lebohg-amas , nog- een tiental, meer 
of minder groote gehuchten aan. — Als een avontuur op deze 
riviervaart teekent de Overste aan, in den nacht voor zijn 



169 

vertrek van Bantau Boedjor, op eene merkwaardige wijze van 
eenige kleinigheden uit zijne kano beroofd te zijn geworden 
door een^ dief, die zoo afgerigt te water ging, dat zijne bewe- 
gingen niet hoorbaar waren. 

De rivier van Nagara heeft tot ver boven het dorp van dezen 
naam eene vrij diepe bedding. Zoowel aan de oost- als aan 
de westzijde neemt zij onderscheidene spruiten in zich op, 
van welke sommige ten westen met uitgestrekte moerassige 
vlakten in verbinding zijn, die bij sterke regens, in de west- 
moeson, vaak tot groote meren aanzwellen. Deze plassen, ten 
getale van dri&, doch onderling met elkander verbonden, zijn 
bekend onder de namen: Dano Paminggir, Dano Panggan en 
Dano Talaga *«), en liggen op omstreeks 2° 13' Z. breedte, 
tusscheu de Soengi Nagara en Soengi Doeson. Zij zijn zeer 
vischrijk, en brengen den Sultan jaarlijks eene pacht op van 
600 realen ot f 1200. In het algemeen is de landstreek noord- 
waarts, van het dorp Nagara tot aan de kampong Amoentai, 
zeer laag en moerassig. Volgens den Overste von Henrici vindt 
men in die streek zeven heuvelen van een^ ij zerschui machtig' 
erts (vermoedelijk zoden-ijzersteen). In de nabijheid van 
Soengi-benar, Amoentai en andere, hooger liggende dorpen, 
ziet men aan beide zijden der Soengi Nagara of Babirik, zoo 
als deze rivier op die hoogte -en verder naar boven genoemd 
wordt, talrijke plantsoenen van katoenstruiken, metboschaadjes 
van kokos- , pinang- en sagopalmen , pisang- en andere vrucht- 
boomen afnvisselend. De bewoners der genoemde dorpen leggen 
zich bijzonder op het aankweeken en weven van katoen {kapaa) 
toe. Amoentai heeft elf- of twaalfhonderd huizen en ongeveer 
6000 zielen. Een zoon van den Sultan, Pangeran Noé, bezit 
daar een Dalam of zoogenaamd paleis, zeer weinig gelijkende 
echter naar een gebouw van dien naam in Europa. Bij dit dorp 
vereenigen zich met de hoofdrivier twee wateren, namelijk: 
eene spruit , Soengi Pamintangan , die westwaarts naar het meir 
Talaga Kalowa loopt; en ter oostzijde een kleine stroom, 
Soengi Balangan geheeten, langs welks boorden, op den afstand 
van vier of vijf dagen opvarens, wederom verscheidene ge- 
huchten ' verspreid staan. Te Amoentai is het volk aan eene 



170 

zekere grondbelasting voor de bewaterde rijstvelden {sawak'ij 
onderworpen, bedragende meestal twee gulden voor zes voet 
breedte van den grond. De breedte is de eenige maatstaf , waar* 
naar die belasting berekend wordt, staande het aan elk vrij, 
zijn veld zoo ver in de lengte ait te strekken , als hem goed- 
dunkt , zonder daar iets meer voor te betalen. » De omtrek van 
Amoentai,^ schrijft een Oost-Indisch ambtenaar *<*), //vertoont 
eene fraaije uitgestrektheid van rijstvelden, en zoo verre het oog 
reiken kan, ontwaart men niets dan gehuchten en boschaadjes 
van kokospalmen. Vier duizend mannen betalen daar hoofdgeld 
aan den Sultan. Arooentai is de stapelplaats der produkten van 
de hooger gelegene streken der Nagara-rivier. De voornaamste 
handel wordt in katoen gedreven, voorts in bijenwas, vogel- 
nestjes en andere voortbrengselen, welke van Kalowa, Tabalong 
en andere, opwaarts gelegene plaatsen, te Amoentai worden 
aangevoerd. Niet ver van Amoentai — schrijft hij verder — 
ligt eene plaats, Tjandi genaamd, welke door de Bandjerezen 
voor de verblijfplaats hunner vroegere vorsten gehouden wordi 
Merkwaardige overblijfselen vindt men daar niet. Alleen een 
heuvel, die voor het middelpunt der ommuurde woonstede ge- 
houden wordt, trekt de aandacht. Naar men zegt, zouden er 
van tijd tot tijd nog gemetselde fondamenten van voormalige 
vorstelijke woningen worden opgegraven. Thans moeten bij de 
huwelijksplegtigheden der vorsten van Bandjermasin , het water, 
ter besproeijing der jonge echtelingen, uit het spruitje Tjandi, 
en het bamboesriet, tot het oprigten van den huwelijkstroon, 
insgelijks van daar afkomstig zijn.// — Het verhaal omtrent 
de ligging van het, in oudheidkundig opzigt, merkwaardige 
oord Tjandi, berust allerwaarschijnlijkst op eene dwaling, zijnde 
het vermoedelijk dezelfde plaats , welke door ons hierboven , onder 
dien naam, als bij het dorp Margasari gelegen, is vermeld 
geworden. 

Boven Amoentai wordt de Soengi Babirik smaller , hare oevers 
hooger en haar stroom sterker. Tuinen, velden en boschaadjes 
met katoenstruiken, kokos- en sagopalmen {rombija), bananen, 
suiker- en bamboesriet, alsook met verschillende levensbehoeften, 
vooral rijst en watermeloenen, beplant, wisselen telkens met 



171 

gehnchten en dorpen af. Onder de aanzienlijkste der laatsten 
telt men de kampong's Amboekan en Kalowa, die tot elkander 
behooren. De bevolking dezer plaatsen wordt op omtrent 10,000 
zielen geschat, waarvan ruim een derde gedeelte gerekend kan 
worden , den Sultan hoofdgeld te betalen. — De hier en daar 
steil afgebrokkelde oevers vertoonen meestal eenen steenloozen* 
leemachtigen grond, van rood- of geelachtige kleur; op enkele 
plaatsen echter is deze leembodem meer zandig en grijs , en op 
weer andere nagenoeg wit en van eene mergelachtige hoeda- 
nigheid. Tusschen de gehuchten Tandaringen en Mandoeïn zag 
de Heer von Henrici voor het eerst eene steenige tuinaarde. — 
In die welbevolkte streken zijn de oevers der rivier bijzonder 
welig bebouwd; ook ziet men daar somtijds peper- en kofSj- 
plantsoenen. Van huisdieren vindt men er, even als bij Amoentai, 
Soengi-benar en Nagara, vrij veel hoenders, eene ontzaggelijke 
menigte eenden, en nu en dan ook kudden bufiels. Onder de 
nog verder opwaarts gelegene gehuchten, is vooral de kampong 
Tabalong vermaard , wegens de fraaije matten , manden , hoeden 
en andere voorwerpen van huishoudelijk gebruik, welke aldaar 
van palmbladen of fijn gespleten rottingriet vervaardigd en naar 
elders ter markt gebragt worden. — De bewoners van Taba- 
long en der naburige gehuchten zoeken buitendien ook, in 
de rotsholen der bergen, naar eetbare vogelnestjes, en in het 
zand der bergwateren, naar stofgoud; zij verzamelen voorts 
bindrotting en bamboesriet, en kappen in de naastbij zijnde 
bosschen timmerhout voor huizen en vaartuigen, wordende 
de boomstammen door hen gedeeltelijk naar Amoentai en 
Nagara vervoerd en verkocht. Dtór toch vindt men niet 
alleen goede ijzer- en goudsmeden, maar ook zeer bekwame 
schuitenmakers. De laatste kampong, tot welke de Overste von 
Henrici de Nagara-rivier is opgevaren, was Toenkaren, lig- 
gende, volgens hem, op 1°35' Z. breedte. Van dit gehucht 
loopt een pad naar de hoofdplaats Pasir, aan de oostkust, 
welke men in drie dagen bereiken kan, namelijk twee groote 
dagreizen te voet over land, en een' halven dag , in eene kano, 
de rivier van Pasir af. Volgens het verhaal der inboorlingen 
zoude de rivier bij Toenkaren, met eene djbekong, nog wel 



n 



172 

drie dagen opwaarts te bevaren zijn; echter niet zonder veel 
moeite, uithoofde van den steeds in kracht toenemenden stroom, 
de engte der bedding en de talrijke menigte van steenen en 
oude boomstammen, welke men daar ontmoet. Beeds beneden 
Toenkaren, tusschen de versterkte Dajaksche gehuchten Tinga- 
maparoe en Silingsing, veroorzaken vaste rotsen, midden in 
de rivier, zooveel drift, dat die plaats riaw» (waterval) genoemd 
wordt. Van het, slechts uit zeven huizen bestaande gehucht 
Silingsing, dat van eene houten palisadëring is omgeven, kan 
men daarenboven ook over land, in een uur gaans , Toenkaren 
bereiken. De Heer von Henrici merkt ten slotte aan, dat, 
volgens zijne telling, langs de rivier Nagara, van hare uitwa- 
tering in de Doeson af tot bij de kampong Toenkaren toe, 
ruim vijf duizend huizen gevonden worden , met eene bevolking 
van vier- of vijf-en-twintig duizend zielen, en dat, indien men 
de gehuchten, welke nog hier en daar aan de kleine, door 
hem niet bezochte, rivieren er bijrekent, men de hoeveelheid 
zielen van dit gedeelte der Sultans-landen , gerustelijk op dertig 
duizend zoude mogen begrooten: eene volksmassa, die langs 
de geheele Doeson verre overtreffende. Wij eindigen hiermede 
het verhaal betrekkelijk de Nagara-rivier, en vervolgen onzen 
togt langs de Soengi Doeson. 

Alvorens echter de kampong Pekoempai te verlaten, moeten 
wij nog aanmerken, dat zich aldaar, nagenoeg in het midden 
der Doeson en tegenover de Moewara Bahan, een draaikolk 
bevindt, die voor kleine vaartuigen zeer gevaarlijk is en, zoo 
het heet, eene onpeilbare diepte zoude bezitten. Vermoedelijk 
ontstaat deze maalstroom door het in eenen regten hoek tegen 
elkander stooten der wateren uit de Doeson- en de Nagara- 
rivieren en van den oploopenden vloed der zee. — Van het 
dorp Pekoempai tot aan de Kwala Andjaman zagen wij 'niet 
één gehucht; maar aan beide oevers vele groote ladang's, van 
welke sommige pas ontgonnen, andere reeds één of meerjaren 
beplant, en wederom andere bereids verlaten en met jong hout 
begroeid waren. Gewoonlijk worden deze boschvelden slechts 
drie of vier jaren achtereenvolgend bebouwd, na verloop van 
welke tijdruimte het gras en onkruid, en meer nog de ratten 



17:3 

en muizen , daar zoozeer de overhand krijgen , dat er de kultuur 
onder verloren gaat. In dat geval worden elders langs de 
boorden der rivier een aantal boomen omgekapt, de takken, 
struiken en het loof bij hoopen verbrand, de asch over den 
grond uitgestrooid, en op die wijze een nieuw veld ontgonnen, 
ter vervanging van het oude. In de oorspronkelijke bosschen 
neemt men, volgens den Heer Korthals, op de, bij hoog getij , 
meestal onderloopende plaatsen, vooral soorten waar van de 
geslachten: Carallia, Barringtonia , Mjrtus, Combretum, Qlo- 
chidion, Hibiscus en verschillende Leguminosae; terwijl op 
den meer droogen , alluvialen bodem de plantengroei gekenmerkt 
wordt door hoogstammige Dipterocarpeae, Anonaceae, Rubia- 
ceae, benevens een aantal Melastomaceae , Ternstroemiaceae, 
Querci enzv. — Op vele plaatsen is de bodem met gedoomde 
rotting-ranken als overdekt. Hier en daar vertoonen de oevers 
lange strooken geheel droogen grond, die als eene soort van 
breede, vermoedelijk door de hooge waters gevonnde dijken, 
het rivierbed bezoomen. In de nabijheid der Kwala Andjaraan 
verkrijgt het land het aanzien eener doorloopende wildernis, 
waar, behalve de beide reeds genoemde Semnopitheci (Semnop. 
pruinosus en nasicus), een aantal gewone apen *'')y en twee 
soorten van eekhorens (Sciurus ephippium en Sc. melanotis) 
door ons zijn waargenomen. Ook aan vogelen . was hier geen 
gebrek, doch de jagt op hen schier onmogelijk, wegens de 
myriaden muggen (Culices en Tipulae, doorgaans moskieten 
genaamd), die de lagere gedeelten dezer sombere en voch- 
tige bosschen allerwegen met haar onaangenaam gegons 
verlevendigden. Oneindig lastiger nog vielen ons deze kleine, 
bloeddorstige insekten gedurende den nacht, alswanneer 
ze steeds, in tallooze menigte, tot onze, digt bij den oever 
gelegene vaartuigen doordrongen en onzen slaap verstoor- 
den. Het allermeest intasschen hadden onze, schier geheel 
naakte roeijers van hen te lijden, hetgeen ons te meer smartte, 
dewijl die menschen, gedurende den dag, zwaar en vermoeijend 
werk moesten verrigten. Het scheen echter, dat zij aan dier- 
gelijke kwellingen tamelijk gewoon waren; want zij schertsten 
en lachten vaak met diegenen, welke zich ongeduldig en ver- 



gramd toonden over het onophoadelijk //gezang// en deujeoking 
veroorzakenden steek dezer onaangename gasten , van welke wij 
niet minder dan zes of acht soorten, van verschillende ge- 
slachten der jongste Entomologen, opmerkten. — Wij voeren 
de wijde Kwala Andjaman voorbij, met het voornemen, op 
onzen terugtogt den steven derwaarts te wenden en alsdan de 
Dajakkers van Poeloe-petak te bezoeken. Den 25'^^ Augustus 
bereikten wij de kampong Kwala-pattai , waar wij één' dag 
verbleven , eensdeels ten einde den roeijers eenige rust te ver- 
schaffen, anderdeels om in een niet ver van daar verwijderd 
meirtje te gaan visschen en in den omtrek, zoo mogelijk, 
dieren en ook planten te verzamelen. 

Het land langs de Doeson had tot daar nog bijkans het- 
zelfde aanzien behouden. Wel waren de oevers op vele plaatsen 
eenigzins hooger en de bosschen, zoo verre wij naar binnen- 
drongen, geheel droog; doch alleen langs de boorden der rivier 
ontwaarden wij, van tijd tot tijd, bebouwde stukken gronds, 
terwijl al het overige met bosch bedekt was. Niet zeer ver 
benoorden de Kwala Andjaman liggen, aan den regter oever 
der Doeson, twee kleine gehuchten, Palankau en Koripan genaamd. 
Het e^ste en zuidelijkste, telt slechts vijf huizen, en is door 
Dajakkers van Makatip bewoond; het andere, of de kampong 
Koripan, bevat zes huizen, in eenige van welke Pekoem- 
paijers gehuisvest zijn. De Dajakkers van beide gehuchten 
droegen groote, ronde houtschijven in de oorlellen, en snoeren 
van glaskralen om den hals. Behalve een^ gordel om hun 
middel, gingen zij naakt; zij waren volstrekt niet getatoeëerd. 
Eenige hunner boden ons gekleurde matten van gespleten rot- 
tingriet, en levende visschen, van het geslacht Ophiocephalus, 
te koop aan, en een kleine jongen bragt mij een mandje vol 
bataten ten geschenke, waarvoor hij wederkeerig een stuk sits, 
voor een baadje, ontving. Het vleesch van een' grooten neusaap, 
welks huid en geraamte ik bewaren deed, als ook dat van een' 
eekhoren, werd door deze Dajakkers gretig tot spijs aange- 
nomen. Wij zagen bij hen geene andere huisdieren, dan var- 
kens en hoenders, en hunne velden waren voornamelijk met 
mais beplant. — Terwijl wij nabij de monden der Soeugi 



175 

Beadjoe en ^^engi Mahang, te midden van wilde en eenzame 
streken, des nachts stil hielden, hoorden wij, bij lichte maan, 
vooral in den voornacht, het onophoudelijk, vrij sterk ge- 
schreeuw van eenen vogel, die door onze Bandjerezen , JSö^rö»^ 
ranggang toetoep ^ en door de Daj akkers, Tampaioea en Kang- 
kapoet genoemd werd. //Aan dien vogel ,// verhaalden ons laatst- 
gemelde inlanders, //worden door onze stamgenooten jaarlijks, 
bij het begin van de rijstteelt , ofieranden aangeboden , in vleesch 
rijst i tabak , enzv. bestaande , welke, aan den rand van het bosch, 
op een' boomstronk worden nedergelegd , en daarbij aan dien 
vogel verzuchtingen gedaan, om het welslagen der veld- en 
tuingewassen bevorderlijk te zijn.^ Deze vogel is een koekoek 
door ons, wegens zijne korte, ineengedrongen gestalte, Cuculus 
concrettts genoemd. — In de ochtendstonden der laatste 
dagen zweefde een sterke mist of nevel boven de rivier.* 
De honderddeelige thermometer teekende des ochtends te 6 
ure 2i^^5, en na gedurende eenige minuten in het water der 
rivier te zijn gedompeld geweest, 29^2. Dezelfde warmte na- 
genoeg had ook het water in het middaguur en tegen het 
vallen van den avond; terwijl de thermometer in de vrije 
lucht, in het middaguur gewoonlijk 27^5 of 28, en des avonds 
zes ure 26'^5 aanwees. — Iets meer dan halver weg tusschen 
de uitwatefing der Soengi Mahang en der Soengi Fattai^ 
ligt, nabij den r^ter oever, in de Doeson, weder een klein 
en vlak eilandje, dat den naam van Poeloe Fako draagt. 
Op een' kleinen afstand boven dit eilandje, ontwaarden wij, 
aan dezelfde oeverzijde, eenige nieuwe huizen, uit welke, 
bij onze aannaderiug, een drietal inlanders te voorschijn 
traden, welke zich dadeli)k i^ een klein bootje zetteden en 
ons te gemoet voeren. Een van hen was Pembakel Saleh, 
opperhoofd van de kampong Kwala-pattai. Na de gebruikelijke 
begroetingen gewisseld te hébben, deelde dit dorpshoofd ons 
mede, dat hij zich, met verscheidene zijner onderhoorige Pe- 
koeropaijers, daar tijdelijk gevestigd had, hoofdzakelijk met 
het doel om er bindrotting te snijden, welk gewas de naaste 
bosschen in grooten overvloed opleverden. Hij was begonnen 
met eene sloot te doen graven, langs welke de rottingbossen 



176 

van de plaats, waar zij verzameld werden, gemakkelijk naar 
de groote rivier konden vervoerd worden, en uit dien hoofde 
had hij aan het oord van zijn tegenwoordig verblijf den naam 
van Soengi-djoeroeng gegeven **). Hij was echter van voornemen, 
een nieuw gehucht bij de Moewara Paminggir te stichten, en 
daar te gaan wonen. De Soengi Paminggtr, die het meir van 
dien naam met de Doeson verbindt, biedt eene uitnemende 
gelegenheid voor den sluikhankel en is als zoodanig vermaard. 
Van haar, door de Dano Paminggir en de kanalen, welke uit 
dit meir oostwaarts naar de Soengi Nagara loopen, vallen de 
handelsvaartuigen uit de hoogere streken der Doeson, wanneer 
de diepte van het water zulks toelaat, in de Nagara-rivier, en 
ontduiken alzoo de aan den Nederlandschen Posthouder te 
Moewara-bahan verschuldigde regten, onder voorwendsel, dat 
de goederen in het vorstelijke gebied zijn aangekocht. 

De Kampong Kwala-pattai *•) bevat niet meer dan een vijftal 
huizen , waarvan er één op een vlot in de rivier , en de overigen 
op den regter oever der Doeson staan. Aan de overzijde van 
dit dorp ontwaart men de mondopening der Soengi Pattai,die 
zich in een' buitengewoon stompen hoek van bijkans 150 graden, 
met de Doeson vereenigt co). Behalve deze weinige huizen, 
behooren echter nog onderscheidene, hier en daar in de om- 
liggende ladang's verspreid staande woningen, tot het dorp 
Kwala-pattai, welks bevolking, in het geheel, nagenoeg 150 
zielen sterk is. Velen van hen woonden voorheen bij den noorder 
mond der Soengi Makatip,. van waar zij allengs herwaarts ver- 
huisden. De meesten leven van den landbouw en van alles, wat 
land en water uit de rijken der dieren en der planten te dien 
einde bruikbaars opleveren. Wij vonden aldaar eenen inland- 
schen Djoeroe-toelis (klerk) , die door den Resident belast was met 
het nazien der reispassen van de op- en afvarende vaartuigen, 
en in het algemeen met op de inboorlingen dier streken een 
oplettend oog te houden en voor de handhaving van orde en 
rust zorg te dragen. — Tijdens ons bezoek waren de oeverö* 
der Doeson, vooral die der regter zijde en in den omtrek van 
het dorp Kwala -pattaf, acht of tien voet boven de rivier ver- 
heven. In de westmoeson zoude echter de rivier somwijlen zoo- 



177 

danig stijgen, dat zij, allerwegen buiten hare bedding tredende, 
het geheele land als in eene zee verandert. Herten en wilde 
zwijnen ontvlugten alsdan de onderloopende bosschen en zoeken 
elders en tot zeer nabij de menschelijke woningen, een droog 
plekje gronds op, dat eene veilige rustplaats en eenig voedsel 
aanbiedt. De vaart stroomopwaarts de Doeson is in dat tijdperk 
natuurlijk zeer ongemakkelijk en langzaam, wegens de drift 
van het water, de vele ontwortelde booraen en oude stammen, 
welke de vloed medesleurt, en door het gevaar van met de 
praauw buiten de bedding der rivier te geraken en haar tegen 
een' boomstronk lek of te morzel te stooten. 

De Soengi Pattai, welke tot de grootere oostelijke zijrivieren 
behoort, vereenigt zich op 2°0' Z. breedte met de Doeson. Niet 
ver boven hare uitwatering stort zich, aan de noordzijde, de 
Soengi Sihong of Sioeng ook wel Soengi Napo genaamd, 
in de Pattai-rivier. Beiden zijn nagenoeg even breed, te weten, 
gemiddeld omtrent 130 voet. Op den afstand van een' halven 
dag opvarens, splitst zich de Soengi Napo of Sihong in twee 
armen, van welke de linker in verbinding met de Doeson staat, 
terwijl de oostelijke tak, onder den naam Soengi Karampas, 
langs de Kampong's Kawatang en Telang heenstroomt. Tus- 
schen deze gehuchten, die ongeveer tweehonderd-vijftig zielen 
tellen, vereenigt zich met de Soengi Karampas een andere 
riviertak, meer bepaaldelijk Soengi Sihong geheeten , aan welks 
boorden de Kampong van denzelfden naam , benevens nog een 
drietal gehuchten gelegen zijn, gezamentlijk door ruim drie- 
honderd Daj akkers bewoond wordende. Van de Kampong Sihong 
loopt een pad oostwaarts door het bosch, naar het zes huizen 
en tweehonderd-zestig zielen sterke dorp Tadjoe. Deze topo- 
graphische berigten steunen alleen op de mededeelingen der 
inboorlingen. Langs de Soengi Pattai echter is de Overste 
von Henrici opgevaren tot bij het dorp van dien naam, en 
zijne aanteekeningen komen hoofdzakelijk op het volgende neder. 
Een eind weegs boven de plaats, waar de Soengi Napo in de 
Soengi Pattai uitloopt, vindt men, onder anderen, ter noord- 
zijde de opening van den doortogt naar een klein meir, Dano 
Menteng ; en eenigzins hooger ontwaart men , aan den zuidkant, 

12 



178 

de monding van de naauwe en zeer kronkelende Soengi Se- 
poedjoer, langs welke men, met kleine vaartuigen, uit de 
Pattai-rivier in het meir Paminggir kan oversteken. Hooger 
de Soengi Pattai op, wordt zij aanmerkelijk smaller, ondieper 
en slingert zij zich aanvankelijk nog een tijdlang door het 
bosch , vervolgens door eene opene en zeer moerassige grasvlakte, 
Padang Sidik &<>) genaamd, van omtrent een nnr lengte bij 
een derde van een uur breedte en van vele natuurlijke kanalen 
doorsneden ; later hervat zij hare kronkelingen in tallooze korte 
bogten door het bosch , hetgeen gevoegd bij de allengs smaller 
wordende bedding , ten laatste tot slechts tien of twaalf voet, 
en de menigte stammen, die vaak als slagboomen dwars over 
het water liggen , de vaart zeer langdurig en moeijelijk maakt. 
Alvorens men aan de Padang Sidik komt, wordt men verrast 
door een' kleinen heuvel. Tam bak Tamian geheeten , die midden 
uit deze, wijd en zijd lage en in de west-moeson meestal meer 
of min onderloopende, landstreek oprijst en, naar het schijnt, 
gedeeltelijk uit gesmolten poel erts ^i) bestaat. Hij is met bam- 
boesriet en verschillende vruchtboomen bewassen, en schijnt, 
blijkens de veelvuldige achtergeblevene sporen , in den regentijd 
en bij sterke overstroomingen eene zeer gezochte wijkplaats 
voor het wild te zijn. Een andere, eenigzins lager heuvel van 
soortgelijken erts zoude ook niet ver boven de vereeniging 
der rivieren Napo en Pattai gevonden worden. — De Kampong 
Pattai bevat 130 inwoners en zeven huizen. Deze liggen op 
de reeds eenigzins hoogere en niet aan overstrooraing bloot- 
gestelde oevers der rivier van denzelfden naam, eene dagreis 
boven hare uitwatering in de Doeson. Even voorbij dit dorp 
verdeelt zich de rivier in twee takken, waarvan de linker 
Soengi Kiwa of Ringin, en de oostelijke Soengi Tjar genoemd 
wordt. Den laatsten een' halven dag oproeijende, komt men 
aan de Kampong Tjar, uit vier huizen en 70 inwoners be- 
staande; van die plaats, gelijk ook van het dorp Pattai, loopt 
een landweg naar 'de Kampong's Kalowa, Djankong en meer 
anderen, op het grondgebied van den Sultan aan de Nagara- 
rivier. Aan de Soengi Kiwa of linker rivierarm, twee uren 
verder opwaarts, ligt de Kampong Toembang-lajang, drie huizen 



179 

en 30 bewoners tellende; terwijl nog eenige uren hooger, in 
vier huizen, die het gehucht Karang-langit vormen , 75 Dajakkers 
wonen. De geheele bevolking der Soengi Pattai en van de in 
haar vallende kleinere rivieren en spruiten, kan op 1200 zielen 
worden geschat, van welk getal het meerendeel , vooral in de 
hoogere streken, uit heidensche Dajakkers bestaat. 

Den 26**^" Augustus, terwijl wij bij de Kampong Kwala- 
pattai vertoefden, werden door ons togten naar de omstreken 
ondernomen, bij welke gelegenheid wij ook een klein meir, 
Dano Mahoeroeng, bezochten, dat ongeveer een half uur dé 
Doeson opwaarts, niet ver van hare linker oeverzijde verwijderd 
ligt en, door een naauw kanaal, met genoemde groote rivier 
in verbinding staat. Wij troffen er twee visschers aan, die 
door middel van gewone inlandsche werpnetten {djala) eene 
menigte Osphromenidei (voornamelijk Helostoma Temminckii 
en Ophiocephalus planiceps), eenige Cjprini en verscheidene 
voorwerpen van dien fraaijen nieuwen visch gevangen hadden, 
welke door ons, in het zoölogische gedeelte der Verhan-- 
delingen^ onder den naam Osteoglossum formosum, uitvoerig 
is beschreven en afgebeeld geworden. Het meir wemelde van 
visschen. De hoeveelheid, bijzonder van het geslacht Ophio- 
cephalus, welke jaarlijks in de Dano Mahoeroeng, Dano 
Papak en in andere kleine meren , alsmede in de rivieren en 
slooten dier streken, gevangen en versch of gedroogd genuttigd 
en naar elders vervoerd wordt, is inderdaad verbazend. Wat 
de vogels betreft , zagen wij in het meir Mahoeroeng niets dan 
een' Plotus Levaillantii , die, ofschoon daar zeker nooit door 
den mensch verontrust , echter zeer schuw was , reeds op verren 
afstand dook en vervolgens, opeen nog meer verwijderd punt, 
zijn' langen, dunnen en slangvormigen hals, eensklaps weder 
boven het water uitstak. Daar de jagt niet veel opleverde, 
poogden wij ons door het verzamelen van visschen en insekten 
schadeloos te stellen. Uit de klasse der laatsten trokken de 
vele door het bosch fladderende dagvlinders van het groote 
geslacht Papilio bijzonder onze aandacht. Voorts eene ontzag- 
gelijke menigte vratige Libellen of zoogenaamde watequffers, 
vooral van het geslacht Agrion , die langs de mét gras of riet 



180 

begroeide oevers van het meir luchtig rondzweefden, eu er 
vermoedelijk eeue niet geringe slagting onder de kleine, doch 
lastige plaaggeesten van moskieten zullen aanregten, aan welk 
voedsel het haar daar ter plaatse zeker niet behoeft te ont- 
breken. Tuinen of boschvelden , met mais , peulvruchten {iatjang)^ 
pompoenen, meloenen en suikerriet beplant, zetteden aan de 
omstreken van het meir bekoorlijkheid en leven bij. 

Den volgenden ochtend, te half vijf ure, verlieten wij de 
Kampong Kwala-pattai , en voeren dien dag de Doeson verder 
op, tot bij de Kampong Kwala-poenin , waar wij besloten 
weder een' dag te vertoeven, ten einde het land en zijne voort- 
brengselen eenigzins nader te leeren kennen. Wij waren eerst 
van meening geweest, den avond te voren op reis te, gaan, 
zoowel om tijdwinst tot het doen van uitstapjes, als om de 
kwellingen te ontgaan der moskieten, die gedurende den nacht 
steeds in grooter menigte onze vaartuigen kwamen bezoeken; 
doch de Djoeroe-toelis en andere inwoners van Kwala-pattai 
ontrieden ons zulks stellig, uithoofde geen handelaar het zoude 
wagen in die streken de rivier 's nachts op te varen, wegens 
de vele boomstammen, die gewoonlijk nabij de oevers in het 
water liggen, terwijl meer in het midden der rivier de stroom 
te sterk is om er tegen op te kunnen roeijen. Het was nog 
pas kort geleden, dat twee ijzerhouten praauwen, gedurende 
den nacht, op boomstammen stieten, omsloegen en zonken. Het 
is derhalve eene vaste gewoonte der inlandsche kooplieden, 
steeds in den vroegen ochtend de reis opwaarts te aanvaarden, 
en des avonds, zoo mogelijk, bij een gehucht of boschveld te 
blijven stilliggen. Wij vonden het raadzaam insgelijks dien 
regel te volgen , en begaven ons meestal kort vóór of na het 
aanbreken van den dag op reis. — Een paar uren nadat wij, 
op den 27'*'° Augustus, het dorp Kwala-pattai verlieten, 
kwamen wij aan de Kampong Makatip of Mangkatip , thans nog 
slechts uit twee huizen bestaande, die op den regter oever der 
Doeson en aan de zuidzijde van den mond der kleine Soengi Ma- 
katip gebouwd zijn. Wij vonden daar vrij vele kippen en ookeenige 
varkens: een bewijs, dat de bewoners Dajakkers waren. In de 
gesteldheid van de oevers der Doeson wfis ter naauwernood 



181 

eenige verandering te bespeuren, behalve dat zij langzamer- 
hand een weinig hooger werden, terwijl de stroom van het 
water tevens eenigermate toenam. Tegen één uur na den 
middag bereikten wij vier woningen, almede op den regter 
oever, aan Dajakkers toebehoorende, en het gehucht Tjarabaran 
vormende. Hier zagen wij schier niet anders, dan vrouwen 
en kinderen, door welke ons voortreffelijke meloenen te koop 
werden aangeboden. Men onderrigtte ons, dat de volwassene 
mannen zich meest alle in de bosschen onledig hielden met 
het verzamelen van bindrotting, op welk artikel zij reeds 
voorschotten van eenige Chinezen te Bandjermasin ontvangen 
hadden. Deze woningen langs den oever, rondom welke zich eenige 
kokos- en pinangpalmen , kapok-, mangga en andere vrucht- 
boomen verhieven, maakten met drie of vier in ladang's ver- 
spreide huizen eene buurt uit, welker gezamentlijke bevolking 
op 70 hoofden kan begroot worden. — Boven Tjambaran rezen 
de oevers, hier en daar, ter hoogte van tien of meerdere voeten 
boven de rivier, en vertoonden meestal steil uitgebrokkelde 
wanden van geelachtig graauwe kleur en eene fijne, slibachtige 
aarde. Tusschen het zoo even gemelde gehucht en den noorder 
mond der Soengi Makatip liggen, aan de regter zijde der 
Doeson , op den afstand van een kwart tot een half uur land- 
waarts, een zevental kleine meren, die door kanalen van 
ongelijke diepte en breedte met elkander verbonden zijn. Het 
zuidelijkste dezer meren is de reeds genoemde Dano Papak ; 
het grootste en meest noordelijke, de op onze kaart aanteekende 
Dano Boerong (Vogcl-meir). Ook aan den linker oever der 
Doeson vindt men op die hoogte een of twee soortgelijke 
kleine meren. 

Ter linker zijde der Doeson -rivier, bij eene kromming of bogt 52) 
boven de Kampong Tjambaran, ligt het gehucht Kwala-poenin, 
aldus genaamd naar de daar tegenover in de Doeson uitmon- 
dende Antassan Poenin. Deze Kampong is eerst omstreeks het 
jaar 1829 door Pekoempaijers gesticht en bevatte tijdens ons 
bezoek negen huizen en ongeveer 50 inwoners. Eene menigte 
pisangs, hier en daar ook katoenstruiken en langs de stammen 
van kaook-boomen 0üschietenfi« b^telranken.. meest op aan- 



182 

gehoogde aardhoopen geplaatst, yerlastigden het oog. Niet vei 
binnen de Kwala Poenin of den zuidermond der Antassan van 
dien naam, welk kanaal eene mijl of zes hooger (zonder de 
talrijke kronkelingen mede te rekenen) zich met de Doeson 
weder vereenigt, leidt, noordwaarts, eene geul naar een laog, 
doch niet zeer breed meir, Dano Kam bat geheeten. Dit meir, 
of eigenlijk deze meren, naardien het, bij lagen waterstand, 
nit drie of vier, door vernaaawingen meer of minder van 
elkander afgezonderde plassen bestaat , is bijgevolg tusschen de 
Doeson en de Antassan Poenin gelegen, en bezit, in het noor- 
delijk gedeelte, nog eene tweede, naauwe doorvaart naar het 
zoo even genoemde kanaal. De Dano Kambat is geheel van 
bosch omgeven, waarin wij Eurylaimns nasatns, Phyllornis ^ 
Mülleri, Nectarinia Hasseltii en andere kleine vogels 
schoten. Ook daar wemelde het van witte en bonte dagvlin- 
ders, vooral Danaïden; en de schijnbaar stilstaande en 
brnine of zwarte wateren van het meir schenen niet minder 
rijk aan visch te zijn, dan de vlietende en heldere stroomen 
van elders. Wij vingen er het meest Helostomae, Cyprini en ^ 
Pimelodi. Waarschijnlijk ontstaat de zwarte kleur van het 
water, die wij later dikwerf in soortgelijke, tusschen bosschen 
liggende meren en in kleine, zacht stroomende zijrivieren 
hebben opgemerkt, door de bezwangering met uittreksels der 
schorsen, wortelen en bladeren van sommige, in het water 
groeijende of daarin verspreid liggende, doode en rottende ge- 
wassen. In een glas vertoonde dit zwarte water [ajer Ham) zich 
helder, met een' min of meer geelachtigen tint; in de bed- 
dingen echter had het, naarmate der diepte en doorzigtigheid, 
en naar dat de oppervlakte door het zonnelicht beschenen of 
in lommer gehuld was, verschillende schakeringen, die van bet 
geelachtig bruine, van het koflSjdik-bruin, tot in het zwart- 
achtige, als verdunde inkt, afwisselden. Dat der Doeson 
daarentegen was steeds witachtig en eenigzins troebel door de 
bezwangering met fijne aarddeeltjes. De zwarte wateren waren 
in tusschen, gelijk reeds is vermeld, insgelijks rijk aan 
verschillende vischsoorten ; wij hebben ook niet kunnen be- 
speuren, zoo als door den Heer A. von Humboldt van Zuid- 



183 

Amerika wordt aangemerkt ^s), dat zoodanige plaatsen minder 
dan andere van gelijke temperatuur door moskieten {njamokh) 
en krokodillen bewoond werden. Weinige dagen voor onze 
aankomst te Kwala Poenin had een inlander, bij hetvisschen 
in de Dano Kambat, een' jongen gaviaal in het net gevangen, 
en levend bewaard. Dit jonge voorwerp, ter lengte van slechts 
drie voet, was ons eene ware verrassing. Nooit toch had men 
op eenig eiland van den Indischen Archipel een' langbekkigen 
krokodil waargenomen. Wij hielden dit dier daarom ook aan- 
vankelijk voor een' gewonen Ganges-gaviaal ; doch, toen wij 
later de schedels van half volwassene en zeer oude voorwerpen 
ontvingen, ontwaarden wij het aanmerkelijke verschil, dat 
tusschen die beide groote amphibiên bestaat, en dat de soort, 
door ons op Borneo ontdekt, een' geheel nieuwen en zeer 
merkwaardigen overgangsvorm vertoonde, die door de gedaante 
van den kop en het zamenstel der kopbeenderen , den smalge- 
bekten gaviaal van het vasteland van Indië met de eigenlijke 
krokodillen verbindt. Wij hebben den Borneoschen gaviaal 
alreeds elders uitvoerig beschreven en naauwkeurig doen af- 
beelden, waartoe wij meenen te mogen verwijzen 54), — Qp 
den noorder uithoek van Kwala Poenin werd onze aandacht 
getrokken door een paar houten stijlen , die een klein laag dak 
van kadjang schraagden, onder en naast hetwelk eenige van 
dunne takken vervaardigde stellaadjes waren opgeslagen. Dit 
was eene offerplaats van de Pekoempaijers der overzijde, welke,' 
ofschoon in naam Mohammedanen, nog in vele opzigten aan 
voorvaderlijke bijgeloovigheden gehecht bleven en die openlijk 
huldigen. 

Op den 29^'®° Augustus, een half uur vóór zonsopgang , ver- 
lieten wij de Kampong Kwala-poenin , en voeren dien dag tot 
aaA de Kampong Tandjong-petong. Wij roeiden op dezen togt 
langs het eilandje Koeningan, ongeveer anderhalf uur varens 
boven eerstgenoemd gehucht, en vervolgens, eenige groote 
bogten der rivier hoojger, voorbij de opening van het meir 
Lampoer, waar de Soengi Karau in uitstroomt. Omstreeks 
de Kwala Poenin hadden wij voor het eerst eenig zuiver zand 
in de Doeson waargenomen; bij Poeloe Koeningan werd het 



181^ 

zand menigvuldiger , en van daar opwaarts zagen wi] toen bij 
laag water , dat vele ondiepe plaatsen en droog gevallen banken 
uit zand bestonden. De oevers waren in die streken schier 
overal met min of meer hoog bosch bedekt, en vertoonden 
slechts' enkele ladang^s. Poeloe Koeningan komt in grootte 
en gedaante met Poeloe Pako overeen, ligt' insgelijks nabij 
den regter oeverkant en is geheel met wild hont begroeid. 
Niet ver boven dit eilandje viel ons, aan dezelfde zijde der 
rivier, een vrijstaande, hooge boom in het oog, aan welks 
takken eene groote menigte langwerpige, zwarte ligchamen 
hingen, die onze inlandsche togtgenooten verklaarden bijen- 
nesten te zijn, terwijl zij den boom- zei ven Tampoerau noemitn. 
Dr. Schwaner deelt mede, dat de inboorlingen zulke ^^'^«do^m^ 
met den bijzonderen naam van Tangiran bestempelen. Groote 
Tampoerau-boomen prijken niet zelden met 100 — 200,enzflfs 
wel eens met 300 honigraten. Honderd zulke raten leveren 
gewoonlijk 130 — 150 ponden was, mitsgaders eene aanmer- 
kelijke hoeveelheid honig, waarom dan ook die boomen door 
de inlanders als winstgevende panden beschouwd worden, en 
elke Tampoerau zijnen eigenaar heeft. Deze boomsoort is door 
Dr. Korthals, in het botanische gedeelte der Verhandelingen^ 
onder den naam Dipterocarpus tampurau beschreven. Volgens 
hem is zij vermoedelijk uit het gebergte afkomstig, dat ver 
in het noorden en oosten het stroomgebied van de Doeson 
begrenst, en zoude zij zich, even als Dipterocarpus littoralis 
en andere soorten van dat geslacht, alleen door langs de 
rivieren afgevoerde zaden in die lagere aftreken hebben voort- 
geplant. Zij is daar niet menigvuldig en werd door ons voor- 
namelijk tusschen 1° en 2° Z. breedte en in het bijzonder 
omstreeks de uitwatering der Soengi Karau waargenomen. Op 
die plaatsen groeide deze Dipterocarpus in gezelschap v^n 
Myrtaceae, Anonaceae enzv. Wegens zijne aanzienlijke hoogte, 
soms van 100 — 130 voet, verhief hij zich meestal boven de 
overige hem omringende woudboomen en monsterde zich reeds 
in de verte uit door zijnen regtstandigen , licht grijzen en 
gladden stam, met eene breedgetakte , doch dun van loof voor- 
ziene kroon. De bijen aldaar schijnen hare honigraten bij voor- 



•" 



V 



185 

keur aan de takken van deze boomsoort te hechten, doch, 
bij gemis van haar, ook wel andere hooge booraen van de 
geslachten Parkia, Elaeocarpns enzv. tot dat einde te bezigen. 
Hebben deze nijvere diertjes eenmaal zulk een' boom gekozen, 
dan zullen zij dien , hoe dikwerf zij ook van hunne honigraten 
beroofd worden, niet ligt verlaten. Om de raten te erlangen, 
bedienen de inlanders zich van ladders, die tot in de kroon 
reiken, of wel alleen van houten pennen, die zij bij wijze van 
sporten, schuins boven elkander- in den stam slaan en langs 
welke zij opklimmen, terwijl een dikke rotting los uit de 
kroon afhangt of wel aan het vrije einde der pennen is vast- 
gebonden. — In de nabijheid der Moewara Lampoer, den 
mond van het meir van dien naam , ontmoetten wij eene kano 
met twee inlanders. Deze deelden ons mede, dat zij zich naar 
de bosschen wilden begeven om toeba-wortelen (toeba-ahar) te 
verzamelen voor eene vischpartij. Men bezigt tot dat einde op 
Borneo, Java en Sumatra, de wortelen, schorsen, bladeren en 
vruchten van zeer onderscheidene planten uit verschillende 
natuurlijke familiën; het meest echter uit die der Legumi- 
nosae, en wel voornamelijk van de geslachten Dalbergia , Pon- 
gamia en Millettia. De wortelen en rankende stammen dier 
gewassen worden met een stuk hout geslagen of gestampt, en 
vervolgens of alleen, of nadat het sap met kalk is vermengd, op 
die plaatsen in het water geworpen, waar men voornemens is 
te gaan visschen. Dit middel dient, even als de bierbekende, 
doch tot zoodanig gebruik verbodene cocculi indici, om de 
visschen te bedwelmen, zoodat zij als magteloos naar boven 
komen drijven en zich met de hand laten grijpen, terwijl zij 
daarna, als spijs gebruikt, der menschelijke gezondheid geen 
nadeel schijnen te doen. Op die wijze, in het Maleisch me- 
noeba ajer^ of ook wel menoeba ikan ss) genaamd, kan men 
zich soms, in weinige uren tijds, van eene zeer groote hoe- 
veelheid visch meester maken : een bedrijf, waarmede de inlandsche 
grooten zich gaarne onledig houden en daarin ook een werk- 
zaam aandeel nemen, door de van tijd tot tijd boven water 
komende visschen te helpen bijeengaren. Zoodanige, meeren- 
deels ter uitspanninsr en verlusti^rincr strekkende vischpartijen, 



186 ' 

worden echter zeldea door den geringen inlander uit eigene 
beweging ondernomen. Deze geeft de voorkeur aan het afdammen 
van kreken en kleine riviertakken en het gedeeltelijk afzetten 
van grootere rivieren en meren, welke afgeslotene gedeelten 
hij alsdan laat droog loopen. Of wel hij plaatst op ondiepten 
takkebosschen of steenen* in een' vrij scherpen driehoek, en 
zet aan het versmalde uiteinde een' kunstig van teenen ge- 
vlochten fuik , waar de visch met den afgaanden stroom inloopt. 
Ook bedient hij zich van ^stel-, sleep- en handnetten; het 
visschen met de heugelroede is echter minder zijne zaak, en 
dit wordt daarom ook zeldzaam in het zoetwater door hem 
gedaan. 

Na een paar uren in den omtrek der Moewara Dano Lampoer 
vertoefd te hebben, vervolgden wij onzen riviertogt tot Tan- 
djong-petong. Dit gehucht, dat eerst van omstreeks het jaar 1830 
dagteekent, heeft vier huizen op den regter oever der Doeson 
en vijf, op rakit's staande, in de rivier. De laatsten zijn alleen 
door Fekoempaijers , en een paar der op den wal staande huizen 
waren door eenige Dajaksche familiën bewoond. Wij vonden 
daar weder een groot rottingvlot, en hadden er bij Moewara 
Dano Lampoer drie aangetroflfen , waaruit men kan afleiden, 
hoe ongemeen rijk de bosschen dier streken aan bindrotting 
moeten zijn. Digt bij de Kampong Tandjong-petong zagen wij 
vijf schedels van krokodillen op een stellaadje ten toon gesteld. 
De inlanders deelden ons een aantal treurige gebeurtenissen 
met die gevaarlijke land- en waterbewoners mede, en oüder 
anderen, dat, naauwelijks twee maanden geleden, een man in 
zijn bootje door hen was overvallen en verslonden geworden. 
Reeds te Kwala Pattai en Moewara Dano Lampoer had ik 
eenige eijeren dezer dieren van de inboorlingen ontvangen, 
welke hier met nog een paar vermeerderd werden. De bewoners 
van Tandjong-petong bragten mij daarenboven een' half vol- 
wassen, levenden neusaap, dien zij, met behulp van honden , bij 
het rottingsnijden in het bosch hadden gevangen. Volgens 
hun zeggen is deze aap raoeijelijk in het leven te houden, 
doordien hij in gevangenschap weinig of geen voedsel wil nemen. 

Den 30^*® Augustus voeren wij tot bij het groote meir Babai. 



187 

Langs dien weg waren de beide oevers der Doeson schier 
overal met bosschen bedekt en onbewoond. Ongeveer te halver 
weg werden wij door twee mannen begroet, die, in eene ijzer- 
houten praauw gezeten, op onze vraag, waar zij heen voeren, 
ten antwoord gaven , dat zij aan den Gouvernements-Posthouder 
te Mopwara-bahan hoofdgelden gingen overbrengen. Zij wendden 
onmiddelijk hun vaartuig en volgden ons. Wij vernamen, dat 
een dezer inlanders het Dajaksche opperhoofd en de ander een 
koopman van de Kampong Dalio was. De eerste , die den titel 
van Demang se) voerde, had een zeer goedhartig voorkomen, 
maar leed aan eene walgelijke huidziekte, waardoor ons zijne 
overgroote beleefdheid van ons telkens de handen te willen 
drukken, meer lastig dan aangenaam was. Wij waren blijde, 
toen hij verzocht ons te mogen verlaten en huiswaarts te 
keeren, ten einde onze komst in zijn dorp te gaan aankon- 
digen en eene behoorlijke ontvangst voor te bereiden. 

Bij de Dano Babai troffen wij slechts twee huisgezinnen aan. 
Het hoofd van het eene was een Bandjerees, van het andere 
een Pekoempaijer. Beiden hadden Dajaksche vrouwen, terwijl 
eene der dochters met een' neef van den Demang van Dalio, 
insgelijks een' Dajakker, gehuwd was. Men ziet hieruit hoe 
weinig deze zoogenaamde Mohammedanen zich naar de voor- 
schriften van den Koran gedragen 57) , daar zij niet alleen ver- 
draagzaam en vriendschappelijk met de ongeloovige fetisch dienaars 
omgaan , maar zelfs huwelijken met hen sluiten en op den ver- 
trouwelijksten voet met elkander leven. Deze huisgezinnen, uit 
twaalf of vijftien leden bestaande, bezitten aan de drooge en 
vruchtbare boorden der Doeson en van het meir Babai eenige 
velden en tuintjes, waar zij eene kleine hoeveelheid rijst, bataten, 
pompoenen, water- en andere meloenen, suikerriet en verschil- 
lende moeskruiden telen. De Dano Babai levert hun overvloed 
van goeden visch, terwijl de bosschen, welke dit meir omgeven, 
bijzonder rijk zijn aan onderscheidene damar-soorten , rottingriet 
en boomen met bijennesten. In deze voortbrengselen uit het 
planten- en dierenrijk vindt de daar en elders in den omtrek 
wonende inlander een ruim en winstgevend bestaan. Volgens 
ontvangene opgaven zouden alleen bij de Dano Babai jaarlijks 



188 

eene hoeveelheid vaiï ongeveer vijftig pikols ss) was verzameld 
worden, en schier het dubbele van dit getal rondom de meer 
noordelijk liggende meren Limot en Ganting. Berekent raen nu 
den pikol tegen f 50, dan zoude de waarde dezer hoeveel- 
heden eene som van zevenduizend vijfhonderd gulden bedragen. 
Aan damar zouden de bosschen, bij genoemde meren , gemiddeld 
zestig tot zeventig pikols in het jaar opleveren. De prijs dezer 
natuurlijke harsen verschilt naarmate der soorten, van welke 
er twee vrij menigvuldig en het belangrijkst voor den handel 
zijn, namelijk de damar poebih ("witte damar) of damar mata 
koetjing 59), zoo als deze soort in het pasar-Maleisch heet, 
en de damar rasaky aldus genaamd naar den boom, die haar 
voortbrengt. De eerstgenoemde is het hoogst in prijs en geldt 
van vijftien tot twintig centen de gantang «o). Versch zijnde, heeft 
deze hars een bijna wit of geelachtig wit, half doorschijnend, 
en op de breuk glasachtig aanzien, is zeer ruw op het gevoel 
en, wegens de vele kleine holligheden en luchtblaasjes, zoo 
ligt, dat zij op het water drijft: zij wordt daarom het voor- 
deeligst in de west- of regenmoeson, wanneer de bosschen 
meer of minder zijn on dergel oopen , ingezameld. Op andere 
tijden gaat, uithoofde harer broosheid, te veel tusschen de dorre 
bladereu en het ruig des bodems bij het afhalen verloren. De 
boom, welke deze hars voorbrengt, is door den Heer Korthals, 
in de afdeeling Botanie der Verhandelingen^ onder den naam 
Hopea sangal beschreven en bij de inboorlingen langs de 
Doeson en de Soengi Beadjoe onder dien van Sangal bekend. 
Zijne dikke, ruwe en bij oude stammen meestal sterk gebarsten 
schors laat zich gemakkelijk afschillen, en wordt uit dien 
hoofde somtijds tot het dekken der huizen in de boschvelden 
gebezigd. De tweede belangrijke damar-soort,door de Dajakkers 
ter zuidkust van Borneo TyWm^ m^aA genoemd , komt insgelijks 
van een' hoogstammigen boom uit de familie der Diptero- 
carpeae, en werd door den Heer Korthals, in het zoo even 
aangehaalde werk, onder den naam Eetinodendron rassak, 
beschreven en afgebeeld. De hars van dezen boom is licht rood, 
somwijlen geelachtig rood, doorschijnend en zwaarder dan 
water ^ iu ^^'^twelk zii biirrevolsr zinkt, en om die reden alleen 



189 

in de oost- of drooge moeson verzameld wordt. Wanneer de 
weersgesteldheid gunstig is, kan men somtijds van denzelfden 
boom twee- of driemaal in het jaar damer inzamelen. Volgens 
het zeggen der inlanders vindt men weleens klompen ter zwaarte 
van 20 — 30 oude ponden. Tien of elf gantang's kosten 1 soekoe, 
zoodat de gantang op 5 — 6 centen te staan komt. De Dajakkers, 
zoowel als de Mohammedaansche inlanders, gebruiken deze en 
de volgende damar-soorten vrij algemeen ter verlichting hunner 
woningen, ten welken einde zij haar fijn stampen, droogen en 
in nipa- of pisangbladeren wikkelen , of er ook wel dunne bam- 
boezen kokers mede vullen, en ze alsdan als fakkels ontsteken. 
Fijn gestampt en met olie vermengd , bezigen zij haar bij het 
breeuwen hunner vaartuigen. Ook elders worden deze harsen 
tot hetzelfde doel, in stede van pik, gebezigd, en uit èien 
hoofde in groote hoeveelheden van Bandjermasin naar Soerabaja, 
Makassar en andere kustplaatsen vervoerd. Naast de damar 
Tosak zijn nog de volgende verwante harsen meer of minder 
gezocht, namelijk: eene dof bruine soort met gele vlammen en 
stippen, door de handelaren dikwerf damar itam (zwarte damar), 
doch door de Bandjerezen damar kaloeloet ^ tn door de Beadjoe's 
njating tampoereb «>) genaamd; eene ingelijks zware, weinig 
doorschijnendheid, doch eene zeer glanzende breuk bezittende 
soort , njating lendang , welke hars dikwerf in onregelmatig ronde 
of platachtige stengen gevonden wordt, licht of bruinachtig geel 
van kleur is en, volgens de berigten der inlanders, van een' 
groeten boom komt, die uitsluitend in de hoogere streken groeit. 
Met deze damar in hoedanigheid overeenkomende, doch eenig- 
zins verschillende van tint, welke van het geel-roode tot in 
het bruinachtige trekt, is de njating mahamhong ^ het voort- 
brengsel eener hoogstammige Hopea, die buitendien een zeer 
deugdzaam timmerhout oplevert, dat onder den naam kajoe 
halangeran bij de inlanders bekend is. Verwante hars-soorten 
zijn verder de njating oepak en njating njaroe\ de laatste is 
dikwijls fraai bruin-rood en half doorschijnend. Eindelijk moeten 
wij nog melding maken van eene witte, ligte en op het water 
drijvende verscheidenheid, njating palepek geheeten, die veelal 
in knobbelige klompjes voorkomt en door den Heer Korthals 



190 

als het voortbrengsel van jonge Sangal-boomen wordt beschouwd. 
Deze soort schijnt voor het overige niet zoo overvloedig te zijn, 
als de njating mata-poesa^ en wordt ook minder geacht, omdat 
zij moeijelijk brandt en bij het branden knapt. Y66r den verkoop 
vermengen de inboorlingen vaak beide met elkander; de meeste 
overige gele en bruine soorten zijn ten naastenbij van denzelfden 
prijs, als van de damar rasak is opgegeven. — Naast deze 
boomharsen en het bijenwas komt, als handelsartikel , de bind- 
rotting in aanmerking, waarvan elk jaar door de bewoners van 
de Dano Babai en omstreken, ongeveer 10,000 bossen, 
meest aan Chinezen te Bandjermasin , afgeleverd worden. Be 
hoeveelheid bindrotting, welke jaarlijks van Bandjermasin wordt 
uitgevoerd, is inderdaad verbazend en wordt op meer dan een 
millioen bossen berekend. 

In den namiddag van den 31'^ Augustus kwamen drie lange 
kano's, met een veertiental Dajakkers van Siang, de Doeson 
opvaren, en bleven, naast onze praauwen, bij de Dano Babai, 
omstreeks een uur vertoeven. De kano^s dezer, ver in het berg- 
achtige gedeelte der binnenlanden te huis behoorende lieden, 
waren oud en slecht, en in verhouding tot hare lengte vrij 
smal. Zij hadden geene overdekking , doch in iedere kano lagen 
eenige zamengerolde kadjang's, die waarschijnlijk bij zware stort- 
regens en gedurende den nacht over de booten werden uitge- 
spreid. De kano's bevatteden daarenboven onderscheidene fijne 
rottingmatten , alsmede blaasroeren en kokers met vergiftigde 
pijltjes, schilden en slagzwaarden of zoogenaamde koppensnellers, 
van welke eenige het gevest met bundels lange menschenharen 
versierd hadden. Sommige dezer nog weinig beschaafde natanr- 
menschen, onder welker ruwe schorè dikwerf eene edele kern 
verborgen ligt, waren van een blijkbaar door levenswijs en 
oefening zeer ontwikkeld en forsch gestel, van eene meer dan 
middelmatige grootte en schier allen getatoeëerd. Twee hunner 
inzonderheid bij uitstek fraai , vooral op den rug en de borst 
tot aan den hals en langs de armen, zoodat het geheele bo- 
venlijf bijkans het aanzien had van een bont wambuis. Ook' 
hunne beenen waren, behalve met de vrij gewone, langwerpig 
ronde of hartvormige, donkere vlek op de kuiten, rondom, 



y 



191 

uitgezonderd aan de binnenzijde, met verschillende figuren, op 
eene onuitwischbare wijze, tunstig versierd. Volgens hun zeggen 
waren zij, een paar weken geleden, de Doeson afgezakt, ten 
einde eenige bekenden binnen de rivier Karau te bezoeken, 
en bevonden zij zich thans weder op reis huiswaarts. Na verder 
van hen vernomen te hebben, dat zij meerendeels onderdanen 
waren van Toemanggong Soera Pati, bij de Soengi Lauoeng, 
wiens naam ons uit de berigten van den Overste von Henrici 
bekend was, en waarover zij veel blijdschap aan den dag legden, 
verzochten wij hen , dit opperhoofd minzaam van ons te willen 
groeten. Wij onthaalden hen op eenige glazen arak , welk geestrijk 
vocht zij gretig inzwolgen, en gaven hun ten laatste nog wat 
tahak en zout, hetwelk hun klaarblijkelijk veel genoegen deed , 
ofschoon zij er ter naauwernood dank voor zeiden. Deze om- 
standigheid, en hun kort daarop gevolgd, geheel stilzwijgend 
vertrek, gaf ons aanleiding tot het opmerken der tegenstrij- 
digheid in zeden en gewoonten tusschen deze en andere In- 
dische eilanders, welke in het algemeen zeer beleefd zijn en 
het aan geene pligtplegingen laten ontbreken. 

Gelijk men op onze Kaart ziet , staat de Dano Babai , behalve 
regtstreeks door een naauw kanaal, een eind hooger op nog 
door eenige soortgelijke enge doortogten met de Doeson in 
verbinding. Er liggen op die hoogte ook weder een paar kleine 
eilandjes in de groote rivier, van welke het zuidelijkste den 
naam van Poeloe Babai draagt. Niet ver boven het tweede, 
Poeloe Nonok geheeten,. ligt, ter regter zijde der Doeson, de 
Kampong Dalio, welke zeven huizen op den oever , twee rakit's , 
en in het geheel omtrent negentig inwoners bevat. De vlottende 
en ligt te verplaatsen rakit's behooren, zoo als overal, aan 
Pekoempaische huisgezinnen, terwijl de dorpelingen Dajakkers 
zijn. Geen van dezen was getatoeëerd, en de meesten spraken 
vrij goed Maleisch. Wij werden daar, bij het vallen van den 
avond, op een ongewoon schouwspel vergast. Bij het gezang 
van drie Dajaksche vrouwen zagen wij eenige mannen dansen. 
De eerste waren openbare zangeressen , onder den naam Bilicm 
bekend, en wier zeden weinig van de Javaansche Rongging's 
verschillen. Hare kleeding bestond eeniglijk in een' sarong 



die boven den boezem was te zamen gebonden en tot beneden 
de knieën afdaalde. Zij zaten in eene rij naast elkander op den 
grond, en hadden elk ^ eene soort van tambourin ^^) op den 
schoot liggen , die door haar met de linker hand werd vastge- 
houden en met de regter bespeeld, terwijl zij op de maat van 
dat eentoonig geklop, met Inider stemme, in diepe en half 
verhalende toonen, bij wijze van recitatief, onderscheidene lie- 
deren opdreunden. Men zal wel begrijpen , dat het gezang dezer 
Dajaksche virtuozen voor een Europeesch gehoor niets streelends 
bezat. Met eenigzins meer belangstelling sloegen wij de be- 
wegingen der dansende mannen gade, welke van het slaan op 
koperen bekken {gong's) vergezeld gingen. Deze dansen bestonden 
hoofdzakelijk in eene op- en nederwaartsche beweging van het 
ligchaam en der ledematen, door de knieën telkens te buigen 
en de uitgestrekte armen, op eene afgemetene wijze, naar de 
hoogte en de laagte te slingeren. — In de meeste door ons in 
die streken bezochte ladang's of bosch velden, welke ook daar 
doorgaans digt langs de oevers of slechts op geringen afstand 
van de Doeson verwijderd lagen, ontwaarden wij vrij veel sui- 
kerriet, dat welig groeide, en door de inlanders alleen gebruikt 
werd als eene soort van snoeperij, tot welk einde zij het 
versch in stukjes snijden en deze, na ze alvorens in koud water 
te hebben gedompeld, als eene lekkernij aan hunne bezoekers 
voorzetten of er zich-zelven op vergasten. 

Den 2*®° September voeren wij de Doeson op, tot aan drie 
kleine eilandjes, Poeloe Betjabang; den 3^®" vervolgden wij 
onzen togt tot aan de Moewara Kalahiën ; den 4^®*^ , tot aan de 
Kampong Tandjong-djawa, en den 5^®° van dezelfde maand 
bereikten wij de Kampong Riong, die niet ver boven de eerste 
oeverhoogte, den Goenong Rantau, gelegen is. Nabij den 
noorder mond der Antassan Poenin bevindt zich , aan de regter 
zijde der Doeson, eene wijde bogt, waarin het rivierwater, door 
terugstrooming langs den oever, eene sterke draaikolk vormt, 
bekend onder den naam van Oelakh-prahoe, De bedding der 
Doeson begint zich op die hoogte, somwijlen met vrij scherpe 
hoeken , aanmerkelijk te kronkelen. Het land daarentegen blijft 
aan weerskanten voortdurend vlak en laag, en de bosschen, 



"i^ i*mwim~n—mlir,i,ia itn Hl II ■ l—tiKP»— ^^n^^i— ü^ 



193 

welke het bedekken , zijn op vele plaatsen met doomige bamboes, 
nibongpalmen, verschillende rottingsoorten en andere slinger- 
planten zoo digt bewassen, dat het schier onmogelijk is, er in 
door te dringen. Langs de oevers groeit veelal eene soort van 
hoog, rietachtig gras, met dikke stengels. De bosschen vonden 
wij in het oog vallend arm aan vogels en zoogdieren; alleen 
dagvlinders waren er menigvuldig en langs de boorden der 
rivier verlevendigden vele libellen deze eenzame en wilde streek. 
Alvorens wij de zoo evengenoemde drie eilandjes bereikten, 
wezen onze gidsen ons eene uaauwe ^rivier-opening aan den 
regter oever, Moewara Maliau genaamd, door welke het water 
uit eenige kleine meren in de Doeson uitstroomt, welke meren 
evenwijdig met deze rivier, op geringen afstand van elkander 
liggen, onderling met elkaar in verbinding staan , en de namen : 
Dano Madara, Dano Masoera en Dano Lamoeda of Kalahiën 
dragen. Het laatstgenoemde is het aanzienlijkst en ligt het 
zuidelijkst, op 1°5' Z. breedte en 114°50' O. lengte van Greenwich. 
Het heeffe de gedaante van een hoefijzer, met de beide armen 
zuidwaarts gekeerd, en in deze rigting gemeten is het omstreeks 
een uar lang en iedere arm zeventig of tachtig roeden breed. 
De andere meren zijn veel kleiner, maar insgelijks lang en 
smal van omtrek. Allen zijn van bosschen omgeven, en langs 
hunne boorden, of niet zeer ver daarvan verwijderd, wonen 
een* paar honderd Daj akkers verspreid, die hier en daar wel 
een stukje gronds bebouwen, doch hoofdzakelijk van de visch- 
vangst leven en wijders van hetgeen de natuur hun, ongevergd 
en zonder handenarbeid, mildelijk aanbiedt. De Dano Masoera 
staat door een kort kanaal, Soengi Bepong, en de Dano La- 
moeda door de naauwe Soengi Kalahiën , regtstreeks met de 
Doeson in verbinding. — Tusschen de Moewara Maliau en de 
eilandjes Betjabang, werd door ons eene korte poos getoefd 
bij eenige ladang's, waarin drie huizen stonden , welker wanden 
en daken geheel met boomschors bekleed waren. Het inwendige 
bestond slechts uit ééne ruimte, welke bij een van hen bijkans 
opgepropt vol was van allerlei vischtuig, gereedschappen voor 
den landbouw , eetwaren , zoo uit het plantenrijk als gedroogde 
visch; ook kleedingstukken , matten, aarden potten, gong's of 

13 



J94 

koperen bekkens, vogelkooijen met groene dniren (Columba 
aromatica) en vele andere voorwerpen van hmshoadelijk gebrailc. 
De bewoners waren Dajakkers, van welke eenige mannen de 
armen getatoeëerd hadden: een verschijnsel, door ons tot daar 
nog bij geen bewoner der Doeson waargenomen. Men verhaalde 
ons, dat deze Dajakkers, en ook gedeeltelijk die, welke hooger 
opv in de Kampong Loewok-batong, aan de Moewara Aepong 
eit elders, in deae omstreken wonen, vele jalren geleden , van de 
oevers der, sich met de Soengi Beadjoe veteenigende, Soengi 
Kapoieas , herwaarts verhuisd waren , en wel ten gevolge der 
herhaalde overvallen, welke zij van de roofzuchtige Dajak 
fooi of Parei^ een' half nomadischen en algemeen gevreesden 
volksstam van het meer verwijderde binnenland, hadden te 
verduren gehad. Onze roeijers kochten bij de voormelde ladang^s 
cene geringe hoeveelheid mais en suikerriet, waarna wij onzen 
togt tot Poeloe Betjabang voortzettenden •>), t^en den avond 
aldaar aankwamen en er gedurende den nacht bleven liggen. 

Deze kleine en vlakke eilandjes, drie in getal, liggen digi 
naast elkander , nabij den regter oever der Doeson ; niet ver ten 
noorden van hen , bezit de rivier nog verscheidene ondiepe of 
bij lagen waterstand droog vallende plaatsen , waar reeds enkele 
struiken groeijen. Dien ten gevolge heeft de bedding aldaar 
eene aanmerkelijke breedte. In de kanalen tusschen de eilandjes 
houden zich vele krokodillen op, die vaak het water verlaten 
om zich langs de oevers in de zonnewarmte te koesteren. 
Wanneer soms zulk een gevaarlijk dier eenen mensch, meestal 
uit een bootje, tot zijne prooi heeffc gemaakt, leggen de naaste 
betrekkingen van den ongelukkige hengels en lokaas uit. Dan 
wij zullen hiter gelegenheid hebben , over deze en andere wijzen 
waarop de krokodillen door de inboorlingen op Bomeo levend 
gevangen worden, meer in bijzonderheden te treden. 

In twee groote uren ziin wij van Poeloe Betjabang tot aan 
de Moewara Boentoek de Doeson opgevaren. De Soengi Boen- 
toek vormt den noordelijksten doortogt uit de Doeson naar de 
meren Ganting en Babai. Ook bij Poeloe Betjabang vindt men 
aan den linker oever der groote rivior de opening van een 
kanaaltje, Antassan Pako, dat zich weldra met de Soengi Boen- 



^ 



195 

toek, ook wel Soengi Masangkin genaamd, vereenigt. Alvorens 
deze laatste eene zuidelijke rigting aanneemt, verdeelt zij zich 
in twee takken, waarvan de noordelijke of linker, op den 
afstand van ongeveer een' halven dag opvarens, zich in het 
meir Malawin verliest, welks uitgestrektheid gezegd wordt aan 
die der Dano Ganting gelijk te zijn. Het vaarwater derwaarts, 
of de Soengi Malawin, is echter alleen voor kleine bootjes 
gescliikt. Digt bij de Moewara Boentoek en nabij den linker 
oever der Doeson, ligt een klein eilandje, dat insgelijks den 
naam van Boentoek draagt. Naauwelijks een kwartier uurs boven 
dit punt, is, aan de regter zijde der groote rivier, de Kam- 
pong Loewok-batong gelegen. Deze bestaat slechts uit vier of 
vijf Dajaksche huizen , die met plantsoenen van pisang-gewassen, 
suikerriet, bataten enzv. omgeven zijn. Het meereudeel der 
bevolking tot dit gehucht behoorende, houdt zijn verblijf 
hier en daar in ladang's; de gezamentlijke bewoners worden 
op ruim driehonderd zielen begroot. De naburige bosschen 
leveren overvloed van bindrotting op, welk voortbrengsel, gevoegd 
bij 15 — 20 pikoFs was en eene hoeveelheid damar, meest uit 
de omstreken (Jer Dano Malawin af komstig , hier de voornaamste 
handelsartikelen uitmaken. — Een paar^ honderd schreden 
beneden de Moewara Bepong liggen, aan dezelfde zijde der 
Doeson, drie Dajaksche huizen, die, met nog een tweetal 
elders staande, de Kam pong Moewara-Repong vormen , met eene 
bevolking van nagenoeg veertig zielen. Langs de boorden der 
kleine Soengi Bepong en Soengi Kalahiën ontwaart men vooral 
vele ladang^s, onder welke zich intusschen ook een aantal oude 
en reeds verlatene bevinden. De Kampong Moewara-kalahiën , 
aan de oostelijke aitmonding der rivier van dezen naam gelegen, 
bevat, met inbegrip van die der naburige ladang's, een achttal 
huizen , waarvan twee door Pekoempaijers , en de overige door 
Dajakkers bewoond worden, die te zamen ongeveer honderd 
zielen uitmaken. De Dajakkers bejegenden ons overal met eene 
ongeveinsde welwillendheid en dienstvaardigheid, die ons zeer 
voor dit weinig beschaafd, maar arbeidzaam en manhaftig volk 
innara. Hetgeen onze oplettendheid bijzonder trok, was de 
weinige schroom of schuwheid, welke de Dajaksche vrouwen 



196 

voor ons, blanke vreemdelingen, aan den dag legden: eene 
vrijmoedigheid , zoo als wij niet altijd op onze reizen door Java, 
Samatra en Timor, in zelden of nooit door Europeanen be- 
zochte streken , pleegden op te merken. Sommige mannen in de 
gehuchten Loewok-batong, Moewara-repong en Moewara-kala- 
hiën, waren op de armen eil kuiten getatoeëerd; de vrouwen 
echter vertoonden daarvan geen speur. Zij droegen gewoonlijk 
een |grof, kort en eng kleedje van eigen weefsel; de mannen 
gingen naakt, behalve eene strook zacht bereiden boombast om 
de lenden en tusschen de beenen door, welken lijf band zij 
ewa noemen. — Toen wij bij de Kampong Moewara-kalahiên 
nachtverblijf hielden, hoorden wij op zekeren avond, in een 
naburig huis, een vervaarlijk getrommel en geklep met houten 
voorwerpen. Bij onderzoek bleek het, dat dit geraas door eene 
Bilian ^') werd te weeg gebragt, met geen ander doel, dan 
om een^ boozen geest uit het ligchaam van een^ ziek^ man te 
verdrijven. Dezelfde bijgeloovige handeling, om door luid te 
schreeuwen en hard op eene soort van tambourin te slaan, een 
kranke te genezen, of den geest des kwaads van hem uit te 
jagen, i^ ook dikwerf ter westkust van Sumatra, bij de in- 
boorlingen van het eiland Nias, door ons waargenomen. 
Op den togt van Moewara Kalahiën naar de Kampong Tan- 
L djong-djawa, ontmoetten wij twfee groote rottingvlotten , welke 
de Doeson afzakten; bij het gehucht Loewok-batong hadden 
wij er insgelijks reeds twee aangetroflen, die nog niet geheel 
geladen en steeds meerdere rotting wachtende waren. Een dier 
vlotten had daar reeds zeven maanden getoefd, en nog werd 
de door de inwoners geleverde hoeveelheid rotting niet toe- 
reikende geacht ter kwijting der voorschotten, welke zij daar 
reeds voorlang op hadden genoten. Dusdanige voorschotten op 
de voortbrengselen van den grond, zijn voor beide partijen, 
zedelijk en stoflelijk, dikwerf zeer nadeelige en verderfelijke 
speculatiën. De Chinesche geldsctóeters berekenen hooge renten, 
en de Dajakkers blijven soms lang achterlijk in het volbrengen 
der gestelde voorwaarden en overeenkomsten. Zij leveren b. v., 
op vooruitbetaling, de honderd bossen bindrotting tegen ƒ4,50 
of ƒ 5 zilver, terwijl dezelfde hoeveelheid, tegen gereed geld, 



m tmm I n mtm* * m i j ^—fci*— W i < ■ * ^» > 



197 

met ƒ6 of ƒ 6.50 betaald wordt. Te Bandjermasin kosten de 
honderd bossen / 10 ^ / 13 zilver, al naarmate de voorraad 
ruim en de gading groot is. Een bos bevat 38 rietstokken, 
welke gewoonlijk op ruim twee vademen lengte gesneden worden. 
Naar men ons verzekerde, zijn er vlotten, die 10,000 — 15,000 
en zelfs nog meer bossen laden. Het regt van uitvoer bedraagt 
ƒ 1.25 zilver per 100 bossen, welke belasting aan den Gou- 
vernemen ts Posthouder te Marabahan moet voldaan worden. De 
tot den afvoer langs de Doeson gebezigd wordende houtvlotten 
zijn meestal bij of boven Lontontoer vervaardigd. Een groot 
vlot kost aldaar ƒ 20 — 24 zilver, maar heeft te Bandjermasin 
niet meer dan / 8 — 12 zilver waarde. De vlotten bestaan uit 
drie lagen boomstammen; de zwaarste zijn voor de onderste 
laag bestemd. Men bevestigt de stammen met bind- en andere, 
dikkere rottingsoorten aan elkander, en de vlotten hebben dikwerf 
van veertig tot zestig vademen lengte; somwijlen nog meer. 
Vier, zes of acht mannen besturen gewoonlijk, door middel 
van lange riemen , het vlot van voren en van achteren. Behalve 
bindrotting, laden zij ook niet zelden damar, was en andere 
koopwaren. — Het snijden van bindrotting en het; verzamelen 
der, door ons vroeger vermelde, bruine damar-soorten , hebben 
meestal gelijktijdig plaats. Terwijl de volwassenen, zoo mannen 
als vrouwen , rotting bijeen *brengen en tot bossen binden , 
houden de kinderen zich onledig met het verzamelen der ge- 
wenschte boomharsen en van verschillende , tot nut en voordeel 
strekkende, gomachtige zelfstandigheden {ffelaA en goetah in 
bet Maleisch). 

Een groot uur roeijens van het gehucht Kalahiën , bereikten 
wij de Kampong Bawahasam, met 7 of 8 huizen, die, ter 
weerszijden van de Doeson gelegen en door omtrent 160 zielen, 
meest Dajakkers, bewoond waren. Het dorpshoofd , Bakal Aboe , 
een geboren Banjerees van Nagara, was daar met de dochter 
van eenen Daj akker gehuwd. De meeste huizen stonden ter 
helfte achter en tusschen vruchtboomen, zoo als pisangs, kokos- 
en pinangpalmen , mangga's en anderen verscholen. De oevers 
waren tien of twaalf voet boven den waterspiegel verheven, 
terwijl zij, volgens het dagboek van den Overste von Henrici, 



198 

tijdeDB zijne reis, in het laatst van Januarij 1835, dos in het 
midden der regenmoeson , nog slechts drie voet boven den hoog 
gezwollen vloed uitstaken. — Op deze hoogte der Doeson hadden 
wij aanmerkelijk minder bezoek van de moskieten, dan in de 
lagere streken; doch zoo mogelijk nog lastiger vielen ons 
hier eene of veelligt meerdere soorten van kleine bloedzuigers, 
die in tallooze menigte de gelegenheid schenen te beloeren 
om zich behendig van de bladeren der struiken aan de kleederen 
der voorbijgangers vast te hechten, en tot de huid poogden door 
te dringen. De Dajakkers der Doeson noemen deze kleine in 
de bosschen levende bloedzaigers, Demantek^ en de Beadjoe's 
Halamantek\ doch de grootere, zich in moerassen en meren 
ophoudende soorten, worden door de Doeson-Dajakkers lolo 
en door de Beadjoe^s Djelo of Bjelau geheeten. De Banjerezen 
gaven ons voor laatstgemelden het woord P^i^'a^op; klaarblij- 
kelijk eenerlei met het Javaansche en Snndanesche Patjet, 
den naam, waarmede deze volksstammen de kleine boschbloed- 
zuigers aanduiden, terwijl zij de groote, in zoetwater levende 
soorten, even als de Maleijers, Lintah en Lentah noemen. — 
Omstreeks anderhalf uur varens boven de Kampong Bawahasam, 
ligt , aan den regter oever der Doeson , eene zandbank , Qosong ^) 
Bajor genaamd, die bij lagen waterstand droog valt, alwaar 
alsdan bruine damar wordt ingezameld. Soortgelijke ondiepe en 
zaudige plaatsen vind men verder, bij sommige groote bogten 
der rivier , nog onderscheidene malen , en het is op die banken , 
dat, gedurende den regentijd, de genoemde stukken hars door 
den stroom worden aangespoeld. Tegenover de Qosong Bajor, 
aan den linker oever der Doeson, ontwaart men de uitvlieting 
van het riviertje Soengi Bajor, dat zich, een' dag opvarens, 
met eene andere kleine zijrivier, de Soengi Ajo, vereenigt. — 
fieeds bij Poeloe Betjabang, en verder schier dagelijks, sagen 
wij nu en dan eenen roetbruinen Ibis met witte schoodervederent 
bij de inboorlingen onder den naam van Boerong Karau bekend. 
Gewoonlijk waren er twee, zeldzaam drie of vier dezer vogek 
bij elkander. Hun dikwerf herhaald en vrij krachtig geluid is 
eenigzins klagend; hun aard ongemeen schuw. Eerst na vele 
mislukte pogingen is het mij eindelijk mogen gelukken, nabij 






199 

de overzijde der Kampong Tandjong^-djawa , door het bosch henen 
sluipende, een paar dezer Ibissen , welke aan den oever tusschen 
pekoempai-gras hun voedsel zochten, tot op zekeren afstand te 
naderen en er een^ van te schieten. Dit voorwerp was van het 
mannelijk geslacht, en alhoewel het, evenmin als nog onder*» 
scheidene andere, later door ons verkregene, van beide seksen, 
aan de kale en eenigzins gerimpelde huid van het hoofd en den 
nek kleine tepel vormige uitwassen vertoonde — natuurlijke 
versierselen, weiligt met het tijdperk der voortplanting in ver« 
band staande — meenen wij deze vogelsoort niet als verschil* 
lend te moeten beschouwen van Ibis papillosa, door den Heer 
Temoiinck in de Flanches coloriées beschreven en afgebedd 0^). 
Deze Ibis is intusschen op geen ander eiland van den In-» 
dischen Archipel ooit door ons waargenomen, terwijl hij op 
die hoogte en verder langs de Doeson , tot in de Soengi Tewei 
en zelfs benoorden de evennaehtslijn, geenszins zeldzaam was. 
In zijne maag vonden wij meestal overblijfselen van wormen 
en larven van waterinsekten. — Niet ver boven de Moewara 
Bajor merkten wij, langs de boorden der Doeson, de eerste 
varenkruiden op; en een weinig hooger, digt bij het Dajaksphe 
gehucht Mampon, zagen wij ook de eerste wilde pisangge-^ 
wassen. De zoo evengenoemde Kampong telt slechts vit^r huizen, 
die ter linker zijde der rivier bij elkander* staan, en buiten 
hen nog een zeven- of achttal, hier en daarin ladang's verspreid, 
wordende de geheele bevolking dezer buurt op omtrent 150 
zielen begroot Ook daar verheffen zich vele aangeplante boomen 
in de nabijheid der woonhuizen ; en 4angs de vrij hooge oevers, 
beneden en boven dat gehucht, ziet men, in schier onafge* 
brokene reeksen, jong bosch, nog slechts uit struiken of uit 
reeds laag geboomte bestaande; al naarmate die gronden sinds 
korter of langer tijd niet meer bebouwd, maar aan de vrije 
werkkracht der natuur zijn overgelaten geweest. Op geringen 
afistand, landwaarts ten O. N. O. van het gehucht Mampon, 
ligt een klein, langwerpig rond meirtje, Dano Mampon, dat 
een weinig lager, door eene naauwe oitwatering, onder den 
naam van Soengi Makaten bekend, met de Doeson gemeenschap 
heeft. £eu diergelijk meirtje vindt men ook daar omtrent, aan 



w^ÊÊtmimÊm 



200 

de legter oeverzijde; het draagt den naam van Danu Djoefcoe, 
en vereenigt zijn water insgelijks, langs kanaalachtige gealen, 
met de groote rivier. 

Het gehucht Tandjong-djawa , liggende op den linker oever- 
kant, bevat slechts drie huizen, welke aan onderscheidene 
Dajaksche familiën, ten getale van omtrent veertig zielen, ter 
woning verstrekken. Dit gehucht is van jonge dagteekening en 
ontleent zijnen naam aan de , zich een weinig lager bevindende 
kronkeling der rivier, Tandjong Djawa, d. i. Javaansche hoek, 
volgens de overlevering aldus genaamd ten gevolge eener 
slagting, welke daar voorjaren door de Daj akkers op een vaartuig 
met Javanen zoude zijn aan^eregt. In dezeKampong, evenalsin 
vele der vroeger genoemde gehuchten, zagen wij schier niet 
anders dan jonge kokospalqaen van drie- , vijf- of hoogstens acht- 
jarigen ouderdom. Menigvuldiger echter, zoowel als hooger 
van stam en ouder van jaren, vertoonde zich op vele plaatsen 
de pinangpalm, welks wrang-bittere noot, een der vier hoofd- 
bestanddeelen van den betel ^''), door de inboorlingen met zorg 
wordt ingeoogst. — De Dajakkers van Tandjong-djawa deelden 
on§ mede, dat in de woudstreek, aan de over- of westzijde der 
Doeson, op de hoogte tusschen hun gehucht en de Kampong 
Mampon , somwijlen de Orang-oetan werd aangetroffen. Meestal, 
zeiden zij, in het begin der oost-moeson, d. i. in de maanden 
April en Mei, alswanneer de vruchten rijpen, welke van dit 
dier zeer geliefd zijn. In andere tijden van het jaar merkt men 
het niet op. Het eet vooral gaarne onderscheidene soorten van 
vijgen, welke de bosschen daar in groote menigte opleveren. 
Het jaar te voren hadden de bewoners van Mampon, door 
middel van het blaasroer en vergiftigde pijltjes, een oud voor- 
werp van dezen reusachtigen aap gedood, en uit zijne huid 
onder anderen eene puntige muts vervaardigd, welke ik, bij 
mijn bezoek, van hen ten geschenke ontving, benevens een 
pit hout gesneden wanstaltig menschelijk aangezigt, door die- 
zelfde Dajakkers bij vrolijke feesten tot grijns gebruikt en 
behalve met roode, witte en zwarte kleuren, ook met bosjes 
haren van den Orang-oetan versierd wordende. De gemelde 
Pgjajckers i^oemen dezen zoo grooten als merkwaardigen aap 




. _..-.. ^-.^-, ■ " ■ .«^ .,■■» " ' i^i i > \ n'i i ^ae fifmtemmmm 



201 

Keoey die van den stam der Beadjoe's Kahieo; doch onder- 
scheiden buitendien het geslacht dezer dieren, door aan het 
mannetje den naam Salamping en aan het wijfje dien van 
Boekoe te geven. Alleen bij de Mohammedaansche bevolking 
van Bandjermasin en op andere door vreemdelingen bewoonde 
kustplaatsen, is hij onder de Maleische benaming van Orang- 
oetan ««) bekend. 

Op onzen togt van het gehucht ïandjong djawa naar de 
Kampong Biong , voeren wij langs eenige der vroeger vermelde 
banken of zandige ondiepten, die nu eens tegen den linker, 
dan weder tegen den regter oever aan, bij eené bogt lagen, 
en waar insgelijks gedurende de drooge moeson damar wordt 
ingezameld. Eene dezer banken, de Gosong Madoeït , tegenover 
de uitwatering van het riviertje van dien naam, was gedeeltelijk 
met gras begroeid, tusschen hetwelk onderscheidene zwart- 
bruine Ibissen rondliepen, terwijl op het drooge zand eene 
menigte kleine zeezwaluwen zaten , wier grootte , kleur en stem- 
geluid naauwelijks van onze gewone Sterna minuta schenen te 
verschillen. Op den zuidelijken mondhoek der Soengi Madoeït 
trok eene groóte, kale plek gronds onze aandacht; aldaar st(\nd 
eertijds het gehucht Madoeït, van hetwelk echter geen over- 
blijfsel meer restte. Het werd door zijne bewoners verlaten 
ten gevolge der strooptogten , waarmede benden Dajakkers 
uit de Soengi Kapoeas deze streken herhaaldelijk veront- 
rustten; zij, die tegenstand boden, werden vermoord of als 
slaven weggevoerd, de huizen uitgeplunderd en ten leste door 
de vlammen vernield. Het is aan deze gevaarlijke overrompe- 
lingen toe te schrijven, dat de regter oeverzij de der Doeson 
over het geheel slechts schaars is bewoond, vooral in de 
hoogere streken, waar schier alle gehuchten aan den linker 
oever staan. — Op den afstand van een groot half uur roeijens 
van de Soengi Madoeït, bereikten wij de MoewaraAjo, eene zij- 
rivier van dezelfde grootte als de Soengi Karau, die met kleine 
booten onderscheidene dagen kan worden opgevaren , doch on- 
telbare kronkelingen bezit, en met boomstammen als gevuld is. 
Na twee dagen opvarens komt men, volgens ingewonnen berigten , 
aan een gehucht, Lajong genaamd, dat omtrent 100 zielen telt 9 



■■ u ii j i -i^TgrT' ■ ■ - - Tsr * - »;; .. — • ■ r; i •; - ^ ■i.iigsa-gr» fT'iS i r .^ffJ 



202 

van daar een' dag verder, ontmoet men de KanapongSinggan, 
van 60 zielen, en nog ruim ééiC dag hooger de Ajo op, ligt 
de Kampong Ni elan, met 140 zielen. Van dit laatste gehucht 
eenen dag over land gaande, heeft men den Gtoenong Kariwa, 
een' berg met door «a^ait^ém^;» bewoonde holen, van waar jaarlijks 
eene geringe hoeveelheid vogelnestjes ter markt wordt gebragt. 
Deze berg ligt oostwaarts, tusschen de rivieren Ajo en Karau. 
Eene zij spruit, welke zich in het hoogere gedeelte der Soengi 
Ajo stort, heeft den roem van een' zeer goeden ijzererts op te 
leveren. Langs de Soengi Ajo wordt ook veel rotting afgevoerd 
en hare naaste omstreken leveren telken jare 15 — 20 pikol's 
was en eene onbepaalde hoeveelheid damar. — Niet zeer ver 
benoorden de Moewara Ajo valt, aan dezelfde zijde, de 
Soengi Mambanen in de Doeson, en nog een eind hooger 
ontvangt deze, van den anderen kant, de Soengi Mataran. Die 
beide zijrivieren hebben een' aanmerkelijk korteren loop en zijn 
minder breed, dan de Ajo. De Soengi Mambanen zal met 
bootjes twee dagen kunnen worden opgevaren, en niet ver van 
haren oorsprong delft men ijzererts , die door middel van bouts^ 
kolen, daar ter plaatse, gesmolten wordt. — Yan de Moewara 
Mataran omstreeks drie kwart uurs de Doeson verder op, zagen 
wij, aan den linker oever, de mondopening der Soengi Lelek, 
eene uit de oostelijke boschstreek stroomende zijrivier, ten 
naastebij zoo groot, als de beide voorafgenoemde, en die gezegd 
wordt binnenlands met de Soengi Mambanen te communiceren. 
Eeuige honderden schreden ten noorden van de Moewara Lelek 
ligt, aan dezelfde zijde der Doeson, de ICampong Marawan, 
een Dajaksch gehucht, uit zes huizen bestaande, waarvan elk 
aan onderscheidene familien ter woning verstrekt, die tezamen 
ongeveer 120 hoofden uitmaken. Li de rivier lag buitendien 
een rakit, aan een gezin van Fekoempaijers toebehoorende. De 
huizen langs den oeverkant zijn vrij lang, staan op hooge 
stijlen, hebben beschotten, ten deele van bamboes en ten 
deele van boomschors, terwijl hunne daken met alang-alang 
gedekt zijn. Eenige der bewoners bragten mij de huid van eenen» 
in de Europesche verzamelingen nog vrij zeldzamen panter 
(Felis macrocelis), welk dier door hen met vergiftigde pijltjes 



II I I ■■ -1 ■— ■»— — iwietfgw 



203 

was gedood geworden. Volgens hun zeggen beklimt deze lang* 
gestaarte panter soms lage, kromstammige boomen, en sluipt 
hij des nachts vaak onder de woonhuizen rond, ten einde zich 
van hoenders, honden en andere huisdieren meester te maken. 
De Dajakkers noemen hem Hangkoeli^ de Banjerezen Matjan 
dahan^ onder welken laatsten naam hij, volgens Baffles, ook 
bij de inboorlingen der omstreken van Benkoelen bekend is, 
namelijk JRimau dakan >>). Tot nu toe is deze kleine panter- 
soort nog alleen op Borneo en Sumatra waargenomen. De 
Dajakkers bezigen hare op geelachtig graauwen grond met 
groote zwarte vlekken geteekende huid, tot wambuis (iaroeng^ 
koeng) in den oorlog en bij strooptogten , makende zij te 
midden van het gedroogde, maar onbereide vel eene ronde 
opening, waar zij het hoofd doorsteken, zoodat het, bij wijze 
eener kasuifel, los van voren langs de borst en van achteren 
langs den rug afhangt. — Na een half uur bij de Kampong 
Marawan vertoefd te hebben, vervolgden wij den togt tot aan 
het gehucht Biong, dat wij tegen 4 uren des namiddags be*- 
reikten. Niet ver boven Marawan ligt, nabij den linkeroever 
in de Doeson, een langwerpig, met bosch bedekt eilandje 
Poeloe Soengsang, en weldra wordt de bedding der rivier in 
het oog vallend naauwer, en verheft zich, bij eene bogt, ins^ 
gelijks aan den linker oever, een heuvel van 80 — 100 voeten 
hoogte, Goenong Bantau genaamd 7o). Aan dezen zoogenaamden 
berg hechten zich, noordwaarts langs de Doeson, nog onder- 
scheidene lagere heuveltoppen, op een' van welke, ongeveer 
twintig jaren geleden, een trouweloos en weerspannig dorpshoofd 
uit den omtrek van Bandjermasin eene verschansing had aan- 
gelegd , die echter met weinig . krijgsmiddelen door de onzen 
overmeesterd en vervolgens geslecht werd. 

Bij den Goenong Bantau vindt men het eerste vaste ge- 
steente, tot eene tertiaire formatie van jongeren oorsprong be- 
hoorende. Deze bergformatie laat zich van daar, ongeveer een' 
halven geographisohen graad landwaarts, langs de Doeson, of 
tot in de nabijheid der Kampong Bintang-linggi vervolgen, 
alwaar zij door andere, zeer van haar verschillende steenvor- 
mingen vervangen wordt. De eerstgemelde vertoont onder an- 



.^ 



•204 

deren waterpasse lagen van onderscheidene dikte, uit een min 
of meer vast conglomeraat bestaande, waarin witte kwarts- 
keijen door een, rijk aan ijzeroxyde,en dientengevolge meestal 
sterk rood gekleurd, bindmiddel vereenigd zijn. Dit roodge- 
kleurde deeg komt dikwerf klompsgewijze afgezonderd, als 
bruin Ljzersteen , voor. Zulke knolvormige klompen , welke somtijds 
eene zwaarte hebben van honderd en meer ponden , worden door 
de inboorlingen, ten tijde van het lage water, in de oost- 
moeson, uit de beddingen der Doeson en andere, in haar 
vallende rivieren, opgedoken en in kleine ovens van leem- of 
kleiaarde, omtrent welke in het vervolg nader, met houtskolen 
uitgesmolten. Aan de hellingen van den Goenong Bantaa en 
van den hooger, aan de regter zijde der Doeson liggenden 
voorheuvel, Goenong Bahai, merkt men, tusschen het gemelde 
kwarts-conglomeraat , eene laag van blaauwe klei op, waarin 
strooks- of hoopsgewijze eene soort van bruinkolen voorkomt, 
welke hier somwijlen nog eene volmaakt duidelijke houttextuur 
behouden hebben , doch op andere plaatsen eene meer onbepaalde, 
aardachtige massa vertoonen. In deze bruinkolen neemt men 
eene soort van boomhars waar, met de bruine damar overeen- 
komende, zoo als deze in groote hoeveelheid door onderschei- 
dene Dipterocarpeae in de bosschen dier streken wordt voort- 
gebragt. Daar de westelijke helling , of die naar den rivierkant, 
van den Gt)enong Bantau vrij steil is, en er. hier en daar 
afstortingen hebben plaats gehad, kan men op zulke plekken) 
zonder een veel tijd vereischend onderzoek, de bedolvene en 
in bitumineus hout veranderde boomstammen, of nesten van 
bruinkolen, tot op de hoogte van 50 — 60 voet boven den 
waterspiegel der Doeson waarnemen. Volgens eene aanmerking 
van mijnen ongelukkigen reisgenoot Dr. Horner, zoude de 
kleiaarde van genoemden berg, wegens hare bijzondere fijnheid 
en fraaije lilakleur, uitmuntend geschikt zijn tot het bakken 
van fijn aardewerk. Onder het kwarts-conglomeraat — toekent 
Dr. Horner in zijn openbaar gemaakt verslag verder aan — 
ligt meestal een geelachtig, fijn en week, zandachtig mergel, 
waarin door hem, nabij de Kampong Batoe-nantei , onder 
anderen een groot stuk kiezelachtig versteenden boomstam is 



205 

gevonden. De Goenong Rantau is voor het overige, even als 
al de hooger langs de boorden der rivier zich verheffende 
heuvelen en kleine bergen , geheel met groote bosschen bedekt, 
in welke het zoogenaamde ijzerhoat [kajoe-hesi) en vele andere 
hoogstammige en goede houtsoorten meer of minder menig- 
vuldig zijn. 

Bij den Goenong Bantau wordt de Doeson aanmerkelijk 
smaller en haar stroom sneller, waardoor de vaart opwaarts veel 
krachtsinspanning van de zijde der roeijers vordert, vooral met 
eenigzins groote praauwen. Aan den voet van dien berg steekt 
daarenboven eene platte, bij laag water droog vallende, rots 
tot bijkans in het midden der rivier uit, ter vermijding van 
welk gevaarlijk punt plaatselijke kennis en eene zekere ge- 
oefendheid in het besturen van het vaartuig vereischt worden. 
Een weinig boven dezen vernaauwden doortogt ligt, aan den 
linker oever, de Kampong Biong, zijnde het eerste met 
zekere regelmatigheid en op eene eigenaardige wijze gebouwde 
Dajaksche dorp, door ons tot nog toe langs de Doeson gezien. 
Het bestaat uit acht huizen, waarvan vier eene lengte van 
100 — 140 voet hebben, en welke ieder door vijf of tien, meestal 
aan elkander verraaagschapte, gezinnen bewoond worden. De 
huizen staan hoog boven den grond op stevige stijlen; de met 
boomschors bekleede wanden van de lange voor- en achterzijde 
hellen vrij sterk naar buiten over, en zijn daar het breedst, 
waar zij het, insgelijks uit boomschors bestaande dak stutten. 
Vier dezer huizen, met het front naar de rivier gerigt, vormden 
eene rij langs den oever, en tien schreden achter hen verhief 
zich reeds het groote en digte bosch. Behalve ongeveer anderhalf 
honderd Dajaksche bewoners, hebben zich daar ook twee Mo- 
hammedaansche huisgezinnen van Bandjermasin gevestigd. 
Hoenders en kleine zwarte varkens, van het zoogenaamde 
Siamsche ras, liepen in menigte onder de woningen rond, en 
voedden zich met hetgeen door de vloerreten naar beneden werd 
geworpen. Wij zagen daar vele suikerbroodvormig opeengesta- 
pelde hoopen bruinijzersteen , grootendeels uit de hooger in de 
Doeson vallende zijrivier Patakei afkomstig, in de nabijheid 
van welker mond deze ertsrijke steenklompen door duikers 



206 

opgehaald «n vervolgens bij den Gk)enong Bantaa uitgesmolten 
worden. Dit ijsser wordt ondertnaschen voor minder deugdzaam 
gehouden , dan dat nit de Soengi Mambanen. Tegen den avond 
kwamen vele kano^s met mannen en vrouwen te Biong aan, 
welke menschen gedurende den dag in hunne, min of meer 
verwijderd liggende ladang^s gewerkt, of wel zich in de bos* 
sohea met het snijden van bindrotting en het verzamelen van 
damar bezig hadden gehouden. Den volgenden ochtend werden 
wij vroegtijdig door een^ zwerm nieuwsgierigen van beide 
geslachten en allen ouderdom bezocht. Het dorpshoofd 
kwam ons een korQe vol on tbolsterde. rijst, benevens een paar 
kippen ten geschenke aanbieden, en ontving daarvoor zout en 
tabak. Ook bragten ons eenige oude vrouwen eene geringe 
hoeveelheid mais en bataten, waarvoor zij insgelijks zout 
wenschten te ontvangen en ook verkregen. Een jong man liet 
mij voorts een^ levenden Euplocomus ignitus zien , welke fraaije 
vogel in het vlakke woud niet zeldzaam moet zijn , en door de 
Dajakkers Sahkar^ doch door de Banjerezen Ajam^alaa {bo8ch-kip) 
wordt genoemd. Deze wilde soort van hoen wordt gemakkelijk 
tam en is aldan een sieraad onder het pluimgedierte der binnen- 
plaatsen. Zij schijnt zich echter in gevangenschap niet te willen 
voortplanten. 

Den 6**** September aanvaardden wij onzen verderen togt 
langs de groote rivier, en vervolgden dien onafgebroken tot 
aan het volkrijke dorp Lontontoer, dat wij den 10^** dier 
maand bereikten. De landstreek, door ons in die vijf dagen 
doorreisd, behoort tot het meest bevolkte gedeelte langs den 
geheelen, nil^estrekten loop der Doeson; esr heerscht daar veel 
bedrijvigheid, zoo in handel en landbouw, als in verschillende 
takken van nijverheid, voornamelijk in de ijzersmelterijen en 
smederijen, in het weven en werven van grove kleedingstoffen, 
enzv. — De gesteldheid van den grond in dat gedeelte van 
het binnenland is bij afwisseling heuvel* en bergachtig, en dan 
weder geheel effen en laag; doch schier overal langs den 
rivierkant nog hoog genoeg om in den regentijd van over- 
strooming bevrijd te blijven. Tot de aanzienlijkste bergtoppen 
langs de rivier behooren, boven den Goenong Rantau, in 



y 



I»^MIW ■ —»» WW^PWÜWf— WN 



207 

toenemende hoogte, de Goenong Bahai, de eenigzins meer land- 
waarts in liggende Ooenong Selingsang, en de noord-oostelijk 
van laatstgemelden en niet ver beneden Lontontoer gelegen 
Qoenong Fararawin, van welken wij, op onze algemeene kaart, 
eene schets hebben medegedeeld. Deze drie bergen liggen aan 
de regter oeverzijde; terwijl het tiental dorpen en gehuchten 
tnsschen Biong en Lontontoer — een' regtlijnigen afstand van 
ongeveer negen geographische mijlen , tusschen 1^ Zuiderbreedte 
en den aequator — zich gezamentlijk op den linker oever be- 
vinden. Ons dagboek bevat over die Kampong's en rivierstreek , 
onder anderen ook nog de bijzonderheden , welke wij hier aan- 
teekenen. 

Niet geheel ter halver weg van Riong naar Mantalat, tot 
aan welk gehucht wij den 6^®° September opvoeren, ligt de 
Kampong Troesan , een volkrijk dorp van een twaalftal huizen , 
waarvan slechts vier door Dajakkers en de overigen door Pe- 
koempaijers zijn bewoond, en welks geheele bevolking op on- 
geveer 260 zielen geschat wordt. Het opperhoofd, een zooge- 
naamd tot den Islam bekeerde Dajakker, gelijk men er vele in 
deze streken vindt, bragt ons, kort na onze aankomst, als 
bewijs zijner vriendschappelijke gezindheid, eenige mandjes vol 
rijst en een paar pakjes betelbladen, voor welk een en ander 
hij, als tegengeschenk , eene kleine hoeveelheid zout en tabak 
ontving. De woningen der Pekoempaijers hebben daar doorgaans 
wanden van gespleten bamboesriet, en zijn met alang-alang 
gedekt, vermits de, in het deltaland tot genoemde doeleinden 
zoo veel en zoo algemeen in gebruik zijnde nipabladen , op die 
hoogte der rivier ten eenemale ontbreken* Men wees ons de 
overblijfselen aan van eene benting (versterking) , voorheen door 
de bewoners van Troesan aangelegd , ter verdediging tegen alle 
onverhoedsche aanrandingen, bijzonder van de zwervende en 
roofzuchtige Dajak Pari, van welke wij reeds vroeger met een 
enkel woord hebben gewag gemaakt; deze voeren vaak uit de 
westelijk stroomende Kapoeas de in haar vallende kleinere rivier 
Kawatan op, liepen een kort eind weegs door het bosch, en 
zakten vervolgens, langs de zijrivier Hiang of Hiong, die 
niet ver boven de Kampong Troesan, aan den overkant, hare 



208 

uitwatering heeft» in de Doeson af. Sedert echter deze land- 
streek door het Nederlandsche bestaar is in bezit genomen, 
zijn die vijandelijke overvallen allengs verminderd en door orde 
en veiligheid vervangen. Thans was van die oade versterking 
nog slechts een gering getal overeindstaande hooge en zware 
palen aanwezig. Wij zagen ook daar weder vele hoopen ijzererts 
opeengestapeld, en in eene smidse hielden zich een paar in- 
landers onledig met het vervaardigen van kleine bijlen en kap- 
messen. In de nabijheid der woningen stonden eenige kokos- 
en pinangpalmea, en zeer vele pisanggewassen. Voor sommige 
huizen zaten levende papegaaijen (Psittacus barbatulatus, Bechst. -^ 
en Ps. malaccensis, Lath.) op stokjes, alleen door middel van 
een^ dubbelen ring of eene kleine keten, gewoonlijk uit den 
dop der kokosnoot gesneden , aan een' der pooten vastgehecht 
Niet ver beneden de Kampong Troesan ligt, nabij den oever 
in de Doeson, een klein eilandje, Poeloe Satoe; en beneden dit 
eilandje is de regter oever der rivier een eind ver steil afge- 
brokkeld, langs welken wand beddingen van fijne zandige klei 
met roode, ijzerhoudende en vele korrels en kleine steenen van 
kwarts bevattende aardlagen afwisselen. 

De Kampong Mantalat, omtrent 300 zielen sterk , bestaat 
uit 17 huizen, die langs den oever der Doeson en niet ver 
binnen den mond der Soengi Mantalat verspreid liggen. De 
geheele bevolking, een enkel Dajaksch gezin uitgezonderd , is 
zamengesteld uit Pekoempaijers. Het opperhoofd van het distrikt, 
wiens gezag zich uitstrekt van de Moewara Maliau tot aan de 
Soengi Mantalat en landwaarts in, houdt daar zijn verblijf. 
Zijne ambtsbezigheden bepalen zich voornamelijk tot het hand- 
haven van rust en orde binnen den kreits van zijn gebied en 
tot het jaarlijks inzamelen der hoofdgelden van alle huwbare / 
mannen , tot een bedrag van / % zilver of 240 centen per hoofd, 
waarvan hij telkens 40 centen voor zich mag behouden, ter 
belooning zijner moeite. Behalve dit emolument geniet noch hij, 
noch de overige distrikts-hoofden der binnenlanden, vanwege 
het Nederlandsche Gouvernement eenige de minste geldelijke 
toelage. De omstreken van Mantalat zijn vrij laag, en grooten- 
deels met wild struikgewas en bosschen bedekt. In de nagelatene 






209 

papieren van den Overste von Henrici vindt men aangeteekend, 
dat tijdens zijn bezoek, in het laatst der maand Januarij 1835, 
dus in het tijdperk der sterke regens, al het land, nabij dit 
dorp, onder water stond. Laag ook zijn de boorden van den 
benedenloop der Soengi Mantalat; doch op den afstand van 
omtrent eene halve dagreis naar binnen, schijnt het land ter 
weerszijden van die rivier allengskens hooger en drooger te 
worden, weshalve aldaar ook eenige honderden Dajakkers in 
een twaalftal, ginds en her verspreide, kleine gehuchten, zich 
met ter woon gevestigd hebben. Onderscheidene, Fekoempaijers y 
van Mantalat spraken ons vaneenen, almede in oostelijke rigting 
gelegen, Goenong Djoekan, in welks holen telken jare 10 & 12 
pikoFs vogelnestjes werden ingezameld, waaronder echter niet 
meer dan 2 — 3 katjes van de witte of beste soort. De bosschen 
der omstreken van Mantalat zijn rijk aan bindrotting, damar 
en bijenboomen, en leveren, onder andere reukwerken, vooral 
ook het, tot godsdienstig gebruik, door Boeddhisten en Mo- 
hammedanen zoozeer gezochte kajoe garoe of gharoe ^i) op. ^ 
Gedurende de vaart van genoemd dorp naar de Kampong La- 
loenieau, namen wij in het begin der reis verscheidene groote 
ladang's waar, die omtrent een uur roeijens boven Mantalat, 
aan de regter zijde der Doeson lagen , en met acht of tien 
ellendige huisjes of hutten met beschotten van bamboesriet en 
ook gedeeltelijk van boomschors , betimmerd waren. Deze bosch- 
velden behoorden aan bewoners van Mantalat. Buiten de be- 
bouwde plekken gronds bevattede het bosch zee^ veel bamboes 
van eene niet zeer geachte soort, omdat het riet, bij huishoudelijk 
gebruik, spoedig in bederf overgaat; de jonge spruiteif echter, 
alleen of met andere zelfstandigheden uit het planten- of dierenrijk 
vermengd, verstrekken den inlander vaak ter spijze, tot welk 
einde zij voor of na het koken, gedurende eenige dagen in 
water worden geweekt, om ze van den haar eigen wrangen 
smaak te ontdoen. Naarmate wij de mondopening van de kleine 
Soengi Patakei naderden, trokken steil afgebrokkelde oever- 
wanden van onderscheidene voeten hoogte, door hunne afwis- 
selend roode en witte kleuren., weder reeds van verre onze 
aandacht. Het is voornamelijk in die streek, dat de inlanders, ^^ 

14 



210 

bij lagen waterstand , nit de bedding der groote rivier het klei- 
achtige spbaeroaideriet en brninijzersteen al duikende ophalen, 
zich daarbij van eene soort van polsstok bedienende, langs 
welken zi) tot op den bodem nederdalen en de ertsklompen van 
den slijkigen grond opzoeken. — Na den uitloop der Soengi 
Fatakei te zijn voorbij geroeid, bereikten wij een klein nar 
later de Kampong Sikan, welk gehucht uitsluitend door Pe- 
koempai jers , ten getale van ruim 100 zielen, wordt bewoond, 
en uit zeven huizen bestaat, in grootte en bouwtrant met die 
te Mantalat, Troesan en^v. overeenkomende. Oelijk door ons 
op alle bewoonde plaatsen, en niet zelden zelfs op afgezonderd 
liggende ladang's, waar slechts een enkel of hoogstens eenige 
weinige huizen stonden, Chinesche, Banjeresche of andere 
inlandsche handelaren zijn ontmoet, zoo ook bij 8ikan« Daar 
vonden wij een zestal vreemde praauwen, van verschillende 
grootte en aan handelaren van Fekoempai of Marabahan en 
Bandjermasin toebehoorende, alsmede een rottingvlot, van ten 
minste 250 voet lengte. Boven Sikan waren de oevers der 
Doeson, over het algemeen, wel laag, doch, blijkens vele oude 
en nieuwe ladang's, ten nutte van den landbouw aangewend. Zelden 
zouden daar de boschvelden langer dan drie achtereenvolgende 
jaren bewerkt, doch gewoonlijk daarna weder verlaten worden. — 
Op een^ kleinen afstand boven Sikan werden wij, aan den 
linker en regter oever der Doeson, drie bijenboomen gewaar, en 
aan de takken van eiken boom, volgens schatting, honderd of 
meer honigrat^, die afgezonderd of in reeksen naast elkander 
hingen. Nog eenigzins verder maakt de rivier eene aanroer^ 
kelijke kronkeling, binnen welke zich eene groote zandbank 
gevormd heeft, die genoegzaam de halve breedte der rivier 
beslaat, en waar gedurende de oost-moeson ongeveer 25 pikoFs 
damar worden ingezameld. 

De Kampong Laloenieau ligt bij een riviertje van den- 
zelfden naam, telt zeven huizen op den oever en eenige rakit's 
in de rivier, en wordt, met inbegrip der daartoe behoorende 
ladang's, door omtrent «iOO zielen, meest Daj akkers, bewoond. 
De hnizen dezer laatsten staan ook hier 20 — 25 voet boven 
den grond op palen , hebben wanden en daken van boomschors 



211 

en, in den regel, een v^vallen en morsig aanzien. Kippen en 
een klein leelijk ras van honden, gewoonlijk geelachtig rood 
van kleur, maken met de menschelijke bewoners het gezin nit, 
terwijl een morsige hoop zwijnen steeds onder de woningen 
rondwroet. Kieskeurigheid van spijzen en reinheid des ligchaams 
behooren zoo min tot de huiselijke deugden der Dajakkers, 
ais tot die der meeste half wilde volken, en het zal voorna- 
melijk daaraan toe te schrijven zijn, dat vele aan walgelijke 
huidziekten lijden en inzonderheid aan eene soort van drooge 
en sehubachtige lepra. Er lagen ook in dit dorp weder velo 
hoopen ijzersteen, in welks bewerking voor den handel een 
aanzienlijk gedeelte der bevolking, even als die van schier alle 
gehuchten tusschen Riong en Lontontoer langs de Doeson, 
een bestaan vindt. De smeltoven, van leem of kleiaarde ver- 
vaardigd, zoo als laatstgemelde aan den oever der rivier voor- 
komt, is van twee st^ke hoepels eener dikke rottingsoort 
omgeven om het bersten der wanden te beletten. Deze ronde 
oven heeft tusschen 3 en 4 voet (Rijnl.) hoogte, en ongeveer 
10 voet omvang, behoudt, gevuld zijnde, van boven een 9 
duim wijd togtgat, en staat aan zijnen voet, door middel van 
twee of drie blaaspijpen van dun bamboesriet, met eene soort 
van cilinder-blaasbalg, uit een stuk boomstam vervaardigd, in 
gemeenschap. Het uitsmdten van den erts geschiedt op de 
volgende wijze. De stukken ijzersteen (meestal kleiachtige 
sphaerosideriet) welke van de grootte eener vuist tot die van 
tweemaal den omvang van een menschenhoofd en meer , afwisselen, 
worden gewoonlijk in de nabijheid der werkplaats op een 
houtvttur geworpen en wanneer zij 4 ten gevolge der gloeijing, 
eenigzins broos ujn geworden, tot de kleinte eener noot of 
hazelnoot verbrijzeld, en daarna tusschen dubbele lagen houtskool 
in den smeltoven gedaan. De kolen, daartoe vereischt, worden 
bij voorkeur uit het hout eener soort van Dipterocarpus gebrand, 
door den Heer Korthals onder den naam van Dipterocarpus 
marginatus in de Verhandelingen beschreven. Bijzondere smelt • 
middelen worden den erts niet toegevoegd en zijn ook ni^t 
noodzakelijk, daar de ijzersteenklompen meestal van nature 
reeds eene hoeveelheid kwartskorrels , somtijds ook stukjes kalk- 



212 

steen en andere, der smelting bevorderlijke mineralen, bevatten. 
De wijze van zaivering is zoo eenvoudig als onvolkomen: zij 
bepaalt zich alleen tot een gcted omroeren van de deegachtig 
vloeibare massa en het afscheppen , van tijd tot tijd , der specifiek 
ligtere onreinheden (het ijzerschnim) van hare oppervlakte. Yoor 
het overige wordt het gebruik van den blaasbalg, even als in 
onze ijz^smederijen , naar den gewenschten graad van hitte 
geregeld: men begint zacht, en zet met allengs toenemende 
sterkte en inspanning voort. Het gewonnen metaal blijft zoo y 
lang in den vergaderbak van den oven , tot het langzamerhand 
in die mate is afgekoeld , dat het smeedbaar is. Yoor den handel 
wordt het alsdan in platte en, naar beide uiteinden, dunner, 
wigvormig toeloopende staaQes uitgeslagen, gelijk gezegd wordt, 
ter zwaarte van éën katje, doch juister van ongeveer 7 J-once'^), 
en ter lengte van 2|^ palm. Deze ijzerstaafjes, dt^ genaamd, zgn 
daar eene gangbare munt, die in ^s Lands kas teBandjermasin, 
tot kwijting van het verschuldigde hoofdgeld, wordt aange- 
nomen , en wel tegen de waarde van f 2 zilver of 240 koperen 
centen de tien stuks. Naar dezen maatstaf worden zij ook door 
de Chinesche en andere inlandsche handelaren vrij algemeen 
met 24 & 25 centen het staa^e betaald, of tegen dien prijs 
in betaling ontvangen. Volgens eene ruwe schatting zouden er 
jaarlijks in het geheel , in dat gedeelte der Doeson , (het distrikt 
Doeson-Oeloe) van 6000 tot 7000 zulke ijzerstaaQes vervaardigd 
worden , en naar het beweren der inlanders zoude een pikol erts 
tien staafjes uitleveren. Elk staa^e moet driemaal gegloeid en 
gehamerd worden, alvorens het den verlangden vorm en de 
vereischte hoedanigheid verkregen heeft. Toen wij Laloenieau 
bereikten, vonden wij een zestal mannen onder eene loods met 
het smidswerk onledig. Twee hunner stonden aan de beide 
hooge cilinder-blaasbalgen ter weérzijden van het groote kolen- 
vuur, en hielden die onafgebroken in beweging; drie anderen 
gaven met hunne zware hamers, in berekende maatslagen, op 
het aanbeeld den behoorlijken vorm aan het gloeijende staai^e, 
dat door den zesden tusschen de tang werd vastgehouden. Deze 
werklieden verklaarden, dat zij, met goede houtskolen, bij de 
dertig ijzerstaafjes daags in gereedheid konden brengen, doch 



'^m 



213 

met slechte kolen niet meer dan twintig. Hunne hamers bestaan in 
een langwerpig vierkant, aan het achtereinde eenigzins dunner » 
blok ijzer, dat eenvoudig door middel van bindrotting aan een^ 
houten steel bevestigd is. — Voor eene der Dajaksche woningen 
te Laloeuieaa viel ons een klein, bamboezen stellaadje in 
het oog, waar onderscheidene offeranden op waren uitgestald, 
als kleine hoopjes gekookte rijst 73^, tusschen welke eenige 
halve, met een weinig kalk bestreken betelbladen lagen , voorts 
ettelijke stukjes betelnoot, stukjes gambir, fijn gesneden tabak , 
en eindelijk ook onderscheidene koppen, pooten en levers van 
kippen. Al deze voorwerpen waren door de bewoners van 'dat 
huis, uit een gevoel van dankbaarheid, den vogel Antang 
aangeboden, nadat diens beilspellende vlugt, ten opzigte der 
genezing van een geliefd lid des gezins geraadpleegd , niet was 
beschaamd, maar verwezentlijkt geworden. Ofschoon die vogel 
zulke offeranden steeds onaangeroerd laat, gelooft het volk 
toch, dat hij ze op verren afstand met welgevallen gadeslaat 
en zich over zoodanig blijk van erkentelijkheid innig verheugt. 
Deze vogel, wegens de onfeilbaarheid der goede of slechte voor- 
teekens , welke door de wijze en rigting zijner vlugt worden 
aangeduid, bij de Dajakkers hoog vereerd, is dezelfde kleine 
arend (Palco pondicerianus) , welke, om gelijke redenen, van 
oudsher bij de Hindoes in eenen reuk van heiligheid gehouden 
werd 74). — Wij zagen bij de bewoners van Laloenieau weder 
vele levende parkieten , en wel , behalve de twee reeds genoemde 
soorten: Psittacus barbatulatus en Fs. malaccensis, ook den 
kleinen Psittacus galgulus, bij de Doesonezen onder den naam 
Sarendei '5)^ doch bij de Beadjoe's onder dien van l^aliêok 
bekend. Gewoonlijk zaten er een of meer paartjes in een klein, 
rolrond, van bamboesriet vervaardigd kooitje, dat om eene 
door het midden gaande as draaide en, bij het onophoudelijk 
op- en neérklauteren dier aardige vogeltjes, in eene gedurig 
wentelende beweging was. Even als de meeste vledermuizen 
gedurende den dag, hangen deze parkietjes des nachts loodregt 
met het kopje naar beneden gekeerd, tegen het bovengedeelte 
van het kooitje of langs de as, aan hunne pootjes, en steeds 
zoo digt mogelijk in eene rij naast elkander , waarschijnlijk om 



214 

zich te v^warmen, daar z^ voor eene koele temperatuur zeer 
gevoelig zijn en er alligt onder bezwijken. In gevangenschap 
Voedt men hen met gekookte rijat en raauwe bananen; in het 
wild eten zij gaarne de jonge knoppen en bloesems van som- 
mige boomen, voornamelijk van de Erythrinae,tasschen welker 
roode bloem en groen blad zij dikwerf moeijelijk te onder- 
kennen zijn, doch waar zij niet altijd de vogellijm kunnen 
ontgaan, noch de strikjes, die hun gespannen worden. Kort voor 
ons vertrek van Laloenieau, bragt mij nog een jongeling een' 
levenden Tarsins spectrum, een diertje, dat door zijne wijze 
van zitten en springen onwillekeurig aan eenen boomkikvorsch 
doet denken. Het is daarbij zoo weinig sohuw of bevreesd, dat 
het somwijlen, van een* lagen boom of struik, den voorbij- 
ganger eensklaps op het lijf springt, en zich met de hand iaat 
grijpen. Zijne onevenredig groote en bol uitpuilende oogen, 
welker appels zich vaak en plotseling vergrooten of verkleinen, 
naar gelang der scherpte van de invallende lichtstralen, ver- 
wekken in den, zoo zeer tot bijgeloof geneigden geest der 
Indische eilanders, den argwaan van geheimzinnigheid, van 
betoovering eens afgestorvenen, of, naar de leer der zielsver- 
huizing, van den overgang eener misdadige ziel in het ligchaam 
van dit vreemdsoortige nachtdier. Men mag het daarom ge- 
mstelijk met den zinnebeeldigen naam van spookdier bestempelen. 
De Dajakkers aldaar heeten het Inggir. Naar het schijnt, is 
het in de hooge, sombere en vochtige bosschen dier streken van 
Bomeo vrij zeldzaam, en voedt het zich , behalve met insekten 
en hunne larven, ook met verschillende vruchten , voornamelijk 
wilde vijgen , bananen enzv. — 

Een groot uur varens van het dorp Laloenieau, de Doeson 
op, verheffen zich, aan hare regter zijde, eene reeks heuvelen, 
ter hoogte van tusschen de 50 en 100 voet boven de ririer. 
Deze oeverhoogten zijn bekend onder den naam van Goenong 
Bahai. Men ontwaart ook daar, aan de steilere af hellingen, dat 
er min of meer groote neérstortingen hebben plaats gehad, 
welker kale plekken nu eens het reeds vermelde zandachtige 
en vele kwartskeijen bevattende conglomeraat, dan weder de 
graauwe klei, met enkele nesten vaii bruinkolen of met stukken 



215 

bitamineoa hout , zigibaar maken. Roeit men ongeveer een hatf 
aar deze heuvelrij langs , dan vertoonen zich de regter- zoowel 
als de linkerzijde der rivier weder laag en vlak. — Kort daarna 
kwamen wij aan de Dajaksche Kampong Bakoean of Boekoean^ 
waar het zijriviertje Koedjei in de Doeson uitstroomt^ om welke 
reden dit gehucht somtijds ook wel met denzelfden naam wordt 
bestempeld. Boekoean telt vijf huizen en, naar gissing, HO — 100 
inwoners. De huizen hebben ten deele wanden van boomschors 
en zijn met kleine vierkanten plankjes (sirappen) van hard hout 
gedekt. Toen wij daar aankwamen werd er juist een feest ge^ 
vierdf dat reeds zes dagen had geduurd , en eerst den volgenden, 
den zevenden, dag zoude eindigen. Dit feest werd door het 
dorpshoofd gegeven bij gelegenheid van drie heugelijke ge^ 
beortenissen , namelijk de echtverbindtenis zijner dochter , de 
genezing eener zware ziekte van zijnen oudsten zoon, en de 
vervulling eener gelofte, van zoodanig feest te zullen gev^n, 
indien een zijner kleinzonen, die aan koortsen leed, daarvan 
mogt herstellen; zoo als geschiedde. Ten einde voor dit drie- 
voudige gunstbewijs den Goden opentlijk zijne dankerkentenis 
en blijdschap te betoonen, bad hij zijne magen, vrienden en 
bekenden van Boekoean en andere omliggende plaatsen bij zich 
genoodigd en hen , naar ^s lands zeden , deftig onthaald. Wij 
vonden meer dan vijftig mannen, benevens eenige vrouwen en 
kinderen^ in zijne woning vereenigd. Het iiyirendige van dit huis 
bestond uit één ruim vertrek, welks beschotten en zoldering 
met bossen rood en geel geverfd, lang gras versierd waren. 
Sommige der gasten hadden sitsen baadjes en sarong's aan, 
en fraai gekleurde zakdoeken ,om het hoofd gewonden ; andere 
daarentegen, waarvan sommige op groote trommen en koperen 
bekkens sloegen, zouden, zonder de strook zachte boombast om 
het midden en den bonten doek om het hoofd, geheel naakt 
zijn geweest In eenen hoek van het vertrek zaten onderscheidene 
mannen , op rood en zwart geruite rottingmatten , rondom een' 
grooten aarden pot, met een witachtig, troebel vocht gevuld, 
van hetwelk zij beurtelings eene hoeveelheid inslnrpten, door 
middel van een' houten lepel {gajong)^ die vertrouwelijk onder 
lien rondging. Deze drank had een' zoet-zuurachtigen smaak. 



216 

en was bereid, zooals men ons zeide, uit de pitten van eene 
vracht, die zij poeak noemden. Andere, geheel of ten deele 
naakte mannen, in hoopen gegroepeerd, waren rustig met 
elkander in gesprek en kaauwden hun" betel, terwijl een 
paar bont uitgedoste strijders, onder driftige gebaren en wilde 
sprongen, zich zelven en hunne toeschouwers poogden te ver- 
lustigen door eene soort van spiegelgevecht, waarbij hunne 
linkerhand een lang en smal houten schild (ffantar)^ en de 
regter een^ langen, dunnen stok van bamboesriet {gangereng) 
voerden, beide voorwerpen met bundels roodachtig geverfd gras 
versierd, en met woeste krijgsmansdrift door hen heen en weer 
gezwaaid. Hunne gillende uitdagingen, het hevig gestamp 
hunner voeten , vereenigd met het rammelend geluid der vrucht- 
pitten, aan een der uiteinden van de strijdlans in een dikker 
stuk bamboes besloten, veroorzaakten niet weinig gedruisch. 
Het vreugdegetier werd intusschen sterker en algemeener , toen 
met eene soort van onttoovering een aanvang werd gemaakt. Deze ^ 
onttoovering bestond daarin , dat vijf of zes mannen , in nieawe 
katoenen kabajen 7®) gekleed, rondom de twee genezenen, de 
jong gehuwden en het dorpshoofd eenen kring vormden, en 
aan deze midden in den kring neergehurkte personen, onder 
afgemetene ligchaamsbewegingen , bij afwisseling nu eens bosjes 
droog gras, dan weder snoeren glaskralen of andere kleinig- 
heden op de kruin Jegden, na eene korte poos weder wegnamen 
en in de hoogte zwaaiden, als wilden zij dus een kwaad ver- 
drijven en misschien tevens hunne dankbaarheid op eene zigtbare 
wijze aan den dag leggen. Deze geheimzinnige plegtigheden 
bielden omtrent een half uur a^n, wanneer een levend varken 
werd binnen gebragt en, door de borst heen, met eene lans 
geveld. Dit was reeds het zesde zwijn, dat gedurende deze 
feestviering werd gedood, met en benevens een twaalftal kippen: 
derhalve een ofler van dagelijks één varken en twee kippen* 
Nadat het varken met heet water begoten en van haren en 
borstels ontdaan was, daalden al de aanwezige feestgenooten 
langs den ruwen trap van het huis af, schaarden zich eerst 
gedeeltelijk rondom een klein, met bundels dorre grashalmen 
en katoenen lappen omhangen huisje, hoema sial 77)^ en 



217 

begonnen vervolgens te dansen en op kluchtige wijze te springen ; 
daarna stapten zij, van gong^a of koperen bekkens en velerlei, 
inmiddels door de vrouwen toebereide spijzen voorzien , in drie 
aan elkander vastgehechte bootjes, roeiden, onder het slaan der 
gong^s, het lossen van eenige geweerschoten en een schrik- 
baarlijk gejuich of liever geschreeuw, tot in het midden^ der 
Doeson, voeren zevenmaal 78j in eenen wijden kring rond, 
besproeiden de hoofdpersonen van het feest met water, en 
keerden daarna weder naar den wal terug. Daar echter, onder 
al die bedrijven, velen door het ruime gebruik van geestrijke 
dranken allengs tot eenen buitengewonen staat van opgewon- 
denheid waren geraakt, en ons door hunne levendigheid en 
overgroote spraakzaamheid lastig begonnen te worden, vonden 
wij het geraden ons aan dit feestvierend gezelschap te ont- 
trekken, en even na het middaguur onze reis tot.Boedjei voort 
te zetten. 

De Kampong Boedjei bevat vijf door Dajakkers bewoonde 
huizen. Het opperhoofd, dat zich welligt bij wijze van zin- 
speling op de aanwezige ijzersmelterijen , Toemanggong Goeling 
Besi noemde, was een grijsaard, die, even als al de overige man- 
nelijke dorpelingen, naauwelijks een kleedingstuk aan het lijf 
had. Het getal zielen dezer buurt wordt op ongeveer 130 begroot. 
Niet ver boven dit gehucht stroomt een riviertje in de Doeson 
uit, terwijl van de zijspruiten, welke tusschen die plaats en 
Boekoean hare uitwatering in de groote rivier hebben, alleen 
de Soengi Dakanen, uithoofde der groote menigte stukken 
bruinkool, die in hare bedding gevonden wordt, vermelding 
verdient. Tegenover de Kampong Boedjei is het boschland zeer 
laag en moerassig; roeit men echter omtrent anderhalf uur op, 
dan wordt de regter oever heuvelachtig en blijft hij die ge- 
steldheid tot voorbij de hoogte van de Kampong Panoeatawan 
behouden. Een viertal, min of meer afgeronde, naar gis van 
60 tot 80 voet boven het watervlak zich verheffende toppen, 
onder verschillende namen, doch inzonderheid onder dien van 
Goenong Poenggang meer algemeen bekend, trekken vooral de 
aandacht. Een eind weegs achter deze heuvelen, bijzonder 
achter den top, die meer bepaaldelijk Poenggang heet, zal de 



meeste ijzererU voor de smederijen van Roedjei gedoWen worden. 
Aan de rivierzijde hebben de heuvelen veelal zacht g^looijende 
af hellingen , waar hier en daar bebonwde plekken gronds tus- 
schen de hooge en donkere bosschen heenschemeren. In deze 
streek vernamen wij voor het eerst het zonderlinge en op venen 
afstand hoorbare geschreeuw van H jlobates concolor , een^ lang- 
armigen aap, welks stemgeluid, niet minder dan zijne gedaante 
en levenswijze, eene treffende overeenkomst met den Javaanschen 
Hylobates leuciscus aanbiedt. De naam Oeworoewa^ hem door 
de Banjerezen gegeven, is eene klanknabootsing van zijn 
geschreeuw; de Daj akkers heeten hem Kalawet. — De linker 
oever der Doeson behoudt, van Boedjei tot Panoeatawan, zijo 
laag en vlak aanzien. 

Het gehucht Fanoeatawan, welks bevolking, met de daartoe 
behoorende ladang^s, op ruim 100 zielen wordt geschat, heeft, 
behalve twee rakifs, slechts drie haizen aan den oever, van 
een ruw en ellendig zamenstel. De bewoners leven voornamelijk 
van den landbouw en het ijzersmeden; op het inzamelen van 
damar en bindrotting, voortbrengselen, welke daar trouwens 
schaarscher aangetroffen worden, schijnen zij zich minder toe 
te leggen. — Ongeveer een half uur roeijens boven deze 
Kampong wisselt het tooneel in dier vo^e, dat nudeUnkoTf 
in plaats van den regter oever heuvelachtig, en de laatste vlak 
en hier en daar moerassig wordt. Langs deze nieuwe heuvel- 
reeks, waarvan sommige koepelvormige toppen eene absolute 
hoogte van 100 — 150 voet schenen te bereiken, waren de 
hellingen dikwerf steil en ontwaarde men niet zelden afstor- 
tingen, uit welke dezelfde tertiaire formatie te voorschijn trad, 
als door ons bij den Goenong Bahai en Goenong Bantau was 
waargenomen. Op de zachtere glooijingen daarentegen wisselden 
digte bosschen met ladang's af. — Het gehucht Batoe-nantei, 
bij de uitwatering van een klein riviertje van denzelfden naam 
gelegen, bevat slechts twee of diie huizen en omtrent vijftig 
inwoners, meest Daj akkers. Van daar tot Bintang^linggi was 
het land, ter linker zijde der rivier, weder geheel effen en laag; 
doch aan den regter kant verhief zich, halver weg, een on> 
geveer 50 of 60 voet hooge heuvel, Boekit Marajong genaamd. 



219 

Wij hebben op dien togt slechts een betrekkelijk gering getal 
boschvelden langs de woeste zoomen der Doesou opgemerkt. 
De Eampong Bintang-linggi vertoonde een vlottend dorp' 
van M rakit^s, groepsgewijze in drie partijen verdeeld endoor 
ruim 150 Pekoempaijers bewoond, terwijl op den oever niet 
meer dan twee Dajaksche huizen stonden, een van welke het 
dorpshoofd ten verblijf verstrekte. De woningen der rakit^s, 
ettelijke nog zeer* nieuw, hadden wanden van bamboesriet en 
in het algemeen een vrij net en zindelijk aanzien, juist het 
tegenovergestelde van de meeste armzalige Dajaksche stulpen. 
Vijf of zes grootere en kleinere rivieren , langs welke een gering 
aantal Dajakkers wonen, storten zich aldaar van weerskanten 
in de Doeson. In oostelijke rigting vertoont de grond geene 
aanmerkelijke verhevenheden, doch verder noordelijk worden 
de oevers der Doeson weldra heuvel- en bergachtig. De eerste 
heuvelen, op de vaart van Bintang-linggi naar Lontontoer, 
liggen ter linker zijde, tusschen eerstgenoemd dorp en de 
Kampong Lanan. Zij vormen eene keten, met ettelijke uitste- 
kende, afgeronde toppen, onder den naam van BoekitTowong 
bekend, en volgen een eind ver de rigting der rivier, wordende 
daarna, aan den oostkant der Doeson, het land wederom vlak; 
terwijl daarentegen haar regter oever op nieuw begint te rijzen, 
somwijlen hoibger zelfs, dan elders het geval is. Dit heeft in- 
tnsschen eerst van Lanan opwaarts plaats. Aanvankelijk zijn 
het slechts heuvelen van 50 — 80 voet hoogte, die den naam 
van Boekit Gawa dragen. Naarmate zij meer binnenlands zijn 
gelegen, nemen zij allengs in hoogte toe. De verhevenste, van 
de rivier zigtbare, toppen worden Goenong Relingsang en 
Goenong Pararawin genoemd, en zullen ongeveer 500 voet 
boven het watervlak der Doeson uitsteken. Deze kleine bergen 
en heuvelen schijnen voornamelijk uit een digt kalksteen te 
bestaan. Buitendien merkt men hier en daar ook lagen van 
fijnkorrelig zandsteen op, en in het rivierbed liggen dikwerf 
brokken steenkolen verspreid, welke de inboorlingen met den 
naam baloe balaman (d. i. steen, die smeulend brandt) be- 
stempelen. De oeverberg Pararawin, waarmede de keten in het 
noord-oostelijk gedeelte qindigt, heeft, even als vele andere 



22Q 

bergtoppen, eeue kegelvormige gedaante. Voorbij dezen berg 
wordt, in plaats van den regter, de linker oever weder heu- 
velachtig , en op sommige plaatsen aldaar vertoonen zich naakte 
rotswanden van graauw kalksteen. Later echter verheft zich 
alwederom het land ter regter zijde: langs den oever ziet men 
slechts lage heuvelen , doch achter hen eene keten , welker toppen 
zich, naar gissing, van 400 — 500 voet absolute hoogte ver- 
heffen. — De Kampong Lanan telde elf of twaalf huizen, de 
meesten weder op rakit^s gebouwd en aan Pekoempaijers toe- 
behoorende. De bevolking wordt< op een paar honderd zielen 
geschat. Tegen den gevel van het knge en op hooge steilen 
rustend woonhuis van het opperhoofd, een^ Dajakker, die zich 
Toemanggong Demang noemde, zag men op eene plank een 
twaalftal menschenschedels , in eene rij naast elkander geschikt. 
Het aanzienlijke dorp Lontontoer ligt slechts weinige minuten 
bezuiden de evennachtslijn en niet ver beneden de uitwatering 
van de belangrijke zijrivier Tewei , op den vlakken linker oeTer 
der Doeson; daar tegenover bevindt zich de Kampong Moevara- 
rapen, aldus geheeten naar een digt langs haar heen vlietend 
riviertje. De bewoners van het laatstgemelde gehucht, ten 
getale van ongeveer 500 zielen, bestaan bepaaldelijk uit Da- 
jakkers, terwijl Lontontoer, met uitzondering van slechts weinige 
Dajaksche familiên, aan 500—600 PekoempaijerS ten verblijve 
verstrekt. Aan den kant van dit hoofddorp telde ik een-eu- 
twintig huizen, die achter eene hooge, doch slecht onderhouden 
schutting van paalwerk, in ëéne rij, langs het water, op den 
wal stonden. Ook de vijf Dajak-sche huizen van Moewara-rapen, 
veel grooter dan die van Lontontoer, waren gelijkerwijze door 
eene houten heining beschut, of, gelijk de inlanders het noemen, 
tot eene henting (sterkte) ingerigt. De rakit's, die aan weers- 
zijden in de rivier lagen, waren twaalf in getal. De woningen 
te Lontontoer hebben een eenigzins minder armoedig en morsig 
aanzien , dan die der Kampong Moewara-rapen , waar vele varkens 
den grond onder de hooge huizen gedurig omwroeten en de 
lucht met hunnen stank verpesten. Bij gelegenheid, dat wij 
dit gehucht in de namiddaguren bezochten , vonden wij onder- 
scheidene oude vrouwen onledig met het weven van grove klee- 



221 

dingstöffen tot eigen gebruik. In het zamenstel harer weefge- 
touwen, vergeleken met die der Maleijers, Javanen enzv., was 
geen wezenlijk verschil op te merken. Haar garen bestond uit 
de sterke vezelen van de rami-plsLut (eene Boehmefia soort), 
en was meestal dof rood, leisteenblaanw, zwartachtig en vuil 
geel geverfd, zoodat, met het natuurlijk wit der draden, vijf 
verschillende kleuren in het gestreepte weefsel zigtbaar waren. 
Het inwendige der Dajaksche huizen aldaar was door middel 
van beschotten in tien of meer kleine kamertjes afgedeeld , voor 
even zoo vele gehuwde paren of familiën bestemd, van welke 
ieder een afzonderlijk vertrekje onder het gemeenschappelijke 
dak bewoonde. Binnen de huizen, zoowel als in hunne voor- 
galerijen, trok een aantal vierkante, langs de wanden en aan 
de daksparren hangende en met lange bossen wit, rood of geel 
geverfd gras overdekte, houten kastjes onze aandacht. Sommige 
dier kastjes (gewoonlijk 0,32 — 0,40 meters breed ^ en 0,26 — 
0,30 meters hoog), to^a genaamd, strekten alleenter bewaring 
der schedels van overledene bloedverwanten; in andere daaren- 
tegen bevonden zich schedels van tijgers , apen , beeren enzv. — 
Deze laatste worden meestal buiten de huizen gevonden en 
heeten hamantoha. De, schedels van dieren , aldus behoorlijk 
verzorgd, beschouwt het bijgeloof als gewigtige behoedmiddelen 
tegen booze geesten, welke vaak binnen de menschelijke wo- 
ningen trachten door te dringen. Anders is het gesteld met 
de schedels van geliefde overledenen , die voornamelijk uit een 
gevoel van diepe vereering bewaard worden , en aan welke ook 
van tijd tot tijd door de nabestaanden ofiers worden opge- 
dragen. — Te Lontontoer woont het distriktshöofd , een 
Fekoempaijer, wiens gezag zich langs de Doeson uitstrekt; 
opwaarts tot aan de Kampong Lahei, en afwaarts tot aan de 
Kampong Sikan. Wij kochten te Lontontoer, behalve kippen 
en andere levensmiddelen, ook eeuige rottingmatten, kleeding- 
stukken van Dajaksche mannen en vrouwen, wapenen en ver- 
sierselen. — Onze Portin'sche barometer stond aldaar in het 
middaguur, bij eene temperatuur van 29,5 centigraden, even 
hoog als te Bandjermasin en aan het zeestrand; waaruit blijkt, 
hoe gering de val is van het water der Doeson op den afstand 



Ui 

van S| graad breedte , en dat deze aanzienlijke stroom liUezins 
gelegenheid biedt om er langs , met stoomschepen, tot 
in het binnenste van Bomeo door te dringen. 

Ten einde zooveel mogelijk met onzen tijd te woekeren, besloten 
wij te Lontontoer ons in twee partijen te verdeelen en ver- 
schillende streken gelijktijdig te onderzoeken. Dr. Uorner achtte 
het, in het belang der geologische nasporingen, nuttig, den loop 
der Doeson verder opwaarts tot in het bergachtige binnenland, 
benoorden de evennachtslijn, te volgen; terwijl het aan Dr. 
Korthals en mij wenschelijk toescheen, de door de handelsbe- 
trekking met de oostkust van Borneo niet onbelangrijke Soengi 
Tewei al ware het ook slechts voor een gedeelte, door eigene 
waarneming eenigzins nader te leeren kennen. De nog altijd 
aanmerkelijke breedte en diepte der bedding van de Doeson 
veroorloofde aan Dr. Horner het beraamde reisplan met zijne 
groote praauw onbelemmerd voort te zetten; doch voor 
de vaart naar de Tewei waren wij genoodzaakt , wegens de on- , 
diepte van die rivier gedurende de drooge moeson, een paar j 
kleinere ijzerhouten praauwen te huren , waarmede wij den U^ | 
September, van onze dfoekoeng*s of kano's vergezeld, den togt ! 
derwaarts ondernamen. Na de Doeson, welker oevers boven 
Lontontoer beurtelings heuvelachtig , laag en vlak waren , bijkans 
een uur te zijn opgeroeid, bereikten wij de Soengi Tewei, die 
eene monding van 60 — 70 meters breedte heeft, doch zich 
meer binnenwaarts weldra tot op omtrent 50 meters vernaauwi 
Zi) bevatte thans slechts weinig water, van eene in het oog 
vallende witte kleur, terwijl dat der Doeson een vuil geelachtig 
aanzien hfeeft. Ook was haar stroom zacht, ofschoon ten tijde i 
van hoog water hare drift aanmerkelijk en alsdan vooral de | 
veelvuldige korte kronkelingen harer bedding voor kleine vaar- | 
tuigen zeer gevaarlijk zijn. De Overste von Henrici merkt in 
zijn dagboek aan, dat het witte water dezer rivier door de j 
bewoners der kustlanden voor zeer ongezond wordt gehouden. 
Tot bij het gehucht Bokka , dat ongeveer 1 \^ uur roeijens van 
den mond is verwijderd, zijn de oevers der Tewei meest laag 
en met bosschen bedekt; hier en daar slechts ontwaart men 
eene kleine verhevenheid van den grond. Op den top van eenen, 






2£3 

ter linker zijde gelegen heuvel, van 30 of 40 voet hoogte, ligt 
de Dajaksche Kampong Bokka , ait niet meer dan drie vervallen 
en armoedige woningen bestaande, die men eer voor morsige 
varkenskotten, dan wel voor menschelijke verblijven zoude 
aanzien ; ook worden zwijnen en geiten hier in talrijke menigte 
gevonden. De huizen zijn binnen eene hooge , maar zeer ontred- 
derde heining van paalwerk besloten, en zullen aan omtrent 
100 zielen ten verblijve verstrekken. Jaren geleden werd dit 
ellendige gehucht eens gedurende drie dagen door eene bende 
roofzuchtige Dajak Pari verontrust, zonder evenwel door die 
stroopers te kunnen worden ingenomen , daar het door gewapende 
hulp van Lontontoer werd ontzet. Een Dajakker vertoonde ons 
eene levende wilde kat (Eelis planiceps) , welke , tegen betaling 
van een^ gulden, ons eigendom werd. Deze soort, die behalve 
Borneo ook Sumatra bewoont, schijnt op beide eilanden zeld<^ 
zaam te zijn. 

Den volgenden ochtend voeren wij de Tewei verder op. Wij 
kwamen weldra aan een gehucht van Pekoempaijers, Kampong 
Djarooet genaamd, uit acht, insgelijks van sterke palissaden 
omringde huizen bestaande. De bevolking werd op 130 zielen 
geschat. Op de aanvraag van onzen kok om hoenders , waaraan 
wi] gebrek hadden, erlangden wij een' verschen voorpoot be- 
nevens den kop van het zoogenaamde waterhert (Cervusequinus^s), 
welk dier daags te voren gedood was. Dit groote hert, dat 
niet menigvuldig en schier altijd eenig of gepaard , in de hooge 
bosschen gevonden wordt, heeft een veel grover en drooger 
vleesch , dan de eenigzins kleinere Cervus russa , die in de meer 
opene zuid-oostelijke Laut-landen van Borneo ongemeen talrijk 
is, en door de Banjerezen Mindjangan djcma wordt genoemd, 
uithoofde deze soort, ongeveer anderhalve eeuw geleden, van 
Java is ingevoerd. — Omtrent drie kwartier roeijens boven 
Kampong Djamoet, zagen wij, almede op den linker oever, 
binnen eene schutting van deels gespletene boomstammen, 
twee lange, nieuw gebouwde Dajaksche huizen; en eenigzins 
verder ontwaarden wij , in eenen rotswand van tusschen de 
30 en 40 voet hoogte, eene spelonk, Liang Naga «o) genaamd. 
Dit hol had aan den ingang van 6 — S voet wijdte en, bij 



224 

gissing, van 15 — 18 voet diepte. Het werd door eene menigte 
vleermuizen bewoond, van eene destijds nog onbekende soort, 
door mij onder den naam Pachysoma brachjotis beschreveD. 
De rotsen van dezen en van een' soortgelijken wand , dien wij 
reeds vroeger voorbijvoeren, bestonden uit een digt kalksteen, 
hier en daar versteende schelpen, benevens koralen uit de 
geslachten Astraea en Meandrina, bevattende. Niet ver boven 
de spelonk Liang Naga wisselden in de bedding en langs de 
oevers der Tewei telkqns lagen en klippen van fijnkorrelig 
zandsteen met de zoodanigen van voormeld kalkgesteente af 
De rigtiug der lagen van beide steensoorten was meestal zuid- 
en noordwaarts, dikwerf met geringe afwijkingen, naar het 
westen of oosten, en altijd vertoonden zij eene zekere helling, 
meestal van tusschen de 12 en 14 graden. Deze oudere, se- 
condaire berg-formatie wordt, volgens de waarnemingen van 
Dr. Horner, ook langs den bovenloop der Doeson en in hare, 
uit het landschap Siang komende, zijrivieren aangetroffen. 

Tegen het middaguur kwamen wij aan het verlaten gehucht 
Taidjok, waarvan nog slechts één bewoond huis is overgebleven, 
hebbende de geheele vroegere bevolking zich langzamerhand 
te Djamoet en elders metter woon gevestigd. Diergelijke ver- 
huizingen naar xindere, min of meer verwijderde plaatsen, be- 
hooren daar geenszins tot de zeldzame verschijnselen, en 
geschieden meestal zoodra de omliggende boschgrondeu on- 
vruchtbaar of voor de aankweeking der noodwendigste levens- 
behoeften geheel onbruikbaar geworden zijn. De eene huisvader 
na den ander' tracht alsdan elders eene nieuwe ladang aan te 
leggen, en, is zijn veld ter bebouwing gereed, dan breekt hij 
op, voert zijne woning en het bruikbaarste van zijne roerende have 
in eene schuit mede en verlaat voor altijd, of voor langen tijd, 
het te voren bewoonde erf. Hieraan is het dan ook onge- 
twijfeld toe te schrijven, dat de huizen daar- op den wal 
doorgaans zulk een armoedig en vervallen aanzien hebben , met 
zoo weinig zorg zijn zamengesteld , en dat men schier nergens 
vele vruchtboomen aantreft, vermits slechts zelden een in- 
lander zich de moeite getroost van eenige palm- of andere boomen 
te planten, bij het onzekere vooruitzigt, of hij wel zoo lang 



225 

op dezelfde plaats zal gevestigd blijven , dat hij er de vruchten 
van zal kunnen inzamelen. — Toen de avond begon te vallen 
en wij , naar het zeggen onzer gidsen , nog omtrent vier uren 
te varen hadden , eer wij het eerstvolgende gehucht Filas konden 
bereiken , besloten wij , bij eene bogt onder het hoog geboomte 
aan den oever, den nacht door te brengen. 

Den volgenden ochtend vonden wij het water in de Tewej 
onderscheidene voeten gerezen, en dit was waarschijnlijk de 
oorzaak, dat wij dien dag veel minder steenklippen in hare 
bedding opmerkten, dan gedurende de vaart van den vorigen 
dag. De oevers waren schier overal vlak, echter 10 — 20 voet 
boven den waterspiegel verheven en met bosch bedekt ; nergens 
ontdekten wij nieuwe of oude ladang's, noch eenige overblijf- 
selen van woningen. Hetgeen onze oplettendheid het meest 
boeide, waren de menigvuldige speuren van wilde runderen: 
eene diersoort, door ons tot hiertoe alleen op Java gevonden 
en tot de zeer weinige zoogdieren behoorende, welke oorspron- 
kelijk over deze beide groote eilanden verspreid zijn. De Da- 
jakkers aldaar kennen haar onder den naam Roempoe^ doch 
wij hoorden bij hen ook dien van Banteng^ waarmede de 
Javanen den stier van dit schoone, wilde ras (Bos Sondaicus) 
bestempelen. Te Kampong Pilas werden wij verrast door het 
zien van een levend kalf, in den vroegen morgen door de 
bewoners gevangen. Wij kochten dit jonge dier voor onze 
verzameling. In de afdeeling Zoölogie der Verhandelingen , zijn 
door ons afbeeldingen medegedeeld van dit kalf, zoowel als van 
de oude koe; voorts van een jongen, half volwassen stier, en 
van den ouden stier. 

Het Dajaksche gehucht Filas was insgelijks, door verhuizing 
naar elders van een aantal zijner bewoners en uithoofde van 
eenen , niet lang geleden , plaats gehad hebbenden brand , welke 
onderscheidene woningen vernielde, tot op twee na ingekrompen, 
die van hooge palissaden omgeven waren. Een zeer oude Da- 
jakker, met sneeuw- witte haren en een buitengewoon uitge- 
magerd ligchaam, begroette ons als opperhoofd. Deze man had 
zijne borst eenigzins getatoeëerd; doch bij geen' zijner onder- 
hoorigen namen wij soortgelijke huidversiering waar. De be- 

is 



2ZG 

volkis^ van Filas en die van een ander, digtbij gelegen, Pe- 
koempaiach gehocht, Silo genaamd, wordt gezamentlijk op 
ongeveer 150 zielen begroot. De bewoners dezer gehuckten 
kappen vooral veel ijz^hont, dat daar in groote hoeveelheid 
groeit , en waaruit ^ij ruwe roei^panem en planken vervaardigen, 
die door hen in LontoBtoer worden verkocht. Yan eeiieii na- 
barigen , m^t reusachtig booge boomen begroeiden heuvel , klonk 
het luide geaehreeuw van eeneu iToi/aw^^ (Hjrlobates concolor), 
en langs de boorden der rivier zagen wij dikwerf kleine troepen 
roet^warte» Ibissen. Volgens ingewonnen berigten bieden de 
hoogere streken der Soengi Tewej, bij eene meer heuvelachtige 
gesteldheid, weinig opmerkelijks aan, hetwelk otts noopte, bij 
de Kampong Pilas de opvaart te staken en naar LootontoeF 
terug te keeren. Het door den Overste von Henrid gehouden 
Dagboek bevat ondertusschen , omtrent den verderen togt, de 
navolgende bijzonderheden, die wij de vermelding waardig 
keuren. 

Boven de Kampong Silo, toekent deze Officier aan, zijn de 
oevers der Tewej schier onafgebroken 18 — 20 voet hoog, ep 
op vele plaatsen steil afgebrokkeld; deze wanden vertoonea 
meestal verscheidene aaidlagen : van boven leecigrond , ter dikte 
van, zes voet; daarna, eeno laag blaauwe klei, en onder deze 
eeneo, kwa^tsrljken zandgrond. Da rivier is afwisselend 10 — 15 
roeden breed, en zwelt niet zelden tn de regerunoeson zoodanig, 
dat zij buiten hare vrij hooge oevers treedt. Het eerste gehaeht , 
dat men boven Silo ontmoet, is de volkrijke Kampong Tindoe- 
najang, ook w^ Ksimpong Koewalabenangin genaamd, naar 
den noorder riviertak, die zich, eene kronkeling hooger, met 
de Tewej vereesiigt. Deze Kampong betaalt jaarlijks 59 realen 
{ƒ 118) hoQfdgeJd, en hare geheele bevolking kan derhalve 
op ruim 350 sdelen berekend worden, waarvan omtrent de 
helft Fekoempaijers. £ven als alle gehuchten langs de Tewej, 
ligt ook Tindoe-najang: op den linker oever, hoog en wèl 
gekozen, daar het, ten minste van éénen kant, niet gemak- 
keiijk te genaken is. De woningen zijn, ter beveiliging tegen 
de stroopende Dajak Pari, welke die streken nu en dan wel 
eens verontrusten, door een stevig paalwerk omsloten. Een 



227 

Iclein eind böveft TJndoe-najattg oüdefgkht de riviet éene gfeifttel-- 
yormige veïdeeling: de zuidelijke tak behoudt den nafitn TeWej, 
terwijl de noordelijke onder dien van Soengi Benatigin bekend 
is. Laatstgemelde rivier, die aanvankelijk 5 — 6 roeden brefedté 
heeft, een' halven dag opvarende, komt men aan een Dïijaksch 
gehucht^ uit drie biiiaen en ongeveer 115 bewoners bestaande; 
van dit gehucht, Tinoem geheeten, ligt, op den afstand van 
een' balven dag gaans door het bosch, eene kleine bergketen 
met verscheidene rijke vogelnestholen , die voornamelijk in deii 
Goenong Angga gelegen aijn* — Voorbij den mond der Soengi 
Benaoigin wordt de landstreek langs de Tewej jbeer schilder- 
achtig: hare oevers vèrtoonen afwisselend loodregte rotswanden 
van wit en grijs-blaaaw kalksteen en wijdgapende kloten en 
spelonk^, door eene menigte kleine zwaluwen bewoond, wier 
nestjes éehter meestal te veel vederen en andere oni<e4ttheden 
bevatten, om den lekkerbek te kunnen bevredigen en toor den 
handel Veel waarde te hebben. Hooger , worden de oevers hèfUvel- 
en bergachtig, gewoonlijk met ^achtgölvende ruggen en gloöijende 
hellingen, langs welke vaak ladang's en hóoge, digte bos- 
schen elkander bekoorlijk afwisi»elen. Aan AêÈe 2ijdé dér 
KampoDg Tandoi stort een fraaije, door eene kleine rivier 
gevormde waterval, van 12 — 15 voet breedte eft 15—20 voet 
hoogte, over rotsblokken in de Tewej naar beneden. Dé Kam* 
potig Tandoi, ongeveer 40 voet boven den gewonen waterspiegel 
der Tcwq verbeven, heeft de gedaante van een langwerpig 
vierkant, is rondsom en langs de flanken zelfs met eene düb* 
bcle rij palissaden versterkt , terwijl lange , scherpgepunte penflen 
van bamboesriët of ijaerhout, in den grond, den toèg&ng nog 
bemoeijelijken. Dit dorp ssal aan ongeveer 400 Dajdkkersten 
verblijf verstrekken , welke bevolking 2eefr onlange met een Vijf- 
tien- of twintigtal Pekoempaijers vermeerderd is. Binnen deee zoo-» 
genaamde Kota of versterkte Kampong trekken vooral twee, 
hoog in de lucht getimmerde , tot den uitkijk bestemde hiri&jes, 
het oog. D^ Overste klom, niet zonder moeite ^ naar een dier 
waehthuisjes, maar bet was hem niet mogelijk, in weerwil van 
het ruime en vrije uitzigt naar alle zijden, ergens nabij of in 
de verte eenig hoog gebergte te ontdekken. — Gedurende den 



228 

nacht, welken de Overste te Tandoi doorbragt, was het water 
der rivier meer dan één' voet gevallen en de opvaart , vooral 
over de rotsen van den Biam Datan-pekat, daardoor aanmer- 
kelijk belemmerd en moeijelijk geworden. Op de laatstgenoemde 
plaats moesten al de booten ontladen en^ met veel krachtsin- 
spanning , ledig tegen den driftigen stroom opgetrokken worden. 
Een paar uren roeijens boven dezen Riam (waterval) bereikte 
men het laatste gehucht in de Tewej , Toendjoeng-ohlo genaamd. 
Deze Dajaksche Kampong, door schier loodregte oeverwanden, 
van omtrent zestig voet hoogte, aan drie zijden bijna onge- 
naakbaar, en aan den eenigen toegankelijken kant door paal- 
werk versterkt, telt ongeveer 300 zielen, doch brengt niet 
meer op dan / 22 hoofdgeld 'sj^ars. Ds rivier is aldaar nog 
steeds 10 — 12 roeden breed; zij vormt ontelbare korte kron- 
kelingen; hare oevers zijn hoog, dikwerf met zacht glooijende 
heuvelen afwisselende; hare bedding. is op vele plaatsen rotsig 
en ondiep. Eenen dag verder opwaarts, werd het land ter 
weerszijden der rivier vlakker, ofschoon zij toch niet zelden 
met rotswanden van 20 of 30 voet hoogte bezoomd was. Nog 
een' halven dag hooger, verdeelt zich de Tewej in twee takken: 
Soengi Loeang en Soengi Kias genaamd. De laatste komt 
uit de noordoostelijke bergstreken en verschaft gemeenschap 
met de oostkust van Borneo. Men vaart tot dat einde de 
Soengi Kias omtrent twee kleine dagreizen op, volgt alsdan 
gedurende nog twee dagen een voetpad door bosschen, waarna 
men, in 3 of 4 dagen, langs verschillende rivieren, naar 
Tangarong en Samarinda, de hoofdplaats van het rijk van 
Koeti, afzakt. Langs dien weg pogen de, in het binnenland 
aldaar zoo zeer gevreesde Dajak Pari, onderdanen van den 
Sultan van Koeti, nu en dan de bewoners der Tewej en der 
Doeson op het onverwachts te overvallen. 

Te Tandoi had de Heer von Henrici gelegenheid waar te 
nemen, dat het water der Tewej, gedurende den nacht van 
zijn oponthoud aldaar, 4|^ voet gestegen en ook wederom 
gedaald was. Bij zijne terugkomst te Tindoe-najang ontmoette 
hij een paar Dajakkers en Pekoempaijers van de Kampong 
Tinoem in de Soengi Benangin, welke hem eene hoeveelheid 



229 

eetbare vogelnestjes aanbragten, waaromtrent door hem bij 
zijne opreize aanvrage was gedaan. Hij betaalde hun de twee 
kati's witte nestjes met ƒ 110, en de tien kati's zwarte of 
onzuivere nestjes, te zamen met ƒ 15. //De eerstgemelde,// 
schrijft de Overste, //heb ik goed betaald, daar het kati witte 
nestjes, in de binnenlanden, niet meer dan ƒ 45 of ƒ 50 
waarde heeft, doch te Bandjermasin , waar tevens het gewigt 
een vierde minder is, kost het kati witte soort, gewoonlijk 
ƒ70 of/ 80.// 

Na zijne terugkomst te Lontontoer, zette de Overste von 
Henrici den togt voort langs de Doeson tot in haren bovenloop, 
alwaar zij den naam van Moeroeng draagt. Alles, wat wij 
over die streken zullen mededeelen, is men aan zijn Dagboek 
verschuldigd, naardien wij-zelven slechts tot aan de Moewara 
Tewej landwaarts reisden , en de aanteekeningen van Dr. Horner 
bij zijn overlijden op Sumatra, in 1839, op eene even onbe- 
grijpelijke als laakbare wijze, zijn ontvreemd geworden «i). 

Boven Lontontoer neemt de bevolking langs de Doeson 
weldra in het oog loopend af. Wel liggen op den afstand van 
omtrent een' dag varens, op den heuvelachtigen linker oever, 
niet zeer ver van elkander, drie door paalwerk versterkte, 
Dajaksche gehuchten: Telok-majan, Batoe-merong enLahej, 
doch een gedeelte hunner bewoners, ten getalle van ongeveer 500 
zielen, houdt steeds hier en daar in ladang's verblijf. Bij het ge- 
hucht Lahej of Lahei , het grootste der drie , vertoont de hooge 
oeverwand waterpasse lagen van lichte zandsteenrotsen. Een 
kwart uurs hooger vereenigt zich aan den oostkant met de 
Doeson de aanzienlijke Soengi Lahej, die bij haren mond 
16 — 18 roeden breedte heeft, vele dagen varens, doorbosscheu 
haren loop rigt, onbewoond is langs hare oevers, doch, even 
als de Soengi Kias in het bovengedeelte der Tewej, eenen 
doortogt opent naar het landschap Koeti. Al verder de Doeson 
op, zijn hare boorden, ter weerszijden schier onafgebroken 
heuvelachtig , en neemt men , in hare bedding , nu en dan 
rotsen waar, die langs de kanten dikwerf uitgestrekte naakte 
wanden vormen. Het water der rivier rees en daalde, in het 
begin der maand Maart, soms onderscheidene voeten binnen 



230 

de 24 uren. De Doeson ontv^qgt ook daar vaa beide zijden 
veel toevloed. Tot aau de uitwatcrjng der Soeagj Tobop, 
op 0^15' N. breedte, Koekt mep echter te vergeefs oen dorp. 
De^ zy rivier is aan haren mond ongeveer iO roeden breed; 
en J)jp, ^dVne|r yenpeldtt dat, volgens ingewoqnpn berigten, 
vijf dagen de Soengi Tohop opvarende, in eene onbewoonde 
en wilde landstreek, ^^ns^ienlijke steepkolenbeddingan seheuen 
ac^nwe?sig te ^yn. Be ^apapong Tohop ligt gedeeltelijk op d^n 
regter en voor een kleiner gedeelte op den linker pever der 
Doeson, ep wordt in het geheel door roim 100 Diyakk^rs 
bewoon^. Buitendien trof de Heer von Heprjci d^ar ook a^n 
twaalft^ Fekopmp^ijers aan , die bun verblyf op rakit's hielden. 
Eepe k'onkelipg hooger, werpt ^ich ^^o de regte^r zgde eau 
klein riviertje, Seboho genaamd, in de Doeson; dit riviertje 
een' dag qproejjende, vipdt men eene plaatf, alwftf^i^ VP 
tv^s^phen de steenen eQu br^k water opwelt, d^t de inUndars 
verz^nielen, die e|r, dpor koking, eene geringe boeveelheid zout 
uit hpl^eidisn. — Verder opwaarts ontvangt de JDIoeson — of 
eigpnlyk de Mpeypeng, gelijk deze gyoote rivier , volgens aom- 
njige inlapder^, y^^ de SPöngi Tohop af, volgens ftpderen van 
de eenigzsips Jager in haar vallende Soengi Kï^ramqan, tpt wu 
h^^e bropnep wordt geheetep — ym de steeds meer bergachtig 
wpiïd^nde npord^^ijde, de wateren van t^^Uooze^ijstroopien, waar 
drie yoor^tl: de 3oengi liauo^pg, de Soengi Bomban en de 
Soengi ^aboat, zoo door hnnpe uitgestrektheid aladoPT hunne 
volkrijke oevers, bijzopdey uitmunten, terwyl dï^ar^ntegen 
langg de groote rivier zelve , bpven de Moewar^ Bon^b^p , geene 
gehuchtep paeer gevonden worden. Aan de peyers der Soepgi 
Lapoeng, de me^st oostel^ke van de 900 ^ven gemalde drie, 
vindt ipen , op den afstand van eenige d^reizena bipnen deze 
rivier, twee dorpen: Tfihoedjang pn Boendang, v^p welke de 
bevoll^^ng door dep Overste op 65Q zi^l^n ^rerd geschat; een 
ander, veel lager liggend gehucht, Piba gena^ipd, is thans 
verlatep. Bij de l^^mpong Tahoedjang st^at , b^pnep eenp. sterke 
heiping v^n heele en gespletene boomstajipfnen , een buiten- 
gewoon la^ en omtrent dertig voet bovep den grond op stijlen 
rusten 4, nieuw ge\)ouwd huis, hetwelk pi^t minder door zijne 



231 

grootte en stevigheid, dan door een klein wachthuisje in den 
nok van het dak, de aandacht trekt van den reiuiger. In de 
aanRienlijke en insgelijks door palissaden versterkte Kampong 
fioendaiig, houdt het distriktshoofd sijn verblijf, destijds een 
kloeke Dajakker, Toemanggong Soera Fati, die als een stout 
en ondernemend man bij zijne naburen bekend stond. Beeds 
beneden dit dorp ontmoet men in de bedding der fioengi Lauoeng, 
nu en dan een^ Biam; en boven hetaelve worden de Ricmiê 
of plaatsen, waar het wateï over vaste rotsen eene versnelde 
stroomkracht bezit en soms kleine vallen vormt, gedurig me- 
nigvuldiger en dien ten gevolge de vaart nog moeijelijker 
en gevaarlijker. In de nabijheid van het verlaten gehucht 
Piha ziet men, ter weerszijden der rivier, onderscheidene 
klippige heuvelen of kleine bergen , met hoogstammige boomen 
van ijzerhout, damar- en andere houtsoorten begroeid. De 
van den westkant in haar vallende Soengi Topo, voert 
naar het landschap Siang; de eenigzins hooger, eich ter 
linker zijde in de Lauoeng stortende Soengi Maloeoi^ wordt 
somtijds door de Dajak Pari tot reisweg van en naar ver- 
schillende streken van Koeti gebezigd. Boven de Soengi 
Topo wordt het land ten westen al meer en meer onefien en 
hooger. Men Ontdekt in' die rigting, achter een aantal klippige 
voorheuvels, eene bergketen, van tusschen de 3000 en 4000 , 
voet hoogte, die zich, naar het schijnt, zuidwest- en üoord- 
oostwaarts uitstrekt, eti welker verschillende toppen bQ de 
inboorlingen onder de namen Qoenong Boendang, Goenong 
Mohoet, Goenong Kloempai enz. bekend 2ijn s^). Naar de vele 
witte micablaadjes, en het zand der zuid- en oostwaarts af- 
vlietende rivieren te oordeelen , zal dit gebergte voor een gedeelte 
uit graniet en andere verwante rotssoorten zijn zamengestdd. 
Ook vulkanische gesteenten, met namen slakachtige lava en 
tracbyt-conglomeraten , worden daar niet zelden aangetroffen. 
//Van de Kampong Boendang eenige dagreizens verder noord- 
of landwaarts,^ toekent de Overste von Henrici aan, >/ leven 
te midden der uitgestrekte wildernissen, kleine horden vto 
dat zwervende en zich aan alle beschaving onttrekkende volk, 
hetwelk in de zuidelijke deelen van Borneo, onder den naam 



X 



232 

van Orang Ot of Oety en ter westkust onder dien van Orang Poenan 
bekend is. Dit zijn volmaakte wilden, die, even als deOrang- 
oetan's of de Bosjesmannen van Afrika, meestal op boomen 
slapen, in ellendige batten enrotsholen tijdelijk verblijf houden, 
nimmer eene spade in den grond steken en niet slechts geen 
rijst , maar zelfs geen zout gebruiken , daar alleen wilde vruchten 
en het vleesch van wilde dieren , dat van slangen en hagedissen 
niet uitgezonderd, hun ter voeding verstrekken. Indien de 
vrouwen zoowel als de mannen zich van de smalle strook boombast 
ontdoen, die hun midden bedekt, dan zijn zij volkomen naakt. 
Deze Orang Oet^s hebben geen verkeer hoegenaamd met hunne 
naburen, de Daj akkers. Zij ontwijken ^ zorgvuldig iedere ont- 
moeting; zijn vreesachtig van aard en klein en tenger van 
ligchaamsbouw.^/ — //De Dajakkers van Sieang,^ gaat de 
Overste voort, //hebben eenigzins andere zeden en gebruiken, 
als de Dajakkers der kustlanden. Hunne kano^s {djoekoengs) 
zijn zeer lang, van ligt hout vervaardigd en, tegen het in- 
dringen van het golvende en schuimende water, bij het over- 
trekken der Riam^s, aan weerszijden van eene dunne plank 
voorzien. De Siangers roeijen gewoonlijk staande; hunne 
pagaaijen hebben naar onderen den vorm van eenen langen 
spadel en eindigen in eene ronde punt. Twee strooken boombast, 
de eene om het hoofd, de andere om het middenlijf gewonden, 
zijn de eenige kleedingstukken , welke een man daar, voor 
dagelijksch gebruik , noodig acht. Hunne spiegelgevechten , 
hunne gezangen en andere vermakelijkheden, zelfs hunne mn- 
zijktoonen en vreugdegalmen zijn in mindere of meerdere mate 
van buitengewonen aard en waarlijk kenschetsend voor dit ruw, 
maar welgezind en dienstvaardig volk. // 

Tusschen den mond der Soengi Lauoeng en dien der Soengi 
Bomban, ligt in de Doeson een klein, klippig eilandje. Aso 
genaamd. Ook in de omstreken van dit eilandje zijn de rivier- 
oevers dikwerf hoog, steil, en vertoonen zij vaak rotswanden 
uit waterpasse lagen of onregelmatige blokken zamengesteld. 
//In de Soengi Bomban,// schrijft Dr. Horner, //trof ik ver- 
scheidene kleine Biam's van vulkanische gesteenten aan , welke 
de kalk- en zandsteenbeddingen gangvormig doorbroken hebben; 



233 

die. gesteenten bestonden hoofdzakelijk uit een groen augiet- 
porphier en een graauwachtig trachyt , met vele kleine kristallen 
van glazig veldspaat.^/ De zes gehuchten: Tjongarong, Bong- 
baknng, Tabeliên, Lodjo, Tatalahong en Katoetong, welke 
langs de boorden der Soengi Bomban zijn gelegen, tellen, 
volgens den Heer von Henrici, omtrent 1500 zielen, waaronder 
een dertigtal Pekoempaijers , zijnde de overigen Dajakkers. 
Tatalahong is verreweg het grootste dorp, dat alleen tweemaal 
zooveel inwoners bevat , als de vijf andere te zamen. De opvaart 
in de Bomban is , uithoofde der vele rotsen en tallooze Biam^s , 
zoo moeijelijk , dat de Overste den togt van de Kampong £ong- 
bakang tot aan de Kampong Katoetong te voet verkoos af te 
leggen, en voorts van daar, insgelijks over land, naar de 
Kampong Lawang-minka , aan den oever der Soengi Baboat, 
ging, zijnde dit het verst afgelegen gehucht , dat in het zuidelijk 
binnenland door hem werd bezocht. Wij betreuren het, dat 
zijne aanteekeningen over die streken niet uitvoeriger en meer 
wetenschappelijk zijn uitgevallen. Hij zegt alleen, dat het 
land, hetwelk hij van den oever der Soengi Bomban, tot aan 
dien der Soengi Baboat, in eene westelijke rigting, overtrok, 
vele hoogten, met dikwerf ongemeen steile af hellingen vertoonde, 
en dat de grond kleiachtig en glad was, daar het daags te 
voren geregend had. De Kampong Lawang-minka, door onge- 
veer 300 Dajakkers bewoond, en, even als alle gehuchten in 
het landschap Sieang, met palissaden omheind, ligt op eenen 
kleinen heuvelrug, binnen* eene wijde, van bergen besloten 
kom. De landstreek aldaar is zoo schoon als vruchtbaar; de 
vreemde handelaars koopen er somtijds 100 gantang's rijst 
voor ƒ 1 zilver. De Soengi Baboat is , wegens de menigvuldige 
Biam's en ondiepe, klippige plaatsen harer bedding, niet 
geheel tot Lawang-minka bevaarbaar. Hare bronnen vindt men 
een paar dagreizens verder noordwaarts. In het zand dezer 
rivier zijn kleine heldere bergkristallen en andere kwarts-keijen 
van verschillende kleuren , niet zeldzaam : minerale zelfstandig- 
heden, welke aantoonen, dat in het hoogere, centraalgebergte 
vooral plutonische rotssoorten gevonden worden. Diergelijke 
kleine gerolde steenen, hier en daar met ijzerkies vermengd. 



234 

treft men evenzeer in de bedding der Soengi Soko en andere 
rivieren aldaar aan. In de Soko ontwaarde de Overste een 
groot blok zwart mergelschierfer met kristallen van ijzerkies 
en stukjes rood jaspis. De bedding dezer rivier bevattede bui- 
tendien op vele plaatsen gele zandsteenrotsen, en hare oevers 
vertoonden meestal een' gelen leemgrond. — Tusschen de uit- 
watering der Soko en bet eilandje Djaw of Djam in degroote 
rivier of Soengi Moeroeng, vindt men, in de bedding dezer 
laatste, eene steenige ondiepte, Karangan Mandoelan genaamd, 
waar goudschilfertjes worden nitgewasschen* Een eind wee^s 
boven deze goudrijke bank, aan de regter zijde dezer rivier, 
lag voorheen een vrij aanzienlijk Dajaksch gehucht, Lebo- 
oesong geheeten, dat eens door ruim £000 Dajak Pari werd 
aangevallen, bij welke gelegenheid een twintigtal van dezen, 
en binnen de versterkte Kampong twee man het leven verloren. 
Ofschoon toen niet overmeesterd, werd echter kort daarna het 
gehucht door al de bewoners verlaten , uit vrees van weldra 
andermaal en alsdan met verhoogde woede door die stroopers 
te zullen worden aangetast* Thans zijn er schier geene over- 
blijfselen meer van zigtbaar en behoort zijn gewezen bestaan 
tot de geschiednis des lands. Hetzelfde is het geval met een ander 
klein gehucht, dat aan den mond der Soengi Komboeto lag 
en insgelijks geheel verdwenen is. De Moeroeng verder opwaarts, 
bevat in hare bedding vele ondiepe , rotsige plaatsen , die somtijds 
Riam's vormen, welke de vaart met djoekoeng's — en geen 
ander vaartuig is daar bruikbaar — bijzonder moeijelijk en 
dikwerf gevaarlijk maken. Langs de oevers ziet men hier en 
daar steile wanden, ofwel afgezonderde zuilachtige blokken 
van wit zandsteen; en op onderscheidene banken wordt, bij 
laag water, door de inboorlingen stofgoud verzameld. Het is 
opmerkelijk , dat in die hoogere streken nog krokodillen worden 
waargenomen. De wilde zwijnen zijn er zeer menigvuldig. Na 
onderscheidene Biam's te hebben doorgeworsteld, bereikt men 
eene gaffelvormige verdeeling van twee riviertakken , de zui- 
delijke Soengi Djoloi geheeten , doch de noordelijke den naam 
Moeroeng blijvende behouden. Deze neemt, omtrent twaalf 
dagreizen» verder noordwaarts, zijnen oorsprong uit een hoog 



fci.i MjiatmBmmmmmmem^f^ 



235 

gebergte, dat de waterscheiding vormt tussch,en de oo6t<^ en 
«i^estkuBt van hat eiland. Yau uit dit verheven middelpaat — 
de orographiscbe kern van . bet land — loopen bergketens 
strasilvormig naar verschilleada hemelstreken kustwaarts en 
bepalen ^Idug; de onderscheidene stroomgebieden. In eene dezer 
hoofdketan9, die eena zuid-weetelijke strekking heeft en in het 
verwijderde binnenland onder den naam va» Goenong Liangbola 
bekend is, ontspringt, aan de oostzijde, de reeds genoemde 
Soengi Djoloi, terw\jl aan den anderen kant de bronnen te 
vinden ssijn van de Soengi Melawi, welker wateren aicb bij 
Sintang, met die der Soengi Kapoeas of Pontianak-rivier ver- 
eenigen. Door middel der rivieren Djoloi en Melawi zoude dan 
ook, volgens ingewonnen berigten, een der meest gebruikelijke 
overlftndwegen bestaan tassohen de zuid'K>08telijke en westelijke 
streken van Bornea 

Na deze, grootendeels uit het Dagboek van den Heer von 
Henrioi getrokkene aanteekeningen , «ij het mij vergund, het 
verbaal on^er terugreis van Lontontoer, op den 15^^ September 
des jaars 1836, weder op te vatten. Wij vertoefden dien dag, 
bi] het afvaren der Doeson, eenige uren aan den Qoenong Fa- 
raravin, bestegen zijne af helling en doorkruisten, in verschil- 
lende rigtingen, het bosch. Ik zag daar voor het eerst een' 
kleinen troep van dien nieuwen, roodharigen slankaap «'), 
welken de Dajakkers Kalasi en de Bandjernezen Kalahi 
noemen. Van de waargenomene vogelen zal ik hier alleen de 
zeldzame en fraai geteekende Timalia nigriooUis vermelden. 
Toen wij den volgenden dag te Panoeatawan stil hielden, bragten 
ons de bewoners twee oude hanen van Euplooomus ignitus , 
drie voorwerpen van Cryptonix coronatus en twee individuen 
van Moschus napu: allen eerst weinige dagen te voren door 
middel van strikken gevangen en voor ons in 't leven bewaard. 
Het gemelde kleine muskusdier is in de vlakke bosschen van 
Borneo, evenmin als op Sumatra, waar het door de Maleijers 
NapoG wordt genoemd, zeldzaam. Het verduurt de gevangen- 
schap yr\) wel en verliest zelfs spoedig alle sehuwheid; het 
wordt echter zelden door de inlanders levend gehouden, maar 
gewoonlijk gedood en voor den disoh bestemd, vermits zijn 



236 

vleesch fijn en zacht, doch voor ons mondgehemelte eenigzins 
te zoet is. Geheel verschillend van dit kleine herkaauwende 
zoogdier en ook van den gekuifden Eaplocomus (zie bl. 206), 
is de nataurlijke geaardheid van den bont groen- en rood- 
achtig gevederden Gryptonyx coronatus, die bij de Doesoners 
den naam SiaUj en bij de Maleijers, op Somatra, dien van 
Siantoeng draagt. Dit fraaije boschhoen is zeer wild en schnw 
en neemt, oud gevangen en in eene kooi opgesloten, weinig 
of schier geen voedsel, zoodat het meestal, na verloop van 
weinige dagen, vermagerd en uitgeteerd sterft. Al deze dieren 
werden voor onze verzameling bestemd en hun getal vervolgens, 
bij de Kampong Boedjej, met nog onderscheidene andere soorten 
vermeerderd. Deze bestonden voornamelijk in eenige groene 
duiven (Columba aromatica), een' zeer ouden Paradoxnrns 
leucomystax , en een drietal schildpadden van twee verschillende 
soorten «*). 

Te Tandjong-djawa, tot aan welk gehucht wij den 17^^ Sep- 
tember stroom-af voeren, verhaalden ons de inboorlingen, dat, 
twee dagen geleden, zich aau den overkant een Orang-oetan 
had doen hooren. Dit berigt noopte mij , den volgenden ochtend, 
met twee Dajakkers van daar, een' jagttoer naar de aangeduide 
boschstreek te ondernemen : eene poging , die echter vruchteloos 
uitviel, ofschoon wij, met de meest mogelijke oplettendheid, 
zeker wel een paar uren landwaarts in , het woud doorkruisten. 
Wel vonden wij teekens van zijn oponthoud aldaar: namelijk 
eenige, deels nog vrij versche, tusschen de 10 en 25 voet 
boven den grond verhevene rustplaatsen, uit geknakte en 
kruiselings over elkander gebogene of geheel afgebrokene takjes 
en pandanus-bladen bestaande, en aldus een zacht en rond 
vlak vormende van 2 — 3 voet middellijn. Sommige dezer, den 
Orang-oetan tot nachtleger verstrekt hebbende rustplaatsen, 
bevonden zich in den digt gebladerden top van eenen kleinen 
boom; andere, te midden van eenen grooten varen- of orchi- 
deënstruik, als parasiet aan den dikken stam van een' dier 
reusachtige boomen vastgeklemd, welke den oorspronkelijken 
bosschen van Borneo een zoo trotsch en indrukmakend aanzien 
geven. Wij hebben onze waarnemingen omtrent dezen merk- 



• 



237 

waardigen aap reeds elders uitvoerig medegedeeld ^s) , en meenen 
derhalve den belangstellenden lezer derwaarts te mogen verwijzen. 
De gesteldheid van het woud, door mij gedurende dien togt 
doorkruist, bleef zich overal gelijk: stammen, verbazend hoog 
en dik , voerden elkander hunne breedgetakte kroonen te gemoet 
en vormden aldus een ondoorzigtbaar groen gewelf, met menig- 
vuldige slingerplanten weelderig en wonderbaarlijk ineenge- 
strengeld. De grond was op sommige plaatsen moerassig, of 
zoodanig met kruipende rotan-soorten begroeid, dat er schier 
geen doorkomen aan was, onze kleederen van een gereten 
werden en de niet gedekte ligchaamsdeelen van bloed dropen. 
In die maagdelijke en eenzame bosschen is de neusaap gemeen , 
van welken ik er vele, bij troepen ontmoette en, huiswaarts 
keerende, een oud wijfje schoot, dat een jong aan den buik 
had hangen. Onder de meêgebragte vogelen verdient alleen 
Timalia trichorrhos ««) vermeld te worden; deze was vroeger 
door mij op Borneo niet aangetroflen, doch wel in de vlakke 
houtbosschen van Indrapoera, aan de westkust van Sumatra. 
Wij verlieten nog denzelfden dag, weinige uren voor zonson- 
dergang, de Kampong Tandjoug-djawa en zakten toen de groote 
rivier af, tot bij de Kampong Moewara-kalahiën , waar wij 
nachtverblijf kozen, met het voornemen om den volgenden 
morgen vroegtijdig de nabijgelegene meren te bezoeken. Bij 
die gelegenheid vonden wij, digt bij den oever van de Dano 
Lamoéda, een nest met 20 eijeren van den langbekkigen 
krokodil (Tomistoma Schlegelii), van welken wij reeds hebben 
gewag gemaakt (bl. 183). Dit nest, een nagenoeg kegelvormige 
aardhoop van omtrent derdehalf voet hoogte, met vele half ver- 
rotte bladeren en kleine stukjes hout vermengd, bevond zich 
aan den voet en onder de digte lommer van eenen grooten 
boom. De eijeren lagen ter diepte van ongeveer een' voet, 
midden in eene kleine holte bij elkander, en werden klaarblij- 
kelijk alleen verwarmd en uitgebroeid door de gisting en 
broeijing der hen omringende plantaardige stofien. Zij bevatteden 
allen bijna volkomen ontwikkelde jongen. Een' ouden krokodil, 
die, zoo als menigmaal verhaald is, het nest zoude bewaken, 
hebben wij niet gezien. — Nadat wij, tegen het middaguur. 



38S 

* 

tot onee, te Moewara-kalahien aehtergelatene, groote pi'alniwen 
waren teruggekeerd, vervolgden wij dien d^ de reis tot aan 
het gehucht Dalio. Kort na onaie aankomst aldaar werd ons 
docHT de inboorlingen het noodlottig wedervaren medegedeeld 
van eenen Dajakker, dien wij vroeger, terwijl hij eich onledig 
hield met het vervaardigen van angels, welke zijner wraak 
moesten ten dienste zrjn, hadden leeren kennen. Deze onge- 
lukkige bad zijne vrouw en negenjarig zoontje eene prooi zien 
worden der krokodillen. Bij het varen naar de ladang, waren 
zij op zekere hoogte, nabij den oever van de Doeson, door 
deze vreeselijke dieren overvallen en verslonden. Vijf dagen 
later had hij zich met drie zijner vrienden, in eeae kleine 
dfOêkoeng^ naar de plaats dier verschrikkelijke gebeurtenis be« 
geven , ten einde zijn verlies op eene bloedige wijze te vergelden; 
doch naauwelijka waren zij tot daar genaderd , of bet zwakke 
bootje werd door een' geweldigen slag verbrijzeld; alle vieT 
de mannen stortten in den stroom ; een hunner werd door een 
ontzaggelijk groeten krokodil in den afgrond geslequt: hei was 
juist de rampzalige man. De krokodil is bij den nog onbe- 
sehaafden bewcner van Borneo, even als bij de TimK)re8en en 
in zeker opzigt ook bij de Javanen en andere MohamiBe- 
daansche eilanders, een voorwerp van het blitidst bijgeloof. 
//De Dajakkers — schrijft een Christen^Zendeling van daar ^) — 
geven zich in het geheel geené moeite, dit zoo gevaarlijke 
dier uit te roeijen, daar zij gelooven, dat de nabestaanden 
van een' door ben gedooden krokodil eene bloedige wraak op 
den moordenaar zouden nemen. Slechts eerst dan , wanneer een 
mcnsch door eenen krokodil verslonden is, nemen de in- 
boorlingen wederwnak, door ted naastebij tien deiier dieren 
te dooden; en daar zij gelooven, dat iedere krokodil zijne 
vaste verblijfplaats heeft, alwaar geen andere komen mag, zoo 
zijn zij overtuigd, den wezentlijken dader ie hebben gevangen, 
wanneer zij slechts de plaats wet^i, waar een mensch is 
weggernkt.// 

Op de vaart van Dalio naar de Soengi Karauw, den 
20*^ September, liielden wij een oogenblik stil Uj de Dano 
Babaï , alsmede bij de Kampong Tandjong-petong. Bij genoemd 



£3» 

meir tioffen wij slechts twee vrouweB en eenige kinderen aan; 
al de mannelijke bewoners bevonden zich in de besschen, om 
damar roêah te verzamelen. Te Tandjong-petong met het 
bezigtigen der reeds vermelde schedels van krokodillen (bl. 186) 
bezig aijnde, kwamen de inlanders ons verhalen, dat binnen het 
meir Lampoer, aan den mond der Soeugi Karauw, insgelijks 
verscheidene schedels van die dieren lagen tentoongesteld. Wij 
vonden er daar werkelijk een zestal, en wel twee van de lang- 
gebekte soort (Tomistoma Schlegelii), twee van den gewonen 
tweekieligen krokodil (CSrocodilus biporcatus) , en twee van 
het stompkoppige ras (Crocodilas raninus). Een der laatstge- 
melde was van eene buitengewone grootte en had aan een dier 
behoord, dat eenige weken voor dat het gevangen weid, een' 
man had verslonden, wiens broek, een stuk van zijn baadje, 
en bijna al de beenderen, in de maag van den krokodil werden 
teruggevonden. Yan de Pekoempaijers , welke op den regter 
oever der Doeson, tegenover de wijde opening van de Dano 
Lampoer wonen, vernamen wij tevens, dat, op geringen afstand 
binnen de rivier Karauw, de inlanders zich voortdurend met 
het vangen van krokodillen onledig hielden. Dit berigt lokte 
mij uit, eenen togt derwaarts te doen. Nadat ik de Soengi 
Karauw, in noord-oostelijke rigting, door eene lage, bosoh- 
rijke en aan overstrooming blootgestelde streek, omtrent drie 
uren was opgeroeid , hetwelk , uithoofde van den tijdelijken 
lagen waterstand en de tallooze ontwortelde boomstammen , 
welke in de slechts 8 — 12 roeden breede bedding verspteid 
lagen , vrij langzaam ging , kwam ik aam een nijriviertje , Soengi 
Palandauw genaamd, aan welks nitwatering twee loofhutten 
van de krokodillenvangers stonden , en waar ik het opperhoofd 
Bakal Bodin, van de Kampong Ketap, met acht zijner onder- 
hoorigen , ontmoette. Deze lieden hadden zich reeds gedurende 
bijkans drie maanden onafgebroken met de vangst van kro- 
kodillen bezig gehouden en een tiental dezer dieren gedood, 
namelijk: 7 Boeaja sapii^ 2 Boeaja kodokh en 1 Baeaja 
iamtan ««). Wij zullen hier niet herhalen, hetgeen wi) over 
deze drie soorten van hagedisachtige amphibiën , zoo ten opzigte 
harer huishouding, als omtrent de wijze, waarop zij door de 



240 

Indische eilanders gevangen worden, in andere werken, met 
de noodige uitvoerigheid hebben medegedeeld. Wij bepalen ons 
alleen tot de aanmerking , dat de zucht tot verdelging , bij den 
ouden Bakal Bodin, uit wrok en toorn ontstond, opgewekt 
door het verlies van zijnen neef, een' jong gehuwde, die op 
zekeren achtermiddag, onder het roeijen, plotseling uit zijn 
ijzerhouten praauwtje werd weggerukt, en wel door denzelfden 
grooten krokodil, welks schedel wij aan den mond der Soengi 
Karauw gezien en verkregen hadden, en waarmede de verza- 
meling van 's Bijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden 
vermeerderd werd. Dit dier was, volgens de verzekering van 
Bakal Bodin, ruim 3 vademen lang. De inlanders zijn gewoon 
de koppen der gevangene krokodillen af te snijden, en den 
romp vervolgens weder in het water te werpen. Aan den over- 
kant der plaats, waar de hutten van Bakal Bodin en zijn 
gevolg stonden , zag men een lang en hoog stellaadje aan den 
oever der Soengi Karauw, waar reeds verscheidene zoodanige 
koppen, met wijd opgespalkten muil, zich in den stroom 
spiegelden. Wij weten het dezer gewoonte, van de koppen der 
gedoode krokodillen op dusdanige wijze ten toon te stellen, 
dank, dat wij een aantal wel bewaarde schedels van de drie 
soorten dezer amphibiën, in verschillenden leeftijd, zijn kunnen 
magtig worden. Acht dezer schedels behooren aan den nieuwen 
Sundaneschen gaviaal «s), van welk merkwaardig dier door 
ons ook een geheel geraamte, ter lengte van elf voet, uit de 
Soengi Karauw naar Europa is medegebragt. 

Niet ver boven de uitwatering van de Soengi Falandauw, 
verhief zich voorheen, toen die landstreek nog onder het 
beheer des Sultans van Bandjermasin verkeerde, een niet on- 
aanzienlijk gehucht, hetwelk op zekeren dag, door eene bende 
Bejadjoe's, uit de kleine en groote Dajak -rivieren, overvallen, 
uitgeplunderd en geheel in de assche werd gelegd. Negen 
inwoners schoten daarbij het leven in , en vele anderen , vooral 
vrouwen en kinderen , werden door de roovers gevangen genomen 
en tot slaven gemaakt. Soortgelijke strooptogten ondernamen 
eertijds de Bejadjoe's dikwerf op de naburige Mohammedaansche 
'districten; en de Pekoempaijers , bijgestaan door de Dajakkers 



241 

der Doeson en andere roofzuchtige inboorlingen, bleven op 
liunne beurt niet achterlijk, nu en dan, wanneer hun de kans 
voordeelig scheen , bloedige wraak te nemen , door de gehuchten 
der Beadjoe^s aan te tasten , te verwoesten en hunne bewoners 
te vermoorden. Aldus werd de vijandige gezindheid tusschen 
de verschillende volksstammen voortdurend gevoed en de ge- 
moederen tot wederwraak aangevuurd. Niemand achtte zich op 
reis, in de bosschen of in eenigzins verwijderde en eenzaam 
liggende ladang's veilig , en wie zijn huis verliet , zelfs ter ver- 
rigting van beroepsbezigheden, was steeds met een blaasroer 
en vergiftigde pijlen, of met een' zwaren houwer gewapend. 
Sedert echter Nederland over die landstreken gezag voert, is 
de maatschappelijke toestand aldaar zoodanig verbeterd, dat 
men thans niet zelden vrouwen en kinderen , weerloos en alleen , 
in de afgelegenste wildernissen aantreft, zich met het verza- 
melen van nuttige voortbrengselen bezig houdende, terwijl alle 
stammen vreedzaam met elkander verkeeren. Nergens welligt, 
heeft ziph de invloed van het Europesche bestuur op het zedelijk 
karakter en het levensgeluk van den mensch gunstiger en wel- 
dadiger doen kennen, dan op Borneo. 

Een klein eind wegs de Soengi Falandauw opvarende, ziet 
men aan de zuidzijde eene komvormige diepte, het aanzien 
hebbende eener verzakking van den grond, waarin eenige ver- 
brande boomstronken, die boven het water, dat zij bevat, 
uitsteken. Dat water vergadert zich daar gedurende den regentijd 
en vormt eene soort van meir, aan welks oever, driejaren 
voor ons bezoek, een nieuw gehucht is ontstaan, Kampong 
Mangamet genaamd, dat in 1836 zes huizen telde en door 
Pekoempaijers van Ketap en eenige Dajakkers van de Kampong 
Dajo bewoond werd. Het dorp Dajo ligt nog ruim drie uren 
hooger, aan de Soengi Falandauw, en zal ongeveer 200 zielen 
bevatten. Ten zuid-oosten, achter de Kampong Mangamet, 
begint de bodem zacht te rijzen, en vertoont eenen planten- 
groei, geheel verschillende van al hetgeen door ons elders op 
Borneo was waargenomen. De grond aldaar is met mossen, 
varens, eene fraaije soort van Nepenthes en velerlei geurige 
kruiden bedekt; eene wilde jasmijn i^ordt door Melastomae- 

16 



242 

struiken afgewisseld, terwijl een Pinus en andere dungetakte 
en schrale boomen van middelbare grootte, de verscheidenheid 
en het vreemdsoortige der vegetatie volmaken. In dat oord, 
hetwelk een zoo geheel eigenaardig karakter ten toon spreidt, 
vonden wij de fraai gevederde Nectarinia Hasseltii in grootere 
menigte, dan ergens op Sumatra of Java, waar ons die kleine 
honigvogel slechts zeldzaam te gezigt kwam. Ook schoten wij 
aldaar verscheidene voorwerpen van een' rooden Couroucou 
(Trogon Duvaucelii) en van een' nieuwen bladvogel (Phyllornis). 
Van Mangamet, zoowel als van Dajo, is het bosch, zuidwaarts 
tot aan de oevers der Soengi Sioeng, met voetpaden door- 
sneden. — Eenige uren hooger vereenigt zich met de Soengi 
Karau, de Soengi Pako, die insgelijks uit de oostelijke bos- 
schen te voorschijn treedt en aan welker boorden , op den 
afstand van omtrent een' halven dag reizens, een gehucht vaii 
denzelfden naam, met een 150-tal Dajakkers gevonden wordt. 
Het water der Soengi Pako heeft gewoonlijk eene vuil wit- 
of geelachtige kleur; dat der Karau daarentegen is donker 
bruin of zwartachtig. De bosschen langs de Soengi Karau zijn 
overvloedig van bindrotting voorzien, wordende er dan ook 
van dat voortbrengsel veel naar Moewara-bahan , en van daar 
verder naar Bandjermasin uitgevoerd. Boven de uitwat^ng der 
S^oengi Pako vernaauwt zich de bedding der rivier Karau allengs- 
kens tot de helft der vroegere breedte, en worden tevens Bare 
kronkelingen kortti^r en hare oevers eenigzins hooger, latende 
dezen vele bebouwde of bebouwd geweest zijnde plekken gronds 
zien. Weldra komt men aan de KampongKetap, ook somwijlen 
Kampong Karau genaamd, 11 huizen en 80—90 zielen tel- 
lende. Ketap wordt alleen door Pekoerapaijers bewoond, van 
welke de reeds genoemde Bakal Bodin het opperhoofd is. Nog 
een jwiar uren verder de rivier op, vindt men, in de kleine 
Kampong Moente, de laatste Orang Inlaw, of Mohammedanen. 
Nader bij de bronnen der Soengi Karau en langs andere 
afgelegene, kleine boschrivieren , treft men niet dan hier en 
daar Dajakkers in ladang's aan. Van de Kampong Moente zal 
Ci^n voetpad naar Tabalong, aan de Nagara -rivier, geleiden. 
De geheele bevolking langs de Soengi Karau* en aan de oevers 



243 

harer zijspruiten , zoo in gehuchten als in boschvelden verspreid, 
wordt op 1200 — 1500 zielen geschat; uit dit geheele dislrikt 
wordt echter slechts door 148 mannen aan de Begering hoofdgeld 
betaald. 

Drie dagen lang had ik mij te vergeefs aan de Moewara 
Palandauw opgehouden , ten einde een groot voorwerp van den 
nieuwen gaviaal of Boeaja êapU magtig te worden, zoodat ik, 
op den 25®*®" September, besloot, tot den terugtogt over te 
gaan. Het water der Soengi Karau was intusschen eenige 
voeten gevallen, en het was dus niet zonder gevaar, van met 
onze praauw op eenen boomstam te stooten en om te slaan, 
dat ik langzaam en met veel omzigtigheid , in de ruime en 
diepere bedding der Doeson geraakte, die ik vervolgens tot 
bij de Kampong Moewara-poenin afzakte. Den volgenden ochtend 
zette ik de vaart voort tot Koewala-pattai, waar ik, volgens 
afspraak , Dr. Korthals aantrof, die mij was vooruitgereisd en 
raiddelerwijl een gedeelte der Soengi Pattai had ondcrfcooht; 
wij voeren toen gezamentlijk verder naar beneden en de Kwala 
Andjaman in, naar het gebied der Beadjoe's. 

Omtrent den loop van de zoogenaamde kleine Dajak of 
rivier van Poeloe-petak, hare vertakking met de Doeson en 
Soengi Kapoeas , hare verschillende namen enzv. , hebben wij 
reeds bet een en ander aangeteekend (bl. 153), en onze alge- 
meene kaart levert een aanschouwelijk beeld op van het geheele 
deltaland, alsmede van de menigte dorpen en gehuchten , langs 
de beide oevers der Soengi Bejadjoe. Het aantal dier dorpen 
en gehuchten gaat tot ruim dertig. Velen zijn ons otid^^r 
i^enigziiis andere namen door de bewoners opgegeven , dan men op 
de kaart en in het dagboek van den Overste von Henrici 
vermeld vindt; deze afwijkingen meenen wij grootendeels aan 
verkeerde opvatting of onjniste spelling te moeten toeschrijven, 
ofschoon wij, der waarheid getrouw, gaarne hulde brengen 
aan de groote naauwkeurigheid , welke wij in het overige topo- 
graphische en statistieke gedeelte van zijnen arbeid gevonden 
hebben. Sommige geduchten aldaar , tellen ondertusschen slechts 
2—3 huizen; anderen een 6- of 8-tal; zelden meer. De huizen 
staan meestal 3 of 4 voet boven den grond op palen, hebben 



244 

eene lage dearopening en ettelijke kleine venstergaten, en zijn 
van binnen gewoonlijk , door ligte beschotten , in onderscheidene 
vertrekken verdeeld , waarvan het grootste tot gemeenschappelijk 
gebruik is bestemd en de kleine tot afzonderlijke slaapka- 
mertjes dienen voor de vrouwen en gehuwde lieden. Behalve 
het houten geraamte , hebben de huizen schier doorgaans , even 
als die der inboorlingen en Chinezen te Bandjermasin , 
wanden van kadjang^ terwijl zij met cUap van den nipa-palm 
gedekt zijn; van enkelen slechts bestaan de wanden uit ge- 
spleten bamboesriet of wel uit ruwe planken. Over het algemeen 
kan men van de huizen der Beadjoe^s aanmerken, dat zij een 
luchtig, bouwvallig en dikwerf morsig aanzien hebben. Sommige 
gehuchten zijn rondom door hooge palissaden van nibong- 
stammen versterkt; andere echter van alle zijden open en 
toegankelijk. De bevolking woont daar te digt bijeen en is te 
talrijk , dan dat zij vrees zou behoeven te voeden voor de 
aanvallen van zwervende benden Dajak Pari. In vele dorpen 
ziet men verschillende lijk- en knekelhuisjes, Sarong rauoeu 
en Santong toelang genaamd «o^, alsmede zware, opzichzelveu 
staande palen met wanstaltige menschelijke aangezigten en 
somtijds met geheele menschenbeelden , welke in het algemeen ' 
met den naam Hampatang bestempeld worden 9i). Andere palen ] 
weder , onder den naam van Smgaran of Panjangaran bekend, j 
zijn, aan het boveneinde, van een' grooten, aarden i^i(9Üoen | 
of goetji) en, boven dezen, met een' breeden en hoogen, 
waaijervormigen. kam van latwerk voorzien; terwijl op de I 
nokken der huizen niet zelden houten vogels prijken, inzon- 
derheid neushoornvogels , bij de Beadjoe's Tmgang genaamd, 
en. ook binnen de woningen allerlei afgodische en tot talisman 
strekkende voorwerpen van hout, steen, been enzv. gevonden 
worden. Benige nadere verklaring omtrent het wezenlijke of 
denkbeeldige nut dier verschillende zaken zal hier ongetwijfeld 
niet overbodig zijn. 

In het meestal planken huisje Santong rauoen (letterlijk 
doodkist-kamertje) dat bij ongeveer zeven voet lengte, omtrent 
vijf voet hoogte heeft , en op zes pooten rust , wordt , weinige dagen 
na het overlijden, de kist met het lijk geplaatst, hetwelk daar 



0^ 



langen tijd, somtijds wel gedurende 4— -6 jaren, blijft staan, 
tot dat al de vochten en zachte deelen zijn uitgedroogd of 
verrot, en alleen het geraamte is overgebleven, hetwelk alsdan, 
met de kist,- in een ander, op den platten grond gebouwd 
huisje, Djirap geheeten , wordt overgebragt en te gelijk 
met dit huisje verbrand: eene godsdienstige plegtigheid, die, 
wegens de feesten, die alsdan gegeven en waarbij buffels en 
varkens geslagt moeten worden, alleen bij betrekkelijk zeer 
vermogende inboorlingen wordt aangewend. Zoo lang de kist 
in het Santong faw>en wordt bewaard, hangt er een groote 
sitoen of pot onder, die, door middel van eenige gaatjes, met 
het binnenste der kist in verbinding staat, en in welken pot 
de vloeibare stoffen zich ontlasten; die pot wordt later in de 
aarde begraven, daar, waar het Djirap stond en de kist met 
het doode ligchaam is verbrand geworden. Gewoonlijk bevat 
de uitgedoofde asch nog enkele beenstukjes : deze worden zorg- 
vuldig bijeengezameld en in het Santong toelang ^ A/\.\tl^\^\' 
kamer, bewaard, zijnde een klein, hecht, net bewerkt en op 
éérü of meer ronde of vierkante palen rustend huisje, soms 
ter hoogte van 16 of meer voeten Zulk een knekelhuisje 
sluit somwijlen de overblijfselen van onderscheidene personen 
iu : en vermits de eer van op zoodanige wijze uit de wereld 
te verdwijnen, aan de bloedverwanten steeds aanmerkelijke 
kosten veroorzaakt, wordt een dorp voor rijk gehouden, 
wanneer het een of meer Santong toelang bezit. Van minver- 
mogende inlanders is het Santong rauoen slechts uit bam- 
boesriet vervaardigd en met nipa-bladeren gedekt, en wordt 
de doodkist, na verloop va» zeven of meerdere maanden, in 
de aarde begraven. Meer algemeen nog is bij den geringen 
Dajakker het gebruik in zwang, de lijken zoodra mogelijk, 
en dikwerf reeds binnen de twaalf uren na het overlijden, met 
weinig omslag en kosten ter aarde te bestellen. Na alvorens 
het lijk te hebben gewasschen, wordt het in wit lijnwaad en 
pisang-bladeren , of wel in matten gewikkeld, en zulk hulsel 
van buiten, door middel van gespleten bamboesriet en bind- 
rotting , stevig vastgesnoerd. De beenen en vooral de voetzolen , 
worden met het gele sap van kurkuma-wortelen bestreken, en 



24i6 

liet ligchaaiu mut rijstkorrals bestrooid. Eene durgelijke be- 
handeling ondergaan ook de gekisten. In beide gevallen wordt 
het lijk op den rug gelegd, het hoofd ten oosten gekeerd, 
zoodat het gelaat naar die hemelstreek is gerigt» waar de zon 
ondergaat. — Langs de Soengi Doeson worden insgelijks de 
lijken, bij de Dajakkers, 6f dadelijk in de aarde begraven, of 
gedurende eenigen tijd boven den grond in kisten bewaard 
en vervolgens verbrand. Indien daar het lijk van een zeer 
vermogend' of voornaam' persoon wordt verbrand, zoeken de 
bloedverwanten de weinige, niet door het vuur verteerde beeu- 
stukjes bijeen en sluiten die in een dik , van buiten net bewerkt 
en van binnen eenigzins uitgehoold stuk boomstam, hetwelk 
waterpas op een paar stevige palen en min of meer hoog boven 
den grond, gemeenlijk in de nabijheid der gehuchten, als eene 
soort van grafzerk , Kariring genaamd , onder den vrijen hemel , 
wordt neergezet. — Bij de Beadjoe's van Poeloe-petak 
staftn ter weérzijden van het Santong ioelang^ steeds een of 
meer groote Hampatong's en Singarans ; de eersten %, verschillende 
NTUwe en meestal vrij misvormde menschenbeeldeu , of alleen 
gedrochtelijke aaugezigten, met lang ttit den mond hangende 
tongen, vertoonende, terwijl langs de palen ook somtijds af- 
beeldingen van slangen en hagedisachtige dieren zijn aange- 
bragt; deze Hampatong'' e worden door de inboorlingen in 
het algemeen als beschermende wezens beschouwd, en dikwerf 
ook als dienstbare knechten van de overledenen , ter wier nage- 
dachtenis zoodanig knekelhuiaje is vervaardigd. Met hetzelfde 
bijgeloovige doel wordt het Santong toelang ook vaak met een' 
of meer menachenschedels versierd. Op onze vragen omtrent 
de zinnebeeldige beteekenis van het Slngaran of Panjagaran^ 
wisten de Beadjoe's geene opheldering te geven; alleen ver- 
namen wij van hen: dat dusdanige, met een goeiji of aarden 
l}ot (eene soort van asohkruikeu) en eene min of meer breede 
kruin van latwerk uitgemonsterde palen a^), reeds van oudsher ^ 
als eerbiedwaardige voorwerpen bij hen in gebruik waren* 
De door de puntige latten gevormde driehoek doet denken 
aan Siwa's attribuut: een' triangel, met de punt naar boven, 
de vernielende vlam en tevens den linga aanduidende. Bij 



247 

de veelvuldige speuren van Hindoesclien oorsprong, in de 
zuidelijke streken van Borneo aanwezig, en die men vooral 
ook in de godsdienstige verhalen der Beadjoe's opmerkt, wordt 
men als van zelf tot de gedachte geleid , om in den driehoekigen 
top van het Singaran eene nabootsing van den triangel van 
Siwa te veronderstellen. Nadere onderzoekingen, met grondige 
en omvattende kennis der taal , zeden en geloofsbegrippen dier 
Dajakkers in het werk gesteld, zullen omtrent de juistheid 
van de hier geopperde meening moeten beslissen en , indien zij 
zich mogt bevestigen, alsdan tevens in wijderen omvang het 
verband, kunnen aanwijzen, tusscheu . de godsdienstige denk- 
beelden van dat uog weinig bekende volk en de Siwa-dienst 
van Bali. 

Behalve de eigenlijke Hampatong' a treft men daarenboven 
in de gehuchten der Beadjoe's, zoowel als in die der Doe- 
sonezen, eene soort van pajen aan, van een volstrekt huis- 
houdelijk gebruik, de hoogte hebbende van 10 — \% voet of 
meer, rond en effen, of wel met snijwerk verfraaid en somtijds 
met een ruw gevormd menschenbeeld , dat verschillende wapen- 
tuigen in de handen houdt, versierd zijnde. Aan deze palen 
worden, bij plegtige gelegenheden en algemeene feesten, de 
ter slagting bestemde buffels met rottingtouwen vastgebonden 
en door lanssteken gedood. — Eindelijk moeten wij nog gewag 
maken van zeer hoogen stangen , waarop somtijds de meuscheu- 
hoofden, die den vijand zijn afgehouwen, worden ten toon 
gesteld. Zoodanige stangen of palen [Pantar) , die veelal £0 — 30 
voet hoogte hebben, worden thans schaars langs de Doesou 
aangetroffen, doch bij de Beadjoe^s van Foeloe-petak en bij 
de bewoners der rivieren Kapoeas en Kahajan, behooreu zij 
geenzins tot de zeldzaamheden. 

De weinige en onvolledige, deels door ond-zelven , deels door an- 
deren 93) ingewonnen berigten , omtrent de godsdienstbegrippen 
der Beadjoe^s, veroorloven ons niet, over dit belangrijke, doch 
uit den aard der zaak zeer ingewikkelde onderwerp, eenbepaald 
oordeel te vellen. Het eenige, waartoe wij hebben kunnen besluiten, 
is, dat bij de Beadjoe's, op een uitgebreid stelsel van grof 
Fetischismus , eenige Hindoesche en, in den jougsten tijd, ook 



248 

eenige Mohammedaanscbe denkbeelden zijn ingeënt geworden. 
Zij spreken van eenen grooten, alwetenden geest en schepper, 
dien zij Hat ala of Hofla tala noemen, baarblijkelijk eene 
verbastering van de gewone uitdrukking : Allah taala der Ara- 
bieren. Met behulp van éévL verbazend grooten Naga^ of, 
volgens de gevoelens van andere inboorlingen , van zeven zulke 
onderaar dsche slangen of slangachtige halfgoden, op welke 
de aardkloot rust, deed Hat ala dien, te midden van het 
water opdoemen , overdekte hem allengs met gewassen en eindigde 
met twee groote aard-eijeren {tantelo pitak) te scheppen, die 
weldra door zijnen alvermogenden wil vaneen borsten, en uit 
het eene van welke de man, uit het andere de vrouw te 
voorschijn traden d^). Dit eerste menschenpaar verwekte 
zeven zonen en zeven dochters, die weder onderling met 

• 

elkander huwden en vele nakomelingen verkregen , waarvan de 
meesten goddelijke hoedanigheden bezaten , en andere de stam- 
vaders werden van de onderscheidene hoofdtakken der Dajakkers. 
Onder de Bewatda of Goden staan boven aan: Sanghiang en 
Bjaia 95); de eerste houdt zijn verblijf in den dampkring, de 
tweede in het water der rivieren. Van veel minderen rang zijn: 
Tempon telon , Kambi , Sanggoemang , Kaloeë^ Pampoeloe Aaioong 
en tallooze andere, zoo goede als kwade goden en geesten, 
omtrent wier magt, verblijfplaatsen , gedaanten enzv. de mee- 
ningen van het volk dikwerf min of meer uiteenloopen. Aan 
allen worden nu en dan eens bid-, dank- of wel zoenoffers 
gebragt, in eetwaren, vrome aanroepingen en dergelijken be- 
staande. Tempon telon geniet het voorregt van dikwerf in de 
legenden genoemd en door lofspraak verheerlijkt te worden. 
Kambi is van reusachtige gedaante, heeft vingerlange slag- 
tanden , zoekt de levenden van den regten weg af te brengen 
en de ligchamen der dooden te verslinden. Ook Kaloeê poogt 
vaak den mensch onheil te berokkenen, hem ziek te maken, 
zijn leven te verkorten, en zelfs na den dood zijne ziel op 
allerlei wijzen te folteren. Tot diegenen, welke de zielen der 
afgestorvenen verbeiden en langs den weg van het hemelsche 
paradijs ter helle trachten te voeren, behoort vooral de Koekang^), 
Ten einde zijne booze voornemens te verijdelen, moeten door 



249 

de Bilian'ê (zie U. 196), en bijzonder door den Maga lian^ 
d. i. zielen-geleider, onder het uitstrooijen van gewijde rijst, 
de uoodige bezweringen worden gedaan. 

Voorzeker verdient het onze opmerking, schrijft de Heer 
Hupe in zijne aangehaalde mededeeling, met welk eenen vloed 
van woorden de Dajaksche priesters hunne, met geduld en 
nieuwsgierigheid aangehoorde geschiedverhalen , soms geheele 
nachten door, neuriën of liever in een eentoonig geluid voor- 
zingen; vooral wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat 
dit gezang voor het grootste gedeelte slechts uit registers van 
namen en zaken bestaat, in eene taal, welke door hen niet 
eens verstaan wordt en die zij met den naam van hahasa San- 
gïang »'') bestempelen. — De vraag, uit welke elementen deze 
geheimzinnige taal wel bestaat, en tot in hoeverre zij van de 
eigenlijke volkstaal en de onderscheidene tongvallen der naburen 
afwijkt, wordt door genoemden schrijver niet beslist en biedt 
nog een uitgestrekt veld van onderzoek aan. 

Behalve het heir van goden en beschermgeesten , zoo denk- 
beeldig als zigtbaar door üampatong's voorgesteld , vereeren de 
Beadjoe's ook nog onderscheidene natuurvoortbrengselen uit 
het planten- en het dierenrijk. De Daj akker doet geen voetstap, 
zegt de Heer Hupe, zonder een bijgeloovig denkbeeld er aan 
te paren. De bijzondere groeiwijze van sommige boomen en 
het rammelend geluid hunner door den wind bewogene ta)cken 
en bladeren , het zien van een kreng «of de onverwachte ont- 
moeting eener slang, het ontwaren van zekere visschen, de 
vlugt of het gezang van zekere vogels : al deze en vele andere 
toevallige verschijnselen boezemen hem een levendig profetisch 
belapg in. Onder de vogelen, waarop die inboorlingen het 
meeste acht slaan, zijn ons bepaaldelijk de volgenden opge- 
geven: Trogon Duvaucelii en Diardii, Pitta atricapilla, Po- 
matorhinus montanus, Centropus philippensis , Arachnothera 
chrysogenys en longirostra , Alcedo madagascariensis en bovenal 
Talco (Haliaëtus) pondicerianus. Het zijn inzonderheid de onder- 
scheidene toonen van het stemgeluid van sommige dezer vogels , 
waaruit door hem, die ze hoort, de aankondiging van voor- 
of tegenspoed wordt afgeleid; van andere soorten dezer geve- 



250 

derde luchtliewoiiers , vooral der pijlsnel vliegende Arachuo- 
therae en van den zoo even geinelden kleinen, dikwerf hoog 
in de lucht zwevenden zeearend) zijn het de rigting en de ^ 
wiekslag, waar geluk en ongeluk aan verbonden zijn. Gunstig 
altijd is het voorteeken, wanneer de vogelvlugt van den AnUng 
(zie bl. £13) boven anderen, juist naar de streek is gerigt 
waar een reiziger henentrekt of eene zaak van gewigt te regelen 
valt. Minder gunstig, doch niet verwerpelijk is het, zegt de 
meermalen genoemde Christen-Zendeling Hupe, wanneer de 
Antang^ in plaats van dadelijk zijne vlagt derwaarts te nemen, 
vooraf boven het hoofd van den bezweerder eenige cirkels be- 
schrijft. Heeft men den vogel over eene andere onderneming, 
dan eene reis, te raadplegen, dan worden er, alvorens men 
een begin maakt met het uitstrooijen {menawar) van gewijde 
rijst-katan, twee tegenover elkander staande punten gesteld, 
en daarna de uitspraak gedaan. Met welk een blind bijgeloof 
de Daj akkers op dit orakel bouwen , kan blijken uit de volgende, 
door Kapitein Hendriks medegedeelde gebeurtenis 9«). In het - 
jaar 1836, bij gelegenheid eener militaire expeditie naar de 
Soengi Kahajan of zoogenaamde groote Dajak, ten einde van 
de bewoners dier streken voldoening te erlangen of hen te 
straffen, wegens het vermoorden van de tot het innen der jaar- 
lijksche hoofdgelden, door den Resident van Bandjermasin 
derwaarts gezondene personen , was die militaire magt tot op 
korten afstand de Kampong's genaderd, waar de vijand zich 
bevond, als de met ons bevriende en de expeditie verzeilende 
Dajaksche aanvoerders een zwaar hoofd begonnen te krijgen 
in het welslagen der onderneming, en aarzelden om verder 
voort te trekken en den vijand in de bosschen en andere schuil- 
hoeken op te sporen. De Besident Goldman, die den togt in 
persoon mededeed, den tegenzin der Dajaksche hulpbenden 
bespeurende, bereidde hen een feestmaal, gaf eenige varkens, 
een' buffel en vijftig kannen arak daaraan ten beste, en deed 
tegen den avond, ten einde de vreugde te veihoogen, eenvijf- 
en*twintigtal Bilian's ontbieden, die zich dan ook niet lieten 
wachten. Zijne vertrouwde bedienden hadden last, de handen 
dezer zangmeisjes te vullen en haar al de vermogens harer 



kunst te doen aanwenden, om de vrees der opperhoofden te 
verbannen en hen tot het voortzetten der onderneming aan te 
moedigen. Zoodanig middel werkt daar, als hier en elders, en 
had dan ook ten gevolge, dat reeds den anderen morgen alle 
weerbare Daj akkers zich bereid verklaarden, den vijand te 
gemoet te trekken , onder de uitdrukkelijke voorwaarde nogtans , 
dat dadelijk na hunnen aftogt de vogel Anóang geraadpleegd 
en de uitslag zijner voorspelling, door een tot dat einde ach- 
terblijvend opperhoofd, onmiddellijk aan hen medegedeeld 
zoude worden. Deze wensch werd ingewilligd. Het aangewezen 
opperhoofd sloeg onverwijld aan het werk en begon , onder een 
aanhoudend geprevel en het van tijd tot tijd uitstrooijen van 
een weinig raauwe rijst, den vogel te roepen. Er verliepen 
echter wel een paar uren, alvorens zich een Antang liet zien; 
eindelijk kwam er een* uit de verte aanvliegen en zweefde boven 
onase hoofden; doch vermoedelijk door de verzamelde menigte 
en de vreemde kostumes verschrikt, verwijderde hij zich langs 
den verkeerden weg, juist in eene tegenovergestelde rigting 
van onze uitgetrokken hulpbenden. Nu was goede raad duur. 
Hoe de angsten te overwinnen, daar onheil en tegenspoed, 
volgens de stellige meening van het opperhoofd , dat den vogel 
geraadpleegd had, onvermijdelijk waren, en het volk derhalve 
moest teruggeroepen worden P De Resident wist raad ; hij nam 
den man in zijn gevolg en beduidde hem, dat de zaak moest 
doorgezet worden , en hij dus beter zoude doen , met te berigteu , 
dat, ja, het voorteeken van den Antang wel niet in allen deele 
gunstig, doch ook niet zoo ten eenemale ongunstig was ge- 
weest, dat men de onderneming niet zoude kunnen wagen. 
Deze kleine list, door een geschenk in geld ondersteund, had 
het gewen«chte gevolg. Alles liep gelukkig af; onze wapenen 
behaalden eene volkomene zege; onderscheidene Kampong's 
werden achtervolgeus vermeesterd en verbrand, de belhamels 
der muitmakers aan ons uitgeleverd, en de kosten der expeditie 
door de bevolking vergoed. — Ten slotte nog een enkel woord 
over de bijgeloovige verrigtingen , welke bij het raadplegen 
van den Antang worden in acht genomen. De rijst, die in 
alle rigtingen en altijd in zeven worpen wordt uitgestrooid, 



252 

is raauw doch gepeld en tot het voorgestelde doeleinde gewijd » 
namelijk bewierookt, met welriekende olie besprenkeld en 
met betelbladen, geurige bloemen, ook wel met kleine Ham< 
patong^s overdekt. De Heer Hupe heeft eenige der gebeden, 
welke gewoonlijk tot den Antang worden gerigt , in de taal der 
Beadjoe's als voorbeelden medegedeeld en in het Nederduitscli 
verklaard 99). Die gebeden zijn zeer onbeduidend. Indien zich 
soms op den eersten dag geen Antang vertoont, dan wordt 
de plegtigheid den volgenden ochtend herhaald en zoo lang 
voortgezet, tot er eindelijk een komt opdagen. Is de uitslag 
der raadpleging de eerste ries niet gunstig, dan laat men 
meestal eene week of ook wel langeren tijd verloopen , eer men 
de proef, in hoop van betere uitkomst, hernieuwt. Het raad- 
plegen van den Antang geschiedt steeds door mannen; aan 
vrouwen, al zijn zij ook Bilian^s, is* zulks niet geoorloofd. 
Deze bezitten een ander en eenvoudiger middeltje ter bevre^ 
diging harer zucht , om den sluijer der toekomst op te ligten: 
zij nemen tot dat einde eene kokosnoot en splijten die zoodanig 
in twee gelijke deeleu, dat de vruchtkiem zich in het midden 
der eene helft bevindt. Nadat beide helften vervolgens weder 
vereenigd zijn; wordt de noot, onder het prevelen van vrome 
en geheimzinnige woorden, zoo lang over den grond gerold, 
tot dat zij weder van elkander valt. Geschiedt dit nu zoo, 
dat de kiem naar boven ligt, dan beteekent zulks geluk, en 
de voorspelling is vooral nog gunstiger, wanneer ook van de 
andere helft de binnenzijde naar boven gekeerd ligt. 

De afschuwelijke gewoonte van het zoogenaamde koppen- 
snellen, dat treurige overblijfsel der aloude tijden van men- 
schelijke wreedheid, hetwelk ook nog bij sommige halfwilde 
Alfoeresche stammen van Celebes en in de Molukken wordt 
aangetroffen — die barbaarsche gewoonte is in de, onder Ne- 
derlandsche heerschappij staande, Dajaksche landstreken van 
Borneo, thans grootendeels uitgeroeid. Langs de Doeson ten 
minste, tot op de hoogte van Lontontoer en in hare zijrivieren, 
zelfs in de Soengi Beadjoe, wordt thans bijna niet meer van 
koppensnellen gehoord. Ook worden de menschenoffers , die 
men voorheen bij het verbranden der lijken van voorname 



2Ö3 

Dajakkers plagt te brengen, thans alleen door die van buffels 
en varkens vervangen. — Menigvuldig zijn de gissingen aan- 
gaande den oorsprong van het koppensnellen. Dat dit oud en 
wreedaardig gebruik, gelijk men in alle beschrijvingen vindt 
aangeteekend , alleen daaraan zoude zijn toe te schrijven, dat 
geen jongeling op de hand ^an een meisje aanspraak kan maken, 
alvorens hij een menschenhoofd heeft te huis gebragt, en hij 
aldus een bewijs van zijne dapperheid heeft gegeven, wordt 
door alle verstandige Dajakkers tegengesproken. Volgens hunne 
uitlegging zoude het koppensnellen zijnen oorsprong voorna- 
melijk aan een godsdienstig beginsel verschuldigd zijn, hetzij 
ter vervulling eener gedane gelofte, hetzij om aan afgestorvene 
bloedverwanten, in den geest van het slagtoffer, eene soort 
van dienstbaar wezen te bezorgen. De aanzettingen der vrouwen, 
vooral der Bilian^s, hebben echter buiten kijf zeer veel invloed 
op die bloedige bedrijven. Deze openbare zangeressen toch, 
zwaaijen gedurende de vermakelijkheden, die na het snellen 
plaats hebben, aan den held of de helden van het feest den 
uitbundigsten lof toe en roemen hen met vleijende woorden als 
navolgenswaardige voorbeelden. Zulke loftuitingen prikkelen de 
eerzucht der overige mannen ten sterkste, vervullen hen met 
naijver, ontvlammen hunnen strijdlust en wekken hen op, weldra 
evenzeer hunne dapperheid te toonen, ten einde op eene gelijke 
eer aanspraak te mogen maken. Heeft een Daj akker zoodanig 
voornemen opgevat, dan trekt hij uit, bij voorkeur naar een 
vijandelijk distrikt, en tracht, op eene verraderlijke wijze, een 
mensch te overvallen en hem het hoofd af te slaan. Ouderdom 
noch kunne worden daarbij ontzien; het is den sluipmoorde- 
naar alleen om een menschenhoofd te doen, en heeft hij dat 
verkregen, dan ijlt hij, opgewonden van blijdschap, naar zijne 
woning terug. Da^r is hij zeker, dat zijn lafhartig bedrijf, als 
eene daad van moed door oud en jong wordt bewonderd, en 
dat hem de streelendste eerbewijzen van vreemden en bekenden 
zullen te beurt vallen. Het menschenhoofd wordt midden in 
een ruim vertrek op eene mat geplaatst, waarna weldra een 
aantal Bilian^s verschijnen, die onder het aanheffen van ge- 
zangen, allen heldhaftige daden ten onderwerp hebbende, te 



^54 

gelijk met den kopsneller, welke bij die gelegenheid met slag- 
zwaard en schild gewapend en met eene krijgsmuts is uit- 
gedost 100^, rondom het hoofd dansen. Deze feesten duren meestal 
verscheidene dagen , alswanneer ten slotte de schedel , na eenigzins 
van de vleeschdeelen ontdaan en afgewasschen te zijn , 6f binnen 
het huis bewaard, bf daar buiten «opgehangen, bf wel op een 
hoogen paal (ParUar) ten toon gesteld wordt. Kapitein Hendriks 
verzekert, in zijn aangehaald verslag, dat het in de Soengi 
Kahajan niet vreemd is, soms 100 — 150 menschenschedels in 
één huis te vinden. De Dajakkers hechten aan dusdanige schedels 
niet minder waarde, dan de inboorlingen van Timor en de 
Alfoerezen van sommige streken op Celebes en elders, en be- 
schouwen ze als zoovele roemrijke gedenkstukken hunner dap- 
perheid , welke evenzeer tot sieraad der huizen en dorpen , <ils 
ter eere en glorie der ingezetenen verstrekken. 

De wapenrustingen der Bejadjoe's verschillen ;8lbchts weinig , / 
on alleen in enkele niet noemenswaardige kleinigheden, van 
die der andere Dajaksche stammen. Hunne gebruikelijke wapens 
bestaan: in het slagzwaard (mcmdau)^ het schild {talawang)^ 
het blaasroer [dpet) , dat, van eene ijzeren spies voorzien , tevens 
tot lans kan dienen, en den pijlkoker {telep), met vergiftigde 
pijltjes; terwijl zij daarenboven nog in het bezit zijn van ge- . 
wone lansen, en van de zoodanigen met twee of drie punten, 
tot het steken van visch; voorts van groote kapmessen en 
bijlen , en eindelijk van onderscheidene tweesnijdende zwaarden 
en dolken. Eene aloude en vrij zeldzame soort van groote dolk, 
doekong genaamd, waarvan het gevest fraai bewerkt is en uit 
ivoor bestaat, is baarblijkelijk van vreemden oorsprong. Een 
andere kleine dolk, met een .kort en breed lemmer, is bij de 
Bejadjoe^s onder den naam iloem, en bij de Doesonezen ondor 
dien van sadoep bekend ; het gevest van dit geliefkoosde huis- 
wapen bestaat dikwerf uit hertshoorn. De mandau of zooge- 
naamde koppensneller, waarvan het gevest meestentijds uithard 
hout of buffelhoorn, somwijlen echter ook wel uit been ver- 
vaardigd en dikwerf met eenig snijwerk en bundels raenschen- 
hair is opgezmukt, terwijl de kling aan de eene breede zijde 
(de regte) een weinig bol en aan de andere flaauw hol is, wordt 



255 

gewoonlijk eenigzins schuins naar achteren, door middel van 
ecm' gevlochten band van rottingriet , plat tegen de linker henp 
vastgebonden , ^ïijnde de scheede meestal van zacht hout gemaakt 
en hebbende aan de buitenzijde nog eene afzonderlijke, kleinere 
scheede, uit oude blad- of bloemstenghulsels der pinang- of 
nibongpalmen bestaande, en bestemd voor een ianggesteeld 
mesje, dat tot het snijden der blaaspijltjes , het splijten van 
bindrotting, het vlechten van matten en diergelijken gebezigd 
wordt. Nog een ander tweesnijdend en zeer puntig moord- 
werktuig, evenzeer tot het houwen als tot het steken geschikt, 
draagt den naam hajau. Bij een door ons medegebragten bajau^ 
prijkt het beenen gevest met insnijdingen en bosjes menschen- 
hair, terwijl van den band der scheede een zestal tanden af- 
hangen , zoo van ktokodillpn als van den langgest aarten panter 
(Felis macrocelis), die den Daj akkers tot amuletten verstrekken , 
voerende zij gaarne diergelijke voorwerpen bij zich ; vooral 
wanneer zij op het kopsnellen of stroopen uit gaan. De pijl- 
koker, uit bamboesriet, is gewoonlijk met eenige banden van 
fijne rottingdraden omwonden en met roode en zwarte ringen 
versierd; de harde dop van eene wilde vrucht strekt hem tot 
deksel, en een krom gegroeid takje, waaraan de koker ter regter 
zijde van het lijf in den gordel gehangen wordt, tot haak. De 
pijltjes, dameh genaamd, van welke er steeds eene zekere hoe- 
veelheid in den koker voorhanden zijn en die uit een roer 
worden geblazen, bestaan in ronde pennen van bamboesriet, 
ter lengte van 0,25 of 0,26 m.; aan het einde dezer pennen 
bevindt zich een langwerpig en naar achteren allengs dikker 
wordend hoedje {bimbinff dameK) van boommerg (meestal uit 
den zachten en ligten wortel van den struik Hanjaloedoeng 
vervaardigd), terwijl het pijltje naar voren bf eenvoudig spits 
uitloopt , bf met eene afzonderlijke lancetvormige punt [ianggiri) 
van geel of rood koper, ijzer of droog bamboes verlengd is. 
Het vergif, waarmede de punt der pijltjes bestreken wordt, is 
van tweeder lei aard en sireu en ipoe geheeten. De laatste soort 
wordt voor minder sterk gehouden dan de eerste. Beide worden 
op verschillende wijze bereid en van verschillende zelfstandig- 
heden zamengesteld. Het siren wordt uit het melkachtige sap 



256 

van een^ zeer hoogen en zwaren boom verkregen , door middel 
van insnijdingen, welke tot dat einde de schors ondergaat. 
Het ipoe daarentegen wordt uit de wortelen, den bast en de 
bladeren van eene groote slingerplant gekookt , die ter zuidkust 
van Borneo niet zeldzaam schijnt te wezen, terwijl de PoAon 
dren alleen in sommige afgelegene binnenlandsche streken zoude 
gevonden worden. Of deze beide gewassen al dan niet soortelijk 
onderscheiden zijn van den Javaanschen Strjchnos tieute en 
Antiaris toxicaria, kunnen wij niet beslissen loi). Volgens de 
getuigenis der inboorlingen wordt in de zuidelijke deelen van 
Borneo, tot het vergiftigen der blaaspijlen, het meest ipoe 
gebruikt. De Banjerezen noemen deze gifsoort meer bepaald 
raloeê, ofschoon zij onder dezen naam ook dikwerf plantengif 
in het algemeen verstaan. De Dajakkers bewaren het ipoe en 
siren, in een stuk palmblad gewikkeld, soms langen tijd, en 
deze giften vertoonen in dien gedroogden staat eene donkere, 
zwartbruine, eenigermate naar drop gelijkende, en ook even 
harde, massa; somwijlen echter zijn zij weder meer broos en 
aardachtig. Een daarmede vergiftigd pijltje, met vaardigheiden 
kracht uit een roer geblazen, brengt, op 30 — 40 schreden, 
vooral aan de niet door kleediug beschutte ligchaamsdeelen, 
eene zeer gevaarlijke wond te weeg; doch op grooteren afstand 
treft het pijltje zelden met genoegzame kracht, om schadelijke 
gevolgen te veroorzaken. Het blaasroer, bij de Beadjoe's êipet 
geheeten, is van eene harde houtsoort, 5 of 6 voet lang, aan 
het achtergedeelte dikwerf met metalen stiftjes of schildpad 
versierd, en van voren met rottingriet omwikkeld, tot vast- 
zetting van eene ijzeren spies , die tot piek verstrekt. Tot af- 
wering der pijltjes, der lanssteken en zwaardslagen, tijdens een 
gevecht, is den Daj akker zijn houten schild, talawang, de 
lengte hebbende van 3 voet 6 — 8 duim , bij 1 voet 2— 3 duim 
breedte, van veel nut en dienst. Buitendien dragen de aan- 
voerders en voorvechters in den oorlog eene soort van tabbaard, 
uit een 4 — 5 voet lange en omtrent 7 duim breede strook 
boombast bestaande, rondom met rood gekleurd linnen geboord, 
aan de beide uiteinden met bundels menschenhair getooid, en 
van boven digt bezet met witte, knoopvormige schijQes, ter 



257 

grootte van een kwart-, tot die van een geheel guldenstuk. 
Deze' schijfjes, geslepen uit de deksels en, naar het schijnt, 
gedeeltelijk ook uit de storape punten van zeehorens, hoofdza- 
kelijk van de geslachten Turbo, Trochus en dergelijken, zijn 
in vijf of zes overlangs loopende reeksen geschikt, en met de 
mondgedeelten van kleine witte horens bezoomd. Midden in 
(leze, aldus uitgemonsterde strook, is een langwerpig gat , waar 
het hoofd wordt doorgestoken , zoodat het versiersel van aciiteren 
langs den rug en van voren over de borst en den buik afhangt 
en eene soort van harnas vormt, door hetwelk geen vergiftige 
pijl kan heendringen. Het tijd en geduld vereischende slijpen 
der schelpschijven, verhoogt de waarde van dit versiersel aan- 
merkelijk, kostende een fraaije karoengioeng soelau of sang- 
iaroeiy zoo als wij het verschillend hebben hooren noemen, 
gewoonlijk ƒ 40 — 50, en soms meer. Veel beter koop is echter 
een soortgelijke wapenrok of karoengkoeng ^ wanneer die een- 
voudig uit de gedroogde huid van den langgestaarten panter 
(Felis macrocelis) of uit die eener geit is vervaardigd. Op reis 
of ten oorlog bedekt de Dajakker ook gaarne het achterdeel 
met een vierkant matje of stuk behaird dierenvel , bij voorkeur 
van den genoemden panter of van den Maleischen beer (Ursus 
malayanus), welk voorwerp om de henpen wordt vastgebonden 
en hem alsdan tevens tot zitmat strekt. Bij de opperhoofden 
en voorvechters is de bovenste helft somwijlen met plat geslepen 
Ttirbo-deksels en langs de kanten met bundels menschenhair 
getooid. 

B^ de Daj akkers maken beide seksen , doch vooral de mannen, 
een slechts zeer spaarzaam gebruik van kléedingstukken , welke 
voor alsnog, grootendeels uit eigen maaksel bestaan. Over de 
stoifen en kleuren hunner weefsels , waarin slechts weinig verschil 
bij de onderscheidene stammen wordt waargenomen , is door ons 
reeds het een en ander aangeteekend. Die grove, door de vrouwen 
vervaardigde stoffen, worden ook het meest tot baaitjes {ka- 
lambi) en sarong^s {saleuï o{ karampoeroeng) door h^^r gehezigi. 
Hare sarong^s of zakvormige rokken, in welker plaats zij 
dikwerf een ter zijde niet digtgenaaid kleedje dragen, zijn 
kort en naauw: zij reiken slechts tot even onder de knie en 

17 



258 

hebben niet meer dan anderhalf, of hoogstens twee voet wijdte, 
hetgeen de beweging der beenen zeer belemmert en tot eene 
soort van trippelgang aanleiding geeft. Boven dit kleedje, op 
de heupen, dragen de vrouwen der Beadjoe's eene hoeveelheid 
hoepels van gespleten en door drakenbloed rood geverfd rot- 
tingriet, Uniong genaamd, en somtijds ook een^ uit schakels 
van geel koperdraad vervaardigden lijfband , mmpoelong geheeten. 
Hare voorarmen versieren zij, even als de mannen, gaarne met 
een aantal geel koperen ringen 102) of, bij gemis van zoodanige, 
roet ringen van schelpen , of alleen van gevlochten bindrotting. 
iJe houten rolletjes {soewang)^ welke door haar in de ooren ^ 
worden gedragen, verschillen van die der mannen alleen daarin, 
dat zij kleiner en vaak aan den voorkant met een dun plaatje 
goud belegd zijn. Rond haren hals prijken dikwerf snoeren van 
witte, roode of zwarte vruchtpitten, niet zelden met kralen 
afgewisseld; de meeste waarde hechten zij intttssehen aan zekere 
kornalijn-steenen , lameang genaamd, die twee of drie dnim 
lang en zes- of achtkantig geslepen zijn ; afwisselend met gouden 
balletje tot kettingen geregen, zijn zij als hatsversdersel ook 
door de mannen sseer gezocht. Deze kornalijnen zijn waarschijnlijk 
meeren deels in vroegeren tijd door Arabische en andere vreemde 
handelaren daar ingevoerd; de Beadjoe's verzekeren, hen van 
Mekka te hebben ontvangen. Eindelijk verdienen ook de ver- ^ 
bazend groote, doch zeer ligte hoeden (tanggoi)^ welke voor- 
namelijk door de vrouwen, ter beschutting tegen de zonne- 
stralen , worden gedragen , eene bijzondere vermelding. Zij zijn 
gewoonlijk van het blad des nipapalms, meestentijds uit tanrelijk 
bréede, van het midden naar den rand uitloopende reepen 
zamengesteld ; somwijlen ook geheel, meer evenwel slechts 
gedeeltelijk, uit smalle, biesvormige blad- of grasreepen gevlochten. 
Yan boven zijn de hoeden hf eenkleurig rood, 5f met zeer 
bonte verwen , door langs- en dwarsstrepen en ringen , sterren, 
ruitjes enzv. met drakenbloed beschilderd, terwijl daarenboven 
ook, door opgenaaide kleine witte horens , nog ringen , sterretjes 
en andere figuren zijn gevormd, en midden op den top zich 
een dikke kwast verheft van boombastvezelen of verdord gras. 
De versierselen, waarmede zich de mannen tooijen, hebben ^ 



259 

wij voor het grootste gedeelte reeds genoemd en beknopt be- 
schreven. In het riagelijksche leven gaan de mannen genoegï^aam 
naakt. Eene lange en min of meer breede strook boombast om 
(Ie lenden, tusschen de beenen doorgehaald en met eene slip 
van voren afhangende, mitsgaders eene strook, boombast of 
linnen om het hoofd, tot het vasthouden der haren, die beide 
seksen gewoonlijk lang laten groeijen, zijn hunne eenige klee- 
dingstnkken. Bij de Dajakkers van Siang, in het verwijderde 
binnenland, en bij die, welke de boorden der Kapoeas , Kahajan 
en van andere verder westwaarts , in de Sunda-zee uitstroomende 
rivieren bewonen; gedeeltelijk, ofschoon minder algemeen, ook 
bij de Beadjoe's van Poeloe-petak , wordt het gemis van klee- 
ding, voor 5!Oo verre deze in een heet klimaat, niet zoozeer 
tot verwarming, als wel tot opschik strekt, bij de mansper- 
sonen door eene levenslang durende en onuitwischbate ver- 
fraaijing van het ligchaam zelf, door het tatoeëren vervangen. 
Over de Dajakkers van Siang hebben wij dienaangaande reeds 
een paar woorden gezegd (zie bl. 190). Wij zullen er hier 
nog eenige weinige bijvoegen over den aard der teekening en 
de wijze der kunstbewerking , bij den volkrijken stam der Be- 
adjoe's. De tatoeëring bepaalt zich ook bij hen, even als bij 
alle Dajaksche stammen, zoo verre ons bekend is, uitsluitend 
tot het mannelijke geslacht, en wordt bij den jongeling eerst 
met het twaalfde of veertiende jaar in praktijk gebragt. Zij 
begint gewoonlijk met verschillende figuren op de kuiten, de 
armen en de borsi De kuiten worden met eene groote hatt- 
voAiige vlek bedekt; de hoogere ligchaamsdeelen met verschil- 
lende, op arabesken gelijkende figuren versierd , welke teekening 
van lieverlede al verder over de borst, den rug, de armen en 
de dijen wordt uitgebreid, zoodat er eindelijk het geheele 
ligchaam mede bedekt raakt; zulks heeft echter zelden plaats 
vóór het 25 of 30'** levensjaar. Het aangezigt, de handen en 
de voeten blijven ondertusschen vrij. Het aangezigt van den 
Dajakker vertoont nooit eenig speur van tatoeëring; doch van 
de kin af tot op de enkels is niet zelden het geheele ligchaam, 
voornamelijk dat der opperhoofden, op deze zonderlinge wijze 
met eene zwart-blaauwe teekening overdekt. Aan den hals, het 



260 

achterdeel en laags de scheenen ziet men dikwerf evenwijdig 
loopende strepen, of wel pijl- en zigzagvormige lijnen, welke 
laatste elkander somwijlen in het midden doorsnijden en lang- 
werpige vierkanten vormen. Wat de kunstbewerking betreft: 
tot deze bezigen de Beadjoe's een geel koper staaQe , ter lengte 
van een* vinger, dat aan het eene einde krom gebogen en 
spits is afgevijld. De persoon, welke tatoeêert, houdt dat 
werktuig, toetang geheeten, aan het regte uiteinde, tusschen 
den duim en den wijsvinger vast, en klopt er op met een stokje 
van ijzer- of ander zwaar hout, ter lengte omtrent van een' 
voet en ter dikte van een' mans pink, met zulke korte en 
zachte slagen , dat het scherpe puntje slechts even door de huid 
dringt, en er een weinig bloed te voorschijn komt. Ten einde 
te verhoeden, dat het werktuig dieper indringe dan noodzakelijk 
is, wordt het ruim eene halve Ned. lijn beneden de punt, roet 
een' draad garen omwikkeld. Wanneer de gewenschte figuur op 
de huid is ingeprikt, wordt zij niet het roet van damar tam- 
poerebi dat met een weinig water tot eene zwarte verf is aan- 
gemengd, behoorlijk ingewreven. Er ontstaat alsdan eene ligte 
ontsteking en een dun vlies , dat na verloop van eenige dagen 
losraakt en het onuitwischbare beeld in de huid achterlaat. 

De Beadjoe's lo^) zijn een schoon slag van menschen , vooral 
wat de mannen betreft, die door hunne middelmatige grootte, 
hun welgevormd ligchaam , aangename gelaatstrekken en vlugge 
houding, in het oog vallen en aan dit gunstig uiterlijk een 
gezond verstand en veel gevatheid paren. .Zij weten de regten, 
volgens hunne instellingen en begrippen, meesterlijk te #r- 
dedigen, en hunne redeneringen door een' vloed van woorden 
te schragen. Van aard zijn zij levendig, arbeidzaam, vast 
besloten bij ondernemingen, volhardend en koen bij de uit- 
voering. Er is niet één bedrijf, waartoe zij geene geschiktheid 
aan den dag leggen en waaraan zij zich niet gaarne overgeven, 
wanneer zij slechts meenen er eenig voordeel uit te kunnen 
halen. Even als de inboorlingen van Rotti en Sawoe door 
naarstigheid en goeden wil boven alle overige inlanders der 
Timorsche eilanden-groep uitmunten, en uit dien hoofde, door 
de altijd berekenende en winstbejagende Chinezen, me-er dan 



£61 

anderen tot werklieden en huisvrouwen gezoclit zijn, en om 
dezelfde redenen , waarom de Chinezen te Padang en Benkoelen 
ter westkust van Sumatra, zich het liefst van Niassers voorzien, 
even zoo nemen de Chinezen te Bandjermasin bij voorkeur 
Dajakkers in hunne dienst en kiezen zij liever uit dat volk 
hunne levensgezellinnen , dan uit de Banjerezen. De Dajaksche 
vrouwen zijn in het algemeen klein , missen het bevallig uiterlijk 
der mannen, en alle aanspraak op den titel van het //schoone 
geslacht.^/ Zij worden echter voor getrouwe echtgenooten ge- 
houden en paren in het algemeen aan eene zedige en inge- 
togene levenswijze eenen werkzamen aard en veel natuurlijke 
schranderheid. — Over de heerschende ziekten bij de Dajakkers 
ter zuidkust van Borneo, en de middelen, welke zij tot gene- 
zing bezigen, bevat het Tijdschrift voor Neêrlands Indië 
onderscheidene mededeelingen , tot welke wij kortheidshalve 
verwijzen lo*). De Bilian's spelen natuurlijk daarbij eene hoofdrol, 
en zonder hare medewerking zoude 'geen zieke zijne gezond- 
heid kunnen terugkrijgen. Alhoewel hare behandeling fborna- 
melijk in sjmpathetische kuren bestaat, dienen zij den kranke 
nogtans ook wel gestampte bladen, wortelen en uit kruiden 
gekookte dranken toe, en knijpen of drukken zij zijne lede- 
maten, enzv. 

De gezamentlijke bevolking van Poeloe-petak , of van den 
breeden riviertak, welke de Doeson met de Kapoeas verbindt, 
wordt op omtrent 4000 zielen geschat. Vroeger, namelijk 
vóór 1880, woonden deze Beadjoe's gedurende vele jaren een 
eind lager en digter bij de zee, aan de boorden der Antassan 
Loepak. Op die wijze verhuizen zij nu en dan in massa, wan- 
neer de grond , dien zij bewonen en bebouwen , ophoudt vrucht- 
baar te zijn, of dat het onkruid er de overhand verkrijgt en 
er geene bosschen meer in de nabijheid zijn , geschikt tot het 
ontginnen van nieuwe velden. De Beadjoe's drijven wel eenigen 
handel, hetzij in ruwe, hetzij in door hen bewerkte stoffen, 
onder welke vooral bindrotting en fijn gevlochten rotting- 
matten in aanmerking komen; hun hoofdbestaan echter is de 
rijstbouw. Behalve de daartoe benoodigde gereedschappen, zoo 
als bijlen en kapmessen, die wij reeds opgegeven hebben, ge- 



^ 



262 

brailen zij ook uog eeii' zwareu ijzeibouteu stok, goetoeng- 
goeloeng geuaaznd, tot het zaaijen en poten van rijst, bataten 
enzv. In de binnenwateren bedienen zij zich van yerschilleude 
soorten van lansen, met weerhaken of, als eene vork, met 
twee of drie punten voorzien, tot het steken van visch. Ver- 
reweg de meeste visch wordt echter met netten en door middel 
der reeds vermelde afdammingen gevangen. Varkens en buffels 
dooden zij met lansen , waarvan de ijzeren spies dikwerf zeer 
breed is. Daarentegen zagen wij ook zeer ligte werpspiesen eD 
meer andere soorten van pieken bij hen, die zij sJs ooriogs- 
en speelwapenen bezigen , en bij hen verschillende namen dragen , 
al nttarmate de ijzeren spiezen lang en smal, of kort lancet- 
vormig, dan wel breed, of van weerhaken voorzien zijn. Hunne 
muzijkinstrumenteu bestaan in de gong , of in metalen bekkens, 
die zij van vreemde handelaren ontvangen ; voorts in de lange, 
kokervormige tambourijn der Bilian's (zie bl. 191) , in twee 
soorten van blaasinstrumenten, een van welke gelijkenis heeft 
met onze hoboë en bij de Beadjoe^s den naam van seroenai 
draagt, terwijl het andere, ^(^/^^^ geheeten , groote overeenkomst 
bezit met zekere orgelfluit der Chinezen en Japaners. De seroenai 
is nit zacht hoat vervaardigd; de godeh bevat zes bam- 
boezen pijpen, welke door middel van damar tampoereb in 
eene uitgehoolde kalebas zijn vastgezet : dit instrument , hetwelk 
door de uitstekende tuit der kalebas wordt bespeeld, zal 
vooral bij de Dajak Pari zeer zijn gezocht en hunnen krijgs- 
moed aanvuren. Groote trommels {ganiang'ë)^ uit een uitge- 
hoold stuk boomstam bestaande en waarvan de eene opening 
met het onbereide vel van een hert of van een' bufiel is over- 
trokken, worden somtijds bij feesten, meer echter tot het slaan 
van alarm in de dorpen gebezigd. 

Opmerkenswaardig is de bijzondere bedrevenheid der Dajakkers 
\n allerlei vlechtwerk, als van mandjes, matten enzv., uit rot- 
ting- en bamboesriet, pandanus- en andere blad- en bies-soorten. 
De rottingmatten , vooral de fijn bewerkte, behoeven slechts de 
gunst der mode en eene andere verwstof voor het rood , dan het 
drakenbloed, dat door het daglicht verbleekt, om ook op de 
Europescfae markt aftrek te vinden 105). Wanneer deBeadjoe's 



263 

de velden of de bosschen gaan bezoeken, hebben zij gewoonlijk 
manden op den rug, die aan een' band over den schouder ge- 
dragen worden; de manden der mannen zijn rond en niet vast, 
maar wijd of doorzigtig uit rotting gevlochten en worden ram- 
bat genoemd; die der vrouwen daarentegen digt , plat en breed, 
en meestal op verschillende wijze rood , geel en zwart geverwd; 
deze dragen den naam van boeta. Andere soorten van mandjes 
der Dajakkers van Foeloe-petak , Kahajan en Soengi Sampit 
bestaan veelal uit een dubbel vlechtwerk , inwendig van rotting 
of bamboes, uitwendig van een rietachtig gras; zij zijn van dek- 
sels voorzien en worden tot het bewaren van kleedingstukken 
en allerlei snuisterijen gebezigd. Ook bezitten de Dajakkers 
zeer nette waaijers, waarmede het vuur wordt aangewakkerd. 
Als voorbeeld van sierlijk snijwerk in hout, van deze zooge- 
Daamde wilden, moge de deur strekken,door onsin de Ver Aan- 
delingen y Land- en Volkenkunde PI. 61. fig 16. afgebeeld, 
en kan, in zeker opzigt, ook fig. 4. van PI. 61. in hetzelfde 
werk, worden aangehaald, een tijgerachtig dier voorstellende. 
Bit dierenbeeld, op een twintigste der natuurlijke grootte ge- 
teekend , stond even buiten de palissadéring van het versterkte 
gehucht Lawang-ampat (of Lawang-amat) , in het hoogere ge- 
deelte der Soengi Kapoeas. Volgens eene aanmerking van den 
Overste von Henrici, hield het dier, dat baarblijkelijk met veel 
vlijt en moeite in hout was uitgesneden, met zijne voorpooten 
eene groote slang bij den bek vast. In dezelfde Kampong vond 
men een zevental hooge PcmtarSy uit 2 of 3 op elkander ge- 
zette boomstammen bestaande en met menschenhoofden , zoo het 
heette van Dajak Pari, pronkende. Nog hooger in de Kapoeas, 
binnen de westelijke zijrivier Taran, bij de volkrijke Kampong 
van dien naam, zag de Heer van Henrici zelfs achttien soort- 
gelijke, op scheepsmasten gelijkende palen of Pantar's , voor het 
ten toon stellen van afgeslagen menschenhoofden bestemd. Na 
de vlagtige vermijding van deze verschillende voorwerpen , 
mogen wij ten slotte niet vergeten, nog een paar woorden te 
zeggen over de bij de Dajakkers gevonden wordende uitgehoolde 
kalebassen , tot watervaatjes [balo asik) dienende ; ov<*r hunne ligt 
te behandelen roeispauen {bessei) en vooral over zekere aarden 



264 

potteu, die bijden Dajakker van Poeloe-petak en Kahajan voor 
de kostbaarste menbelen gehouden worden, en waarin zijn 
grootste rijkdom bestaat Deze potten worden, naar hunnen 
vorov en versieringen, in drie klassen verdeeld: Balanga^ Ha- 
limau en PraAan genaamd io<^), welke ieder weder in manne- 
lijke en vrouwelijke worden onderscheiden. In vorm gelijken zij 
naar zekere Japansche potten ter bewaring van drinkwater, 
olie enzv.; hanne kleur is bruin en zij zijn van buiten en van 
binnen verglaasd. Hetgeen hun de meeste waarde bijzet, zijn 
de gedrogtelijke hagedisachtige dieren of draken , die met meer 
andere versierselen van bijgeloof, in eenigzins verheven werk, 
den dikken buik van den pot omgeven. Het kostbaarst van 
allen is eene soort, Balanga genoemd , welke vaak met /2000— 
/3000 het stuk betaald wordt. Een door ons gemeten Balanga 
had 0,70 meters hoogte, terwijl zijne dikte, in het midden, 
0,48, en de wijdte van zijnen mond 0,24 bedroeg. De twee 
phantastische dieren , beide naar denzelfden kant ziende , hadden 
aan iederen poot drie kromme klaauwen; aan den eenigzins 
naauwen hals van den pot, ontwaardde men een^ half verheven 
ring, en onder de draken, zigzag-lijnen. De tweede soort, 
of Halimau^ welke op eene waarde van tusschen de/800 en/1500 
wordt geschat, verschilde in grootte en maaksel slechts weinig 
van den Balanga^ behalve dat aan den bals de ring ontbrak, 
en de teekening van den romp een meer schubachtig aanzien 
had. Hetzelfde geldt van den PraAan, bij welke potsoort daar- 
enboven de pooten der draken met vier klaauwen gewapend 
zijn. De prijs van deze soort is tusschen de /200 en /500. 
Ook merkten wij eenige potten op, welke, in plaats van met 
twee langgestaarte draken, met vier kleinere, gecko-achtige 
dieren prijkten. Men zeide ons, dat dit vrouwelijke potten 
waren, waarvan de prijs van/ 100 tot / 80 O verschilde. Van 
een' dezer, door ons gemeten, was de hoogte 0,68 , de grootste 
dikte van den buik 0,44, en de wijdte der mondopening 0,22 
meters. Uit welke landstreek van Achter-Tndië die potten 
weleer op Borneo zijn ingevoerd, hetgeen ongetwijfeld reeds 
eeuwen is geleden, zijn wij niet in staat, met zekerheid te 
kunnen opgeven. De Daj akkers verhalen, benevens vele won- 



265 

derbaarlijke fabelen, ook dit van hen, dat zij ten tijde van 
Modjopahit uit Java zijn overgebragt, en thans niet meer ver- 
vaardigd kunnen worden. De daarop voorkomende gedrogtelijke 
afbeeldsels van dieren hebben min of meer gelijkenis met die 
op sommige oude munten van Cochinchina en Siam , alsmede 
met zekere draken van China en Japan. Meer dan eens hebben 
de Ghinesche kooplieden van Bandjermasin soortgelijke potten 
uit hun vaderland doen ontbieden en getracht hen aan de 
Beadjoe's voor echte te verkoopen , doch de proef is altijd 
mislukt, daar de inboorlingen zeer goed de nieuw nagemaakten 
van de ouden weten te onderscheiden. Deze gaan als de kost- 
baarste erfstukken van de ouders op de kinderen over. Wij 
hebben zulke potten gezien, waaraan stukken ontbraken, of 
die zwaar gebarsten en met koperdraad of bindrotting bij el- 
kander gebonden waren , en in weerwil hiervan op eene waarde 
van, /lOOO of / 1200 geschat werden. De Beadjoe's bewaren 
deze potten in het binnenste en veiligste gedeelte hunner 
woningen en stellen hen alleen bij feestelijke gelegenheden , in 
rijen langs de wanden van het vertrek, waar de menigte zich 
verzamelt, ten toon, als zoo vele bewijzen van hunnen rijkdom 
en om zich daardoor invloed en aanhang te verschaifen. 

Varkens, hoenders, eenden en honden behooren tot de huis- 
dieren, waar de Beadjoe's het overvloedigst van zijn voorzien. 
De buffel is daar, wegens schaarschheid van voedsel, niet 
menigvuldig; hij is duur en strekt alleen ter slagting ten tijde 
van bruiloften, geboorten, sterfgevallen en andere feestelijke 
gebeurtenissen. Ten einde ons bezoek door eenige volks verlusti- 
gingen te kenmerken, lieten wij een' kleinen, witten buffel 
slagten, waarvoor men ons ƒ 30 zilver afvroeg. Het opperhoofd 
van de kleine Dajak of Soengi Beadjoe, een dienst vaardig en, 
naar het scheen , zeer zachtzinnig man , die evenwel den groot- 
schen naam van Singa Nagara, d. i. leeuw van het land, 
voerde, en zijn verblijf in de Kampong Indjaman hield, 
voegde er nog een varken bij, ten einde de talrijke gasten, 
welke in zijne woning bijeenkwamen, eens regt feestelijk 
mogten onthaald worden. Er waren 27 Bilian's bij tegen- 
woordig, die allen naast elkander, in eene rij op den vloer 



!^66 

van het ruime vertrek nederzaten, onder het getokkel op hare 
katanü>oeng*8 , luidkeels zongen , en nu en dan eeue teug arak 
of wel toeakk kaéan ^^'^) gebruikten, waardoor zij meer en 
meer in vuur geraakten, de verbeeldingskracht opgewekt en 
de improvisatien der voorzangster stouter en vrijmoediger 
werden. Op onze aanwezigheid zinspelende, zongen zij, dat 
wij geheel onverwacht verschenen waren en haar , gelijk Tempm 
iehn^ verrast hadden; dat onze komst de gezamentlijke be- 
volking der Oio Ngadjoe onuitsprekelijk verheugde en haar tot 
groote eer verstrekte , enzv. Het feest duurde schier den geheelen 
nacht onafgebroken door , e» niet weinige van de vijf- of zes- 
honderd gasten, die daaraan deel hadden genomen, waren den 
volgenden ochtend half beschonken, sommige Bilian's daarvan niet 
uitgezonderd , welke daarenboven meerendeels zoo heesch waren 
geworden, dat zij slechts ter naauwernood geluid konden geven. 
Na vier dagen bij de Beadjoe's van Poeloe-petak vertoefd 
te hebben, zeiden wij hen vaarwel en aanvaardden den terugtogt 
, naar Bandjermasin , alwaar wij den 1"^'^'^ October 1836, na 
eene afwezigheid van 42 dagen, welbehouden aankwamen. Wij 
verlaten hiermede in onze beschouwing het uitgestrekte gebied 
der alluviale gronden, met zijne tallooze moerassen, meren en 
rivieren, met zijne ontzaggelijke wouden, en de belangwek- 
kende Dajaksche bevolking, zoo dun over dat onmetelijke 
vlakke land verspreid. Ten aanzien der Soengi Kapoeas en 
Soengi Kahajau of Oroote Dajak, zijn wij niet in staat eenige 
berigten van aanbelang te kunnen mededeeleu, daar de aau- 
teekeningen des Heeren von Henrici, betrekkelijk de eerstge- 
melde rivier , tot ons leedwezen te arm zijn aan wetenschappelijke 
bijzonderheden , terwijl de Soengi Kahajan , zoo min door hem 
als door ons is bezocht geworden. De kennis van den loop dezer 
rivier , zoo als die op onze kaart staat aangewezen , is men aan 
de lofwaardige bemoeijingen van andere, wij weten niet Juist 
van welke , militaire of civiele , ambtenaren verschuldigd. Voor 
het overige zijn beide die aanzienlijke stroomen, de Kapoeas en 
Kahajan . weinige jaren na ons door Dr. Schwaner bereisd ge- 
worden , en de vruchten zijner nasporingen in zijn door ons meer- 
malen aangehaald werk te vinden , tot welk wij hier verwijzen. 



267 



m. 



BSIS DOOll ££N G£I)BELT£ DER SULTANS- £N ZOOG£NAAMD£ LAWUT- 
LANDEN, T£N OOSTEN £N Z01D-0OST£K ¥AN D£ HOOFDPLAATS 

BANDJ£BMASIN. 



Nadat onze verzamelingen van planten en dieren, die reeds 
aanmerkelijk waren aangegroeid en vele zeldzame voorwerpen 
bevatteden , behoorlijk nagezien en tegen bederf verzorgd waren, 
maakten wij ons tot eenen nieuwen riestogt door de voor- 
naainate gedeelten der Saltans- en zoogenaamde Lawut-landen 
in gereedheid: een' togt, die, uitgezonderd eenige weinige 
riviervaarten , grootendeels te voet moest worden afgelegd. Wij 
beperkten daarom onzen goederen-voorraad tot het volstrekt 
noodzakelijke en verdeelden het in zoodanige kleine partijen, 
dat elk pakje gemakkelijk door één man gedragen kon worden. 
Eene bijzondere soort van inlandsche draagkorven, hentoeng 
genaamd, welke ligt en waterdigt, bij de Bandjerezen tot het 
vervoeren van rijst, vruchten enzv. algemeen gebruikt en door 
mannen op den rug gedragen worden, kwamen ons daarbij 
uitmuntend te stade io<). Voorzien van een zes- of achttal 
zoodanige draagkorven , van eenige blikken trommels , een paar 
wollen dekens, in plaats van matrassen, en voor elk onzer 
een hoofdkussen, voeren wij den 14^*" October, de Soengi 
Tatas of Soengi Martapoera, ook somtijds Soengi Kajoetangi 
en Kleine Banjer-rivier genaamd , op , tot bij de hoofdplaats 
Martapoera, alwaar de Sultan zijn verblijf houdt, en zich een 
gouvernements-huis voor den Besident bevindt , in hetwelk wij 
onzen intrek namen. De overtogt van Bandjerma»in naar Mar- 
tapoera is vervelend lang en biedt geene bekoorlijke natuur- 
tafereelen aan. Het land is vlak , op vele plaatsen moerassig en 
zeer slecht bebouwd. In de weinige ladang's, die nu en dan 
het alang-alang en glaga, of wel de houtbosschen afwisselen, 
zagen wij meestal mais, suikerriet, pisang-plantsoenen en 
andere diergelijke aanplantingen. De bedding der rivier is vrij 



26^ 

diep eu vertoont schier in hare geheele uitgestrektheid een' 
weeken, slijkigen grond; eerst di^t nabij Martapoera wordt 
haar bodem klippig en het water zeer ondiep. Uit dien hoofde 
kannen eenigzins groote raartnigen alleen in de westrooeson, 
wanneer de rivieren gezwollen sijn, tot voorbij den Kraton of 
het verblijf van den Saltan, de Soengi Tatas opvaren. De 
onderscheidene kanalen {JiUasêanê)^ die grootendeels op bevel 
van Panembahan Batoe zijn gegraven, verkorten den afstand 
wel aanmerkelijk, doch konnen bij laag water, wegens hunne 
geringe diepte, niet worden bevaren. Bij eene gt^noegzame hoe- 
veelheid water kan men, met eene snelroe^ende ijzerhouten 
praanw, den overtogt in zes nren afleggen. 

De hoofdplaats Martapoera >o*) ligt aan weerszijden der ri- 
vier van dien naam , doch voornamelijk aan haren linker oever. 
De westelgke uiteinden dier lange reeksen van huizen zijn aan 
den eenen kant der rivier onder den naam van Eampong 
Pasdjadjang , en aan den anderen onder dien van Eajoetangi be- 
kend; dezen laatsten naam hoort men in de wandeling het 
meest, en hij schijnt veel ouder te zijn dan die van Marta- 
poera, welke bepaaldelijk aan dat gedeelte toekomt, waar de 
Dalam of Kraton van den Sultan gelegen is. Deze hoofdplaats 
heeft over het geheel een zeer vervallen en armoedig aanzien. 
Niet alleen de meeste huizen der geringe inlanders , maar ook 
de verblijven der prinsen en van den regerenden vorst , en zelfs 
de moskee, bevinden zich, schier zonder uitzondering, ineen 
ten uiterste slecht onderhouden en bouwvalligen toestand. De 
hooge palissadéring van ijzerhout en nibongstainmen , welke den 
Kraton omgeeft, is gedeeltelijk verrot en ingestort. Binnen deze 
ontredderde heining ziet men een aantal onregelmatig en digt 
bij elkander geplaatste huizen, van verschillende grootte en ge- 
daante, wier wanden hier eens van bamboesriet, daar weder 
van planken zijn zamengesteld. Deze niets minder dan fraaije 
gebouwen, vormen den Kraton en worden door den Sultan, 
zijne uitgestrekte vrouwenschaar en talrijke omgeving bewoond. 
Nergens ter wereld vonden wij ooit eene grootere tegenstelling 
van rijkdom en praalzucht, met de verregaandste slordigheid 
en onreinheid, dan in en om dit vorstenhuis In zijde gedost 



269 

en van het hoofd tot de voeten met goud en diamanten bedekt, 
ontvangt de Sultan zijne plegtige bezoeken in een vertrek , den 
naam van schuur naauwelijks waardig. Er was oplettendheid 
noodig, wilde men niet door de gaten van den vloer zakken; 
de wanden waren met salendang's en andere, door den tijden 
het gebruik, vervuilde en versletene zijden en katoenen stoffen 
van verschillende kleur en teekening behangen , terwijl een half 
dozijn oude luchters, die onder eene viugerdikke stoflaag waren 
bedolven en ten deele door rotting- en bamboesriet aan elkander 
werden gehouden , tijdens onze eerste opwachting bij den Sultan, 
de voornaamste stoffering van dit vertrek uitmaakten. Zijne 
Hoogheid was toen gekleed met een fijn licht groen baaitje en 
broek. Het eerste schitterde met eèn gouden galon en diamanten 
knoopen; de broek was, even als de gele zijden hoofddoek, die, 
in losse plooijen het hair bijeen hield, met zilveren galon ge- 
boord. Europesche schoenen zonder kousen, een paar groote, 
met houtskool gezwarte knevels, eene aanzienlijke hoeveelheid 
ringen, met diamanten van verschillende grootte, aan alle vin- 
gers en in de ooren; voorts eene ruwe diamant, ter zwaarte, 
volgens verzekering van den Sultan, van 77 karaat, welk 
hoogst kostbaar gesteente een' nagenoeg regelmatigeu octaêder 
vertoont, in goud was gevat en aan een eenvoudig koordje om 
den hals afhing; ten slotte nog eene groote gouden medaille 
op de borst, een eermetaal, hem, tijdens het bestuur van den 
Gouverneur-Generaal van den Bosch , namens het Gouvernement, 
ten geschenke gegeven: ziedaar de voorwerpen, welke vreemd» 
doch schitterend , het plegtgewaad sierden en den opsmuk vol- 
tooiden van Panembahan Adam. De groote diamant en de gouden 
medaille, met het volgende opschrift in de HoUandsche en 
Maleische talen: //Het Nederiandsche Gouvernement aan 
zijnen getrouwen bondgenoot den Sultan van Bandjer- 
masin,^' beschouwde hij als zijne kostbaarste pronkstukken. De 
medaille — zeide Zijne Hoogheid — was een geschenk van zijnen 
beminden broeder, den Gouverneur-Generaal, en had hem zooveel 
genoegen gedaan, dat hij ze met een rand van edelgesteenten 
had doen omgeven. Over het geheel maken de diamanten den groot- 
sten rijkdom van dien vorst en zijne naaste bloedverwanten uit. 



270 

De tegenwoordige Panerobahan Adam is een zeer goedhartig 
man, maar wiens verstandelijke vermogens niet bijzonder ont- 
wikkeld schijnen, en die zich geheel door Njai Komala, zijne 
oudste en zeer achraapzuchtige vronw , Iaat regeren. Men zegt , 
dat deze vrouw, van welke wij reeds vroeger met een woord 
gewag hebben gemaakt (zie bl. 167), wijnflesschen vol diamanten 
bezit, en deze, benevens het geld, dat zij voor haren Heer en 
Meester ontvangt en bewaart, onder hare vertrekken in den 
grond verborgen houdt. Het is vooral aan hare inhaligheid, 
dat de knevelarijen worden toegeschreven , dio heimelijk binnen 
het gebied des Sultans plaats hebben, ten gevolge waarvan 
telken jare een aantal onderdanen verhuizen en zich in de Gk)u- 
vemements-distrikten neerzetten. Terwijl het hoofdgeld hier voor 
een' volwassen man slechts ƒ 2 zilver bedraagt, moet hij inde 
Sultans-landen ƒ5 zilver 's jaars betalen. Kan een vader des 
huisgezins op den bepaalden tijd aan die verpligting niet vol- 
doen, dan \rorden, voor het bedrag der schuld, goederen van 
hem in beslag genomen, of bij gemis daarvan, een of meer 
zijner kinderen als gijzelaars weggevoerd. Men kan ligt be- 
vroeden, tot welke lage kwellingen en ongehoorde afpersingen 
de inzamelaars en beboeters , hebzuchtig en gewetenloos als zij 
zijn, zich vaak jegens de onmagtige belastingpligtigen laten 
vervoeren. Behalve het hoofdgeld, heft de Sultan, of liever, 
worden in zijnen naam nog geheven , regten van in- en uitvoer 
op sommige voorname artikelen , zoo als van zout , bijenwas en 
anderen ; voorts trekt hij verschillende pachten , in geld en na- 
tuurvoortbrengselen ; eigent hij zich de eetbare zwaluwnesten 
van onderscheidene holen alleen toe; moeten van zekere winst- 
gevende streken, alle diamanten, boven de 2 karaat zwaarte, 
tegen den vastgezetten prijs van 10 realen per karaat, doch 
meestal voor veel minder, bij voorkeur aan hem worden afge- 
staan 110) ; ontvangt hij met de Chinesche jonk , welke schier 
elk jaar te Bandjermasin aankomt, gewoonlijk eene hoeveelheid 
goederen, alle tot zijnen bijzonderen handel dienende, en met 
welk vaartuig door hem ook veel bindrotting, was, vogelnestjes, 
stofgoud, hertshorens en andere in China gewilde artikelen 
worden verzonden; terwijl eindelijk genoegzaam alle werkzaam- 



271 

heden en diensten binnen zijne woningen , op zijne riviervaarten , 
in zijne rijstvelden en op zijne hertenjagten, door zijne onder- 
danen kosteloos moeten worden verrigt. Bij dit alles worden 
zijne inkomsten niet hooger, dan op omtrent ƒ 80,000 in het 
jaar begroot. Zoo slecht, oneerlijk en stelselloos wordt het 
land^ met eene bevolking van p. m. 100,000 zielen, beheerd. 
Geschrevene wetten zonde men er te vergeefs zoeken; de rege- 
ringsvorm is er in den volsten zin des woords autocratisch , en 
wel zonder de minste orde of administratief toezigt. De tegen- 
woordige Panembahan Adam kan lezen noch schrijven , en het 
is eerst sedert hij van een' voornaam' Nederlandsoh' ambtenaar 
een fraai gouden zakrutrwerk ten geschenke heeft ontvangen , 
dat de lust in hem is opgewekt en hij zich de moeite heeft 
willen getroosten , de daarop uitgedrukte cijfers te leeren kennen : 
eene studie, waarin hij, tijdens ons bezoek, in 1837, reeds zoo 
ver was gevorderd, dat hij tot het achtste uur den tijd wist te 
bepalen. De in zijnen naam uitgevaardigde reispassen en andere 
officiële stukken, die hij door zijne onderteekening wenschtte 
bekrachtigen , zijn eenvoudig van een geel zegellak voorzien , 
waar, met arabische letters, denaam Panembahan in staat af- 
gedrukt »'). //Ik houd er geen kantoor op na, met Secreta- 
rissen en Klerken, die altijd schrijven en alles aanteekenen, 
gelijk bij den Resident," zeide ons de Sultan; //dat schrijven 
zou mij te veel geld kosten , mijne inkomsten verminderen , en 
raij in mijne uitspanningen te zeer belemmeren." — De tusschen- 
persoon van ons Bestuur en den Sultan is de meermalen ge- 
noemde Pangeran Ma,ugko Boemi, een jongere broeder van den 
Sultan, die zich door gehechtheid aan ons Gouvernement, door 
wellevendheid, gulheid en dienstvaardigheid, van de meeste overige 
leden der vorstelijke familie gunstig onderscheidt. Hij houdt zijn 
verblijf afwisselend te Bandjermasin en te Martapoera, en ge- 
niet ƒ1000 inkomen 's maands van het Gouvernement. Het is 
te bejammeren , dat deze geschikte Bijksbestuurder v66t zijne 
jaren is verouderd en afgeleefd, doch, geen wonder! daar hij, 
als een groot vereerder van het schoone geslacht, behalve vier 
echte vrouwen, er steeds een zestigtal of meer, jonge bij wij ven 
in zijn Harem op nahoudt. — De oudste zoon van den Sultan, 



272 

of opvolgel vau den troon, gewoonlijk SoeUhan moeda {j^ovl^^ 
Sultan) genaamd, bezit meer gezond verstand, doorzigt en 
vastheid van karakter, dan zijn zwakke vader, maar is tevens 
veel gestrenger, dikwerf wreed jegens zijne onderhoorigen , en 
daarenboven een werkelijk of schijnbaar naauwgezet Moslem. 
Zijn eigenlijke naam is Pangeran Abdoel-Rahman ; doch volgens 
zijnen rang voert hij dien van Pangeran Batoe. Hij schijnt 
weinig behagen te vinden in de hertenjagt, welke anders, be- 
nevens het bezoeken der diamant-mijnen, tot de gewone uit- 
spanningen der Banjeresche groeten behoort. Elk lid der vor- 
stelijke familie heeft zijne eigene diamant-gronden, welke de 
ouders ten deele reeds bij hun leven aali de kinderen schenken, 
of die zij als gunstbewijs vau den Panembahan ontvangen ; even 
zoo bezit ook schier elk zijne eigene jagtvelden: die van den 
Sultan en Pangeran Mangko Boemi zijn zeer uitgestrekt. Met 
de staatkundige gesteldheid van het land, zijne natuurlijke 
hulpbronnen, den zedelijken en stoffelijken toestand zijner be- 
woners en hunne betrekkingen met vreemden: met al dezege- 
wigtige inwendige belangen van hun rijk, bemoeijen zich de 
prinsen weinig of niet, en geen hunner legt veel lust aan den 
dag, om vreemde Unden te bezoeken, de zeden en gewoonten 
van andere volken te leeren kennen en nuttige kundigheden te 
verzamelen. //Aan groote heeren past het niet, te werken; die 
moeten zich alleen vermaken ,'' is de grondstelling van Sultan 
Adam: eene leus, die gretig door al de leden zijner familie 
omhelsd en nagevolgd wordt. 

De bevolking van Martapoera kan men op ongeveer 5000 
zielen begrooten. Be grond heeft daar zijne moerassige gesteld- 
heid verloren en vertoont zich vast en droog, met voet- en 
rijpaden naar de oostelijke en zuidelijke heuvel- en bergachtige 
streken. De meest gewone wegen vindt men op onze bijzondere 
kaarten van //'Martapoera en een gedeelte der Lawut-Lan- 
den"' door gestipte lijnen aangeteekend. Alvorens echter de 
hoofdplaats van den Sultan voor goed vaarwel te zeggen, 
achten wij nog de volgende bijzonderheden verraeldingswaardig. 
De DcUaniy gelijk de vorstelijke woning daar heet, ligt digt 
aan de rivier, en heeft voor zijnen hoofdingang , aan den zuid- 



273 

kant, eene groote grasvlakte, door enkele planken en bam- 
boezen huizen van Pangeran^s omgeven. Op dit plein of 
Aloen-aloeUy ontwaart men een open gebouw {Paaeban)^ tot 
vergaderplaats bestemd, van hetwelk eene ophaalbrug over de 
palissadéring van den Dalam heenloopt, langs welke brug, bij 
plegtige gelegenheden, de Sultan in die openbare vergaderplaats 
afdaalt. Niet ver van daar staat een groote vlaggestok, aan 
welken somtijds eene geele vlag wappert, zijnde ook, bij deftige 
bezoeken , de stoel van den Sultan met geel — de hof kleur — 
geverfd lijnwaad of laken overtrokken. Aan den zuidkant van 
het Aloen-aloen , op den afstand van omtrent duizend schreden 
van den Dalam , ligt het luchtige en ruime huis en de tuin 
van den Resident , welke gronden , tot dat einde , bij contract , 
door den Sultan aan het Gouvernement in eigendom zijn af- 
gestaan. Europeanen, welke den Sultan hunne opwachting 
maken, worden van daar gewoonlijk in eene oude kales, door 
8 of 12 menschen voortgetrokken , namens den vorst afgehaald 
en meestal door een' zijner zonen te paard begeleid, terwijl 
de bezoekers aan den ingang van de/9^Beceptie-zaal,// door den 
Sultan-zelven vriendelijk begroet worden. De vreemdsoortige 
uitmonstering van dat vertrek is bereids in ruwe trekken door 
ons geschetst; wij vermelden nog, dat, zoodra men binnen de 
wijde opening van de ontredderde palissadéring heeft voet 
gezet, men wordt verrast door eene eerewacht, uit een veer- 
tigtal inlanders bestaande, welke in twee gelederen geschaard, 
barrevoets, doch met eene kleeding uit den tijd van het En- 
gelsche tusschenbestuur, namelijk: roode rokken en witte 
broeken, die, even als de witte pluimen op de half versleten 
schako's, er vuil en smerig uitzien — onder het roeren der 
trom, hun meerendeels verroest en onbruikbaar Europeesch 
geweer presenteren.. — Het hof daar — wanneer er die naam 
voor gebruikt mag worden — is niet gemakkelijk van zijne 
oude vooroordeelen en slechte gewoonten af te brengen en tot 
het aannemen van betere vormen en menschelijker beginselen 
te bewegen. Vandaar ook het heimelijk voortbestaan van mis- 
bruiken, strijdig met de bepalingen der verdragen, welke bij 
onderscheidene gelegenheden met hetzelve door de Nederlaudsche 

18 



274 

roering zijn gesloten. Doodstraffen, zonder voorkennis van 
het Goavernement , ligchamelijke verminkingen, bij de harts- 
togtelijke en ongevoelige Mohammedaansche heerschers zoo 
gewoon, de TaliatCs 112^ of hatelijke verbods wetten omtrent 
het verkeer van sommige landgedeelten met anderen , of het 
betreden van jagtveldeu, en diergelijke wreede en willekearige 
handelingen meer, zijn bij die verdragen, binnen het gebied 
des vorsten, ten eenemale afgeschaft en verboden; en toch 
hebben wij meer dan eens bij onzejagttogten, op een gespannen 
touw gestooten , waar eene houten kris of klewang en een blok 
hout aan waren vastgebonden, ter waarschuwing, dat niemand, 
zonder verlof, zoodanig touw mogt overschrijden, op straffe 
van de handen afgekapt of gekrist te worden. 

Vermits het land tot Martapoera zich slechts onbeduidend 
boven de oppervlakte der zee verheft en er meer open en droog 
is, schijnt het klimaat er gemiddeld zelfs eenigzins warmer te 
zijn, dan te Bandjermasin. Onze thermometers, teekenden den 
18<*«» October, bij heldere lucht, des ochtends te 9ure,27°5, 
te 10 ure 30°2, te 1 ure, na den middag, 33°4, en te 2 
ure 34°8 centigraden. De Overste von Henrici heeft, iusgeUjks 
in de maand October, de volgende thermometer-standen te 
Martapoera waargenomen: ^s morgens te 6 ure, omstreeks 24^ 
te 1 ure, na den middag, 35°— 36°5, en 's avonds 8 ure, 
30° centigraden. 

Den 20'*®° October ondernamen wij eene voetreis naar de 
diamant-mijnen van Oedjoeng-moeroeng , Soengi-roentai , Soengi- 
pinang en Goenong-lawak , allen digt bij elkander en slechts 
eenige uren ten zuiden van Martapoera gelegen. De landstreek, 
welke wij doortrokken, was vlak en veelal met laag hout be- 
groeid , tusschenbeide door eene grasvlakte van alang-alang of 
door eene ladaug afgewisseld. Water was schier nergens te 
vinden, uitgezonderd in eenige kleine rivieren, terwijl de bed- 
dingen van anderen geheel droog waren. Omtrent een halfuur 
vóór dat wij de Kampong Oedjoeng-moeroeng bereikten , kwamen 
wij aan eene met alang-alang begroeide plaats, waar groote 
hoopen aarde naast eene menigte ingestorte kuilen lagen: het 
waren oude diamant-groeven, die sedert twee jaren niet meer 



275 

bewerkt werden. Zij behoorden den Pangeran Maugko Boemi, 
bragten echter weinig op, en werden uit dien hoofde verlaten. 
Sedert dien tijd wordt, ten behoeve van dien prins, met dub- 
belen ijver te Oedjoeng-moeroeng en Soengi-roéntai naar 
diamanten gezocht. De voornaamste mijnen van den Sultan en 
diens oudsten zoon , den troonopvolger , zijn op korten afstand 
ten zuid-zuidwesten van Oedjoeng-moeroeng, bij de Xampong 
Qoenong-lawak gelegen. Het is daar, dat men den grooten en 
kostbaren diamant van 77 karaten gevonden heeft. Wij telden 
er reeds ongeveer een paar honderd groeven. Het is niet 
vreemd, te dier plaatse drie- of vierhonderd, ja zelfs, schoon 
zeldzaam, duizend mannen aan het werk te vinden. Ook bij 
de gehuchten Oedjoeng-moeroeng, Soengi-roentai en Soengi- 
pinang is de hoeveelheid oude en nog bewerkt wordende mijn- 
groeven zeer aanzienlijk , en worden er telkens nieuwe geopend. 
De bewoners dezer gehuchten vinden voor een groot gedeelte 
hun bestaan in dezen arbeid , en vele andere inlanders , uit min 
of meer verwijderde Kampong's, brengen met hetzelfde doel, 
vooral na den rijstoogst, eenige weken aldaar door. Niemand 
intusschen ontvangt een bepaald daggeld, maar allen arbeiden 
onder zekere voorwaarden, op goed geluk, en erlangen voor- 
deden naarmate van de edelgesteenten of het goud, dat zij 
vinden mogen. Die voorwaarden komen hoofdzakelijk hierop 
neder: alle diamanten boven de twee karaten zwaarte, moeten 
aan den vorstelijken eigenaar der mijngronden worden afgeleverd ^ 
en de vinder ontvangt ter vergoeding tien realen of ƒ 20 voor 
elk karaat van zoodanig gesteente. De vorsten en hunne tra- 
wanten* zijn echter bij het wegen niet zeer naauwgezet; zij 
nemen gaarne het gewigt wat ruim of zwaar, en betalen bui- 
tendien, bij de minste onzuiverheid of onregelmatigheid van 
den steen — fouten, die zij schier altijd aanwezig vinden — 
aanmerkelijk minder, dikwerf ter naauwernood de helft van 
de overeengekomen som. Yan alle kleinere edelsteenen,. beneden 
de twee karaten zwaarte , wordt de opbrengst , in twee gelijke 
deelen, tusschen den mijneigenaar en de mijngravers verdeeld; 
de eerstgemelde heeft echter, des verkiezende, het regtvanhet 
andere halve aandeel over te nemen , tegen den prijs van zeven 



276 

realen of ƒ 14 het karaat. Het stofgoud, dat, beneyens schil- 
fertjes platina, gelijktijdig ait den diamantrijken grond nitge- 
wasschen en voor eene der beste goadsoorten van geheel zuidelijk 
Borneo gehouden wordt, is het uitsluitende c^igendom der 
mijnwerkers; doch de vorsten trachten het meestal tegen een 
prijsje io hun bezit te khjgen. Op Bandjermasin kost tegen- 
woordig het stofgoud ƒ50 — ƒ62 de tail. Voor geslepene 
diamanten , van drie of vier steenen op één karaat , betaalt men 
daar ƒ24 ' — ƒ30 per karaat; ongesiepen, kosten dezelfde 
steenen omtrent een derde minder. Diamanten ter meerdere 
zwaarte dan van twee karaten, worden natuurlijk zelden ge- 
vonden; doch kleine steentjes, waarvan 4, 6 of 10 stuk één 
karaat wegen, bijna dagelijks. 

Het terrein, dat de onderwerpelijke diamant-groeven bevat, 
en onder zoodanig opschrift op onze bijzondere kaart van Mar- 
tapoera staat aangeduid , is grootendeels vlak en van onder- 
scheidene kleine rivieren doorsneden. De bovenste grondlaag 
bestaat uit eene licht roode en min of meer met zand ver- 
mengde kleiaarde, die geene edelgesteenten inhoudt, en af- 
wisselend tot op eene diepte van tusschen een* en vier vademen 
afdaalt. Onder dezen kleigrond ligt eene zandige en steenige 
aardbedding, in welke, naast vele kwartskeijen en rotsstukken 
van syeniet, dioriet en diergelijke, het Ratoes-gebergte zamen- 
stellende steensoorten, ook somtijds koralen en versteende 
zeeschelpen (Ostrea, Cardium) gevonden worden. In deze 
steenige bedding {tanah hatoé)^ die somwijlen slechts 2 of 3 
voet , doch ook wel tot een' of zelfs meer vademen dikte heeft, 
liggen de diamanten los verspreid , vergezeld van korreltjes en 
schilfertjes goud, platina, magneet ij zerzand en kleine stakjes 
gedegen ijzer. Het zekerste kenteeken der aanwezigheid van 
diamanten is, volgens de mijngravers, eene soort van kleine 
gerolde steenen, hatoe Timahan genaamd; ongetwijfeld oor- 
spronkelijk een ganggesteente, waarvoor alle verschijnselen 
pleiten. Deze Timahan-steenen zijn zeer hard en moeijelijk 
met den hamer te verbrijzelen, donker bruin van kleur, met 
talrijke witte stippen van ijzerkies en nog een ander loodwit- 
metaal voorzien ; hunne oppervlakte is meestal , door vele kleine 



277 

hoUigheden , eenigzins ruw. Zoodra de mij ngra vers deze kwarts- 
steentjes aantreffen, wordt hun ijver opgewekt. De uitgedolven 
grond wordt alsdan zorgvuldig op hoopen gelegd, bewaakt en 
tegen den regen, met versche looftakken bedekt. De geheele 
diamant-graverij komt genoegzaam op het volgende neder. 

Vierkante kuilen, van 4 — 6 voet middellijn, worden lood- 
regt in den grond gegraven. Ten einde het instorten te beletten, 
voorziet men de wanden rondsom van palen , die telkens dieper 
worden ingeheid, naarmate de gravers met hun werk vorderen. 
Bij het delven moet het water, dat gestadig in den kuil bij- 
eenzakt en somtijds tot aan de borst staat der gravers, aan- 
houdend worden uitgeschept, terwijl de kleiaarde intusschen zoo 
lang wordt ter zijde geworpen, tot de steenige en diamanthou- 
dende bedding aan den dag komt , welker zandachtig gruis als- 
dan zorgvuldig bij hoopen wordt afgezonderd ; onder die bedding 
vindt men weder eene geelachtige kleiaarde , bij welke het verder 
graven gestaakt wordt. De tot beschutting der wanden strek- 
kende palen worden vervolgens uitgehaald en de kuil met roode 
kleiaarde opgevuld ; z66 , dat er slechts eene ondiepe kom aan 
den mond overblijft, ter invoering van water tot het uitwas- 
schen van het diamant-zand. In het water dezer kom zetten 
zich alsdan een 10 — 20- of 30-tal menscheu, zoo mannen als 
vrouwen, aan het waschwerk. Men bezigt daartoe, in de eerste 
plaats , waschzeven {ajakh) van verschillende grootte en ge- 
daante , van bamboes- of rottingriet min of meer wijd gevloch- 
ten. Met een niet zeer diep, bakvormig mandje {angkatan) "^oxAi 
de aarde uit de mijngroef opgehaald en naar de waschmauden 
overgebragt. Na alsdan , gedeeltelijk boven en gedeeltelijk onder 
het water , bij een vlijtig omroeren en herhaaldelijk en oplettend 
doorzoeken, tot twee of drie reizen, telkens door naauwere 
zeefmandjes, gezift en van alle grovere steenen ontdaan te zijn , 
word het zand (jpasir) ten laatste, bij kleine hoeveelheden , in 
flaauw verdiepte, schijfvormige houten bakken ii^j^ gelijk elders 
op Borneo bij het goudwasschen in gebruik zijn, opgenomen, 
over den geheelen bak uitgespreid en , onder een gedurig rond- 
slingeren in denzelven, al zoekende naar edelgesteenten, zoo 
lang gewasschen, tot eindelijk alleen eene geringe hoeveelheid 



278 

magneet-ijzerzand , met goud- en platina-schilfertjes vermengd, 
overblijft. De edelgesteenten, zl] mogten klein zijn als eene 
groote speldekop , ontgaan het geoefende oog der wasschers niet 
gemakkelijk, en toch wordt menige hoeveelheid zand in den 
houten bak afgespoeld, zonder iets anders te hebben opgeleverd, 
dan misschien een weinig stofgoud en platina. Laatstgemeld 
metaal wordt , daar zij het niet weten te smelten , als geheel on- 
bruikbaar, door de mijnwerkers weggeworpen en verachtelijk 
mos iodoiA, d. i. kikvorschen-goud, genoemd. Naar het 
schijnt, is overal op Borneo het stofgoud gelijktijdig met pla- 
tina aanwezig, en komt dit metaal op sommige plaatsen van 
het eiland , in de gruis-ophoopingen der dioriet-sjeniet-vormiog, 
even menigvuldig voor, als in Ava, waar, volgens de analyse 
van J. Princep »*), het stofgoud, in gezui verden staat, 20 
procent platina bevat en tevens zeer rijk aan iridium is. Kor- 
reltjes osmium en iridium zijn door Dr. Horner ook op Boineo 
* waargenomen ; terwijl deze Natuurkundige de hoeveelheid platina, 
met het goud aldaar voorkomende, gemiddeld op 10 procent be- 
rekende, en aldus voor de geheele jaarlijksche opbrengst van 
dit metaal, 10,000 oneen meende te kunnen stellen ^i^). Deze 
hoeveelheid, ten naastenbij een derde minder, dan die, welke 
in de jaren 1839 en 1840, uit het üral-gebergte werd gewon- 
nen , zoude ongetwijfeld allengs vermeerderen en de moeite der 
inzameling ruimschoots beloonen, wanneer de goud- en diamant- 
wasschers op Borneo het platina met eenig voordeel konden 
afzetten en, daardoor aangemoedigd, het voortaan zorgvuldig 
bewaarden. 
^ De diamant- en goudrijke diluviale beddingen van het gol- 
vende vlakland, hetwelk, van Martapoera, zich vele mijlen 
zuidwaarts, langs den westelijken voet van het Ratoes-gebergte 
uitstrekt, en in welks noordelijke helft de mijnen van Oe- 
djoeng-moeroeng en Goenong-lawak zijn gelegen, vindt ofien, 
even als elders, ook daar min of meer hoog overdekt door jon- 
gere aardlagen van klei- en zandachtige hoedanigheid en door 
ijzeroxyde sterk bezwangerd en rood gekleurd. Ten noorden 
echter, bij Martapoera, en in sommige zuidelijke streken, wordt 
die roode kleiaarde afgewisseld door conglomeraten van kwarts 



279 

en bruiuijzersteen , welke vaste rotsen veel overeenkomst heb- 
ben met het kwarts-conglomeraat van den Goenong Bantauw 
en van andere oeverhoogten langs de Doeson. Vermelding ver- 
dient hetgeen ons door den Pangeran Mangko Boemi medege- 
deeld en door eenen anderen geloof waardigen berigtgever i^^) 
bevestigd is, aangaande het vinden van voorwerpen van men- 
schelijke kunstvlijt en stammen van boomen, op eene aanmer- 
kelijke diepte in den rooden kleibodèm. Zoo verhaalt men , dat 
bij bet delven van mijnen te Oedjoeng-moeroeng, ter diepte van 
tasseben de 2 en 3 vademen, een ijzeren anker was gevonden; 
een andermaal stiet men, al gravende, op een^ zwaren ijzerhou- 
ten boomstam, en eens zelfs op de overblijfselen van huizen, 
welke voorwerpen echter allen, bij de minste aanraking, in stof 
uiteen vielen "7). De kleiaarde dier streken is baar blij keiijk haar 
ontstaan hoofdzakelijk verschuldigd aan de ontbinding van velds- 
spaat en hornblende : mineraal-zelfstandigheden , welke vooral de 
hoofdbestanddeelen uitmaken der rotssoorten, die een gedeelte 
van het Batoes-gebergte en de verschillende kleinere ketens en 
afzonderlijke bergen in het zuid-oostelijk gedeelte van Borneo 
zamenstellen ; namelijk: sjeniet, dioriet, gabbro en serpentijn. 
Aan deze plutonische gesteenten met hunne metaalrijke kwarts- 
gangen, sluiten zich hier en daar aan: micaschiefer , graniet, 
zand- en kalksteenen; de beide laatsten behooren tot de groep 
der Jura-formatie , en hunne lagen zijn somwijlen door diorie- 
tische en porphierachtige rotsmassa's doorbroken, ten gevolge 
waarvan een wrijvings -conglomeraat is ontstaan, dat op sommige 
der oostelijke bergruggen menigvuldig gevonden wordt. Om- 
trent het plaatselijk voorkomen dezer verschillende rotssoorten, 
als ook ten opzigte der aanwezige steenkolen -beddingen , zullen 
wij verder in den loop van ons reisverhaal gelegenheid vinden , 
nog eenige aanteekeningen mede te deelen. 

Van Oedjoeng-moeroeng togen wij zuid-oostelijk naar den 
Goenong Pamatton , welken weg wij , in drie uren tijds , te voet 
aflegden. Wij kwamen afwisselend over vlakten en zacht glooi- 
jende heuvelen, die meest met alang-alang begroeid waren, 
terwijl tusschenbeide weder eenig wild houtgewas die openeen 
zonnige plekken van elkander afscheidde. Schier nergens was 



280 

het land bewoond of bebouwd; maar het is rijk aan herten 
(Cervas russa), vooral in den omtrek van de, door eenen klei- 
nen heuvel gekenmerkte vlakte Padang Qoenong-koepang, een 
privaat en geliefkoosd jagtveld van den Pangeran Mangko Boemi. 
Niet dan in de nabijheid van den Gtoenong Pamatton troffen 
wij eenige kleine riviertjes aan , die hun water westwaarts voer- 
den en met dat der Batang Banjoe-pamatton vereenigden. Deze 
rivier, die lager naar een gehucht van denzelfden naam , Soengi 
Silinsing word genoemd, en vervolgens in de Soengi Moloeko 
valt, vormt de zuidelijke grensscheiding van het gebied van den 
Sultan, zijnde het land bezuiden die rivier, alwaar het den 
naam van Tanah-lawut of Zeeland draagt "*), in 1826, 
door Panembahan Adam, alleen met voorbehoud der hertenjagt, 
in vollen eigendom aan het Nederlandsche Gouvernement af- 
gestaan. 

De Goenong Pamatton vertoont, van de westzijde gezien, 
een' stomp kegel vormigen berg van 318 meters absolute 
hoogte >>8}. Zijne benedenste helft is, behalve met hier en daar 
verspreid staande heesters van Melastoma Boryanum , enkel met 
eene soort van gras bewassen, (eene soort van Anthistiria), 
dat tijdens ons bezoek grootendeels verdord was, terwijl naar 
den top toe, in ijle groepen , kleine boomen en struiken groeijen, 
voornamelijk van de geslachten: Apoterium, Petunga, Spatho- 
dea, Melanthesa, Psychotria, Hedyotis en der reeds genoemde 
soort van Melastoma, onder welker lommer men somwijlen ook 
eene Nepenthes gracilis waarneemt. Overal langs de hellingen, 
van den voet tot op den top des bergs, steken zwarte rots- 
blokken van gabbro uit den grond, welk gesteente, daar en el- 
ders in de Lawut-landen, niet zelden in serpentijn en dioriet 
overgaat of door deze en het syeniet vervangen wordt. Al deze 
gesteenten bevatten veel magneetijzer, somtijds ook ijzerkies, 
en zijn menigvuldig van min of meer dikke kwartsuderen door- 
trokken, waarin nu en dan eens stipjes goud worden waarge- 
nomen. Aan den N. N. O. kant verbindt zich de Goenong Pa- 
matton met den Boekit Besar en andere lagere bergen en heu- 
velen, welke, in die rigting, eene lange keten vormen. Van 
het oosten door het zuiden naar het westen , omgeeft den berg 



281 

Famatton, in een' wijden halven cirkel, eene niet zeer hooge 
bergketen, van welke de toppen Goenong Taga en Goenong 
Djamboe tot de aanzienlijkste behooren. Tusschen die keten en 
den Pamatton stroomt, in een tamelijk vlak dal, de reeds ge- 
noemde Batang fianjoe-pamatton, welker kristalhelder water 
zich bruisend over de zwarte rotsen van gabbro, waaruit de 
bedding aldaar grootendeels bestaat, westwaarts stort. De boorden 
van dezen bergstroom en de zacht rijzende hellingen van de 
zuidelijke hoogten , zijn met zwaar geboomte en digte bosschen 
bedekt. Deze bosschen leverden ons eene fraaije, nieuwe soort 
van slank -aap (Semnopithecns frontatus), alsmede onder- 
scheidene zeldzame vogelen, door ons v6<5r of na dien tijd, 
nooit op Borneo waargenomen. Wij hadden op den zuid-west- 
telijken voet van den Goenong Pamatton , digt bij de gemelde 
rivier, een paar loofhutten laten opslaan, en vertoefden daar 
eenige dagen, ten einde de omstreek te kunnen leeren kennen 
en , zoo mogelijk , onze verzamelingen met nieuwe en zeldzame 
natuur-voorwerpen te vermeerderen. Die plaats lag, volgens 
den barometer-stand, 20,3 meters boven de oppervlakte der 
zee. De luchtsgesteldheid was, den 2,2^^^ October , des morgens 
te 6 ure, 20^7 centigraden, te 1 uur, na den middag, bij 
bewolkten hemel, 29^5, en te 2 1 ure, bij helder en zonnig 
weder, 32^8 centigraden. 

Van den Goenong Pamatton voeren onderscheidene voetpaden 
naar verschillende streken der Lawut- en Sultans-landen. Wij 
kozen, ter voortzetting onzer reis — den 24*'®" October — 
dat, hetwelk naar den oever der Soengi Karang-intan leidt, 
waar ons, bij de Kampong Apat, twee djoehoeng's wachtende 
waren , door ons van Martapoera ontboden en waarmede wij 
ons voorstelden, gemelde rivier tot bij den waterval Arinawe 
te bevaren en vervolgens langs haar naar Martapoera terug te 
keeren. De physische gesteldheid van het land, dat wij op den 
togt van den Goenong Pamatton naar de Kampong Apat door- 
trokken, scheen zeer weinig van die, langs den weg van 
Oedjoeng-moeroeng te verschillen. Ook hier waren menschelijke 
woningen, waterrijke spruiten en bebouwde velden schier nergens 
te ontdekken, en schenen de eenzame en golvende grasvlakten 



y 



282 

• 

alleen door herten bewoond te worden. Aan onze regterhand, 
zijnde de oostzijde, hadden wij eene, almede grootendeels met 
alang-alang begroeide, keten van kleine bergen en heuveles, 
die met den kalen Gtoenong Batara-boeloe , nabij de Soengi 
Karang-intan , zamenhing. Naarmate wij het gehacht Apat 
naderden, begon zich ook ter westzijde van ons pad, eeue 
heuvelreeks te vertoonen, langs welker helling wij omtrent eeu 
dertigtal herten gadesloegen. 

De Soengi Karang-intan (lett. ri vier der. diaman t-klippen) 
welker bedding ter hoogte van de Eampong Apat omtrent 
honderd voet breedte zal hebben, bevatte toen, bij het einde 
der drooge moeson , slechts eene betrekkelijk geringe hoeveelheid 
water, en hare hier en daar hellende, doch meer algemeen steil 
afgestorte oevers, verhieven zich doorgaans van tusschen de 
15 — 30 voet boven den vloed. Vaste rotsen en losse blokken 
van gabbro, serpentijn en dioriet, somwijlen onmerkbaar in el- 
kander overgaande , en bij welke zich op ééne plaats ook klippen 
van graniet voegden , waren de heerschende steensoorten, tot boven 
de Kampong Oedjoeng-bankal. Van daar verder opwaarts weiden 
zij vervangen door donkergroen micaschiefer , dat , vooral in 
den omtrek van den Biam Arinawe, in groote massa de ge- 
heele rivierbedding inneemt. Dikke, witte kwartsaderen door- 
kronkelen de ruwe, scherphoekige rotsen van laatstgenoemd 
gesteente in alle rigtingen. Opmerkelijk zijn voorts de ver- 
schillend gekleurde kwartssteentjes, welke, naast hoeveelheden 
kwartszand, in de gemelde rivier worden aangetroffen, en te 
Bandjermasin onder den naam van hatoe Karang-intan bekend, 
doch weinig geacht zijn. Onder deze gerolde steentjes vindt 
men er van melkwitte, grijze, bruinachtige, geelachtige, licht 
en donker roode, zwart- en paarsachtige kleuren, somwijlen 
met strepen of vlammen. Uit het zand wasschen de inlanders 
eenig stofgoud en somtijds ook kleine diamanten; het bevat 
buitendien meestal vrij veel micablaadjes en korreltjes van mag- 
neetijzer. Boven de Kampong Kembang-koeniug vernaauwt zich 
ook allengskens het rivierbed, en wordt door hoogere heuvelen 
bezoomd, tegen welker steile en rotsige wanden het water hier 
en daar onmiddellijk aanspoelt. Aan de noordzijde en ongeveer 



283 

100 meters boven den vloed verheft zich de Goenong Arinawe 
en vormt een der hoogste punten. Aan den voet van dien berg , 
bij den evenzoo genoemden Biam, is de bedding der rivier, 
volgens den barometer, niet meer dan 25 meters boven de 
oppervlakte der zee verheven. Bij dien Biam stort zich de 
vloed eenige voeten over zwarte rotsen van micaschiefer neder; 
doch de val is er zoo zacht hellend, dat ledige bootjes, ge- 
woonlijk door middel van rottingtouwen , tegen den stroom 
opgetrokken, er ook met de noodige omzigtigheid weer langs 
afgelaten kunnen worden. Verder opwaarts, treft men nog ver- 
scheidene Biam^s aan, welke de vaart met bootjes zoozeer 
bemoeijelijken , dat er geene gehuchten meer, doch nog slechts 
enkele woningen in ladang's gevonden worden. — In den 
bovenloop der Soengi Karang-intan , en ook in de Batang 
Banjoe-pamatton , hebben wij enkele stille waterkommen op- 
gemerkt, welke eene menigte kleine karpers (Cyprini) bevat- 
teden. Bij het afvaren der eerstgemelde rivier bragt ons het 
toeval ook een' grooten haringachtigen visch (Notopterus) in 
handen , die kort te voren , door vier otters (vermoedelijk Lutra 
leptonyx) gevangen en naar den oever gesleept was. Bij onze 
aannadering liepen de otters het bosch in en lieten hunnen 
buit in de steek. De visch was zeker wel 18 of 20 ponden 
zwaar en gaf nog teekenen van leven, ofschoon hem reeds een 
groot stuk van den buik en ook een stukje van den rug 
waren afgescheurd. Dit was echter geen reden, om hem niet 
mede te nemen , en er ons een maal van te laten bereiden. 
Zijn vleesch was droog en, vooral langs den rug, zoo vol 
graten, dat zelfs de inlanders, die voor h^t overige niet zeer 
kieskeurig zijn , dat gedeelte gewoonlijk wegwerpen en alleen 
. het vleesch van het benedenlijf eten , hetwelk , zoo als uit den 
gevonden visch scheen te blijken, ook de otters voor het lek- 
kerst schijnen te houden. 

De gehuchten in het hoogere gedeelte der Soengi Karang- 
intan, bestaan doorgaans slechts uit weinige (4, 6 of 8) arm- 
zalige huizen, van Maleischen bouwtrant, op lage steilen 
rustende, meestal van bamboes en met palmbladen of alang-alang 
gedekt. Beneden de Kampong Mandiangin nemen die gehuchten 



284 

in breedte, meer nog in lengte toe, en hebben*zij een eenigzins 
gunstiger aanzien. Het valt evenwel in het oog hoe klein en 
bekrompen dikwerf het inwendige der woningen is van de 
Mohammedaansche inlanders aldaar, gelijkende er velen naar 
groote schapen- of geitenkooljen. In alle Kampong^s vindt men 
tallooze palmen en andere vruchtboomen , die lommer en koelte 
om zich heen verspreiden. Benevens vele kokos-, pinang- en 
arenpalmen , ontwaart men nangka- , mangga- , doekoe-, djamboe-, 
doerian-, ramboetan-, manggis- en meer andere nuttige boom- 
soorten, terwijl ook verschillende pisang- en limoensoorten, de 
betelplant , Spaansche en zwarte peper enzv. , er niet ontbreken. 
De volkrijke Kampong Soengi-alang , uit omtrent 25 huizen be- 
staande, ligt grootendeels aan den linker oever. Yan het oude, 
vermaarde dorp Karang-intan , dat zich ver behedenwaarts langs 
de beide rivierkanten uitstrekt en ruim 100 huizen telt, staat het 
voornaamste gedeelte , met de woningen en begraafplaats der Mo- 
hammedaansche heerschers , aan de regter zijde. Deze vorstelijke 
begraafplaats biedt niets opmerkenswaardig aan. Zij beslaat een 
vierkant, door een houten hek omgeven, binnen hetwelk de 
graven open en vrij, naast elkander gelegen zijn. Ieder graf is 
rondsom met eene lat afgezet en van boven digt met kleine 
keisteentjes belegd, terwijl enkele slechts, aan het hoofd- en 
voeteneinde, van een' grooten gehouwen steen zijn voorzien. 
Wij hebben reeds gelegenheid gehad aan te merken (bl. 157), 
dat al de Mohammedaansche regenten van Bandjermasin, met 
uitzondering van de drie eersten, hier ter aarde zijn besteld. 
Niet ver ten noorden der begraafplaats ziet men , binnen eene 
palissadéring, ond^scheidene bouwvallige huizen van Panem- 
bahan Solêman en andere overledene vorsten; en nog een eind 
weegs verder prijkt, op eene zacht glooijende grasvlakte, het 
lusthuis met de daartoe behoorende bijgebouwen van Sultan 
Adam. Een Fangeran, welke met eene zuster van den tegen- 
woordigen Sultan is gehuwd^ en te Karang-intan verblijf houdt, 
ten einde, zoo als deze prins ons zeide, ^/op de vorstelijke 
graven te passen," deelde ons de aangename tijding mede, dat 
de Sultan zich daags te voren naar Martaraman had begeven , 
met het doel om daar herten te jagen. Wij meenden ons de 



285 

gunstige gelegenheid, om zulk eene jagt eens bij te wonen, 
ten nutte te moeten maken, en besloten daarom onze reis, den 
volgenden ochtend, tot Martaraman voort te zetten. Alvorens 
echter tot het verhaal van den togt derwaarts over te gaan , zul- 
len wij een paar woorden zeggen over de gesteldheid van den 
grond langs de Soengi Karang-intan , van de Kampong Apat 
afwaarts. 

Naarmate men van dat gehucht de rivier afzakt, verdwijnt 
de dioriet-formatie langzamerhand meer en meer, en vindt men 
er, beneden de Kampong Bakong, geene vaste rotsen meer van. 
Daarentegen neemt men in de nabijheid van den heuvel Djawok, 
klippen van een grofkorrelig zandsteen waar ; en iets lager , bij 
de Kampong Soengi-alang, aan de regteroeverzijde , vooruit- 
stekende lagen van een wit en fijnkorrelig zandsteen. Naast dit 
zandsteen treedt eene bank van bitumineus hout, de lengte 
hebbende van ongeveer 60 voeten en uit duidelijk te onder- 
scheiden boomstammen zamengesteld , open te voorschijn. Zoo- 
wel deze bruinkoolachtige bank , welke schuins naar het water 
helt, als ook de zandsteenrotsen, worden door eene, omtrent 
drie voet dikke bedding van een, veel ijzeroxjde inhoudend, 
kwartsconglomeraat overdekt, en dit conglomeraat vervolgens 
weder door de teelaarde, ter dikte van bijna twaalf voeten. In 
de rivierbedding op die hoogte, zijn ook stukken bruinkool en 
thonsteen geenszins zeldzaam. Yoor het overige zijn de oevers 
der Soengi Karang-itan , langs het grootste gedeelte van haren, 
door ons bevaren loop, vlak, en deze gesteldheid neemt, inde 
benedenste helft , meer en meer in uitgebreidheid toe. De grond 
is overal zeer vruchtbaar en voor alle Indische tuin- en veld- 
gewassen ter aanplanting geschikt. — Bij eene zandbank in de 
rivier, tusschen de gehuchten Mandiangin en Bakong, troffen 
wij zeven mannen en vrouwen aan , die zich met goudwasschen 
onledig hielden. Elk hunner had een groot houten waschbord 
{lingganan) voor zich, waarop kleine hoeveelheden zand, al 
draaijende werden uitgewasschen. 

In den vroegen morgen van den 26**®° October, aanvaardden 
wij den togt naar Mataraman of Martaraman, gelijk wij dien 
naam verschillend hebben hooren uitspreken. Van de Kampong 



286 

Karaug-itan afwaarts, waren schier onafgebroken, nu eens de 
regter, dan weder de linker, soms ook beide de oevers, met 
bamboezen haizen en vrachtboomen bezoomd , zoodat de onder- 
scheidene dorpen als ineen liepen en er naauwelijks eenige af- 
scheiding was op te merken. Daar, waar de Soengi Karang- 
intan zich met de Soengi Martapoera vereenigt, vormt deze 
laatste eene groote znidelijke bogt, welke door een gegraven 
kanaal is bekort, dat onder den fraai klinkenden naam van 
Antassan Istanboel of Istamboel bekend is. Wanneer de inboor- 
lingen uit de Soengi Martapoera opvaren en hare vereeniging 
met de Soengi Karang-intan bereiken, duiden zij de laatste 
veelal met den naam Soengi Biam-kanan (rivier der regter 
watervallen), en de Soengi Martapoera, met dien van Soengi 
Aiam-kiwa (rivier der linker watervallen) aan; verder 
opwaarts draagt deze buitendien den naam Soengi Batoe-api (ri- 
vier der brandende steenen, d. i. steenkolen). 

De vaart langs de Soengi Martapoera tot Martaraman gaat 
minder langzaam, doordien de regter oever van een doorloo- 
pend voetpad is voorzien , en de praauwen derhalve aan de lijn 
kunnen worden voortgetrokken. De boorden der rivier zijn vlak 
eii verhieven zich destijds, bij lagen waterstand, afwisselend van 
15 , 20 — 30 voeten boven den vloed. Zij zijn vrij sterk bewoond, 
vooral de regter zijde. De hoeveelheid vruchtboomen , en in het 
bijzonder die der palmen, is buitengewoon aanzienlijk. In de 
groote Kampong Djatti, het eerste dorp, dat wij in de Soengi 
Martapoera aandeden, was het juist markt, die digt aan den 
oeverkant gehouden werd. Er lagen daar zeer vele djoekoengi 
en andere ijzerhouten praauwtjes [prahoe hajoe best) in de rivier, 
en de marktplaats wemelde van menschen , het meest vrouwen , 
door welke allerlei voortbrengselen van het land en andere goe- 
deren te koop waren uitgelegd of verhandeld werden. Gedroogd 
hertenvleesch (dinding Minc^angan) was er rijkelijk voor- 
handen. 

De bejaarde vrouwen toonden zich meestal zeer vrijmoedig 
en spraakzaam jegens ons; de jonge meisjes echter schuchter 
en bedeesd. Wij zagen er velen van middelmatige grootte en 
van eene slanke en welgevormde gestalte; doch hare gelaats- 



287 

trekken waren meestal grof en onbevallig. In hare kleedingen 
de wijze hoe zij haar lang en fraai git zwart hair opsteken 
wijken zij niet veel van die der Maleische en Javaansche vrou- 
wen af. Vele dragen een kort, wijd en van voren gesloten baaitj e, 
van wit of met indigo blaauw geverfd katoenen lijnwaad , en 
eene blaauw- of rood-gestreepte sarong. De Banjeresche mannen 
snijden hun hair dikwerf af en binden eenen bonten zakdoek 
om het hoofd. Hunne overige kleedingstukken bestaan voorna- 
melijk in baaitjes en broeken , meestal van eene tamelijke grove, 
door de vrouwen geweven stof, met roode of blaauwe strepen ; 
somwijlen ook in witte baaitjes. De broeken zijn eenigzins wij- 
der, dan die der Javanen, en worden insgelijks, boven de 
heupen, met eene koord, die door eene lis gaat, opgehouden. 
De wapenen der Banjerezen, in klewang^s, krissen en lansen 
bestaande, hebben meer overeenkomst met die der Makassaren 
en Boeginezen , dan met die der Javanen. Vraagt men eindelijk 
naar de geaardheid dezer Mohammedaansche inlanders, dan 
moeten wij bekennen , dat zij in welwillendheid en naarstigheid 
bij hunne Heidensche landgenooten , de Dajakkers, verre ach- 
terstaan. Zij achten zich, als het ware, van een beter allooi, 
en die streelende gedachte geeft steun en voedsel aan hunne 
natuurlijke traag- en vadzigheid. — Doch, vatten wij den 
draad van ons reisverhaal weder op. — Niet ver boven de, 
van 80 tot 90 huizen en ruim 450 zielen tellende, Kampong 
Djattiligt, aan dezelfde oeverzijde der Soengi Martapoera , het 
bijkans even groote dorp Loktoengol, terwijl boven dit dorp, 
op min of meer verwijderde afstanden van elkander , de kleinere 
Kampong's: Lokkambat, Danau-salak, Madang-talo, Bohan, 
Atani, Martaraman, Martalaga, Lok tjantong, en nog een aantal 
andere gelegen zijn. In het hooger gedeelte van haren loop is 
de Soengi Martapoera of eigenlijk Soengi Batoeapi , gelijk zij daar 
heet, gedurende de oost-moeson , en vooral ook wegens onder- 
scheidene Riam's, onbevaarbaar; deze natuurlijke beletselen 
verminderen zeer de waarde der uitgestrekte bruinkolen-bed- 
dingen, welke, op den afstand van drie of vier dagreizen ten 
noord-oosten van Martaraman , door die rivier tevens doorsneden 
worden. Het is daar, dat onze Regering sedert eenige jaren, 



288 

onder de leiding van deskundigen , mijnen heeft doen ontginnen. 
De kolen zijn er in verbazende hoeveelheid voorhanden en 
door het geheele heavelland verspeid. Hunne vorming dagtee- 
kent uit verschillende tijdperken, doch overschrijdt in oudheid 
niet de tertiaire formaties. De benedenste lagen, wier goede 
hoedanigheid proefondervindelijk is bewezen , hebben onder den 
druk van zandsteenen, klei en kalksteenen de deugd en digt- 
heid van oude kolen verkregen , en vertoonen schier geen spoor 
van eene vezelige zamenstelling. Bij de hooger liggende kolen, 
die meestal met lagen van zand en gerolde steenen afwisselen, 
is echter dikwerf de houtstructuur duidelijk te onderscheiden. 
Sommige kolen-beddingen hebben eene dikte van omtrent 50 
voet; bij andere wisselt zij van tusschen de 20 en 5 voeten 
af. In de oudste bruinkolen-beddingen neemt men niet zelden 
dunne lagen van schieferthon waar, waarin thonige sphaerosiderie- 
ten zijn besloten , terwijl in de meer houtachtige diluviaalkool 
dikwijls de thonige bruin ijzersteen in knolvormige klompen 
voorkomt, vooral menigvuldig in de tusschenlagen van zand 
klei en gerolde steenen. Yan de kolen-, zoowel als van de 
zandsteen- en naburige kalksteen-lagen, verschilt de hoek harer 
helling van 50 — 90 graden, en hare rigting is N. W. en 
N. t. W. 'ï»). Zand- en kalksteenen, uit de middelste afdeeling 
der secondaire bergformatie , stillen hoofdzakelijk de hoogten 
langs den bovenloop der Soengi Martapoera zamen. Bij Marta- 
raman bevat het bed dezer rivier vele ruwe klippen ^an ko- 
raalkalk , die gedeeltelijk boven den waterspiegel uitsteken. Zij 
vertoonen van buiten vooral soorten van de geslachten Astrea 
en Meandrina, op de nog levende gelijkende, terwijl die 
rotsen uaar binnen toe, uit een wit en vast of fijnkorrelig 
kalksteen bestaan. 

Yan het gehucht Martaraman, dat volgens barometer-meting, 
slechts 6,5 meters boven het zeevlak is gelegen, vindt men, 
behalve de op onze kaart aangeteekende, ook voetpaden oost- 
waarts over het Katoes-gebergte naar Goesan en Fagattan, en 
zuidwaarts naar de hoogere gedeelten der Nagara-rivier en 
naar die van Pasir. De omstreken van Martaraman zijn, zoo 
ver men zien kan, vlak. De Sultan heeft daar eene soort van 



289 

lusthuis, gelijk ook te Martalaga, hetwelk bij echter zelden 
bezoekt. Te Martaraman vertoeft hij gewoonlijk om de twee of 
drie maanden een paar weken, voornamelijk ten einde zich 
met de hertenjagt te vermaken. Niet ver vau zijn bamboezen 
woonhuis staat dat van een\ zijner zonen, Pangeran Noeh , een' 
gedienstig, spraakzaam' en baarblij keiijk met een gezond ver- 
stand begaafd' man, door wiens goedheid ons dadelijk na onze 
aankomst, een nachtverblijf werd aangewezen. Vergezeld van 
dezen prins, gingen wij tegen den avond den Sultan begroeten, 
die ons, gelijk altijd, minzaam ontving en tegen den volgenden 
ochtend tot het bijwonen eener jagtpartij uitnoodigde. Deze 
jagt had op den afstand van omtrent één uur gaans ten 
zuiden van Martaraman plaats, op eenegroote,metalang-alang 
en enkele- verspreide struiken en kleine boomen van Melastomae . 
en Emblica officinalis begroeide vlakte. De westzijde van ons 
jagtveld was met middelmatig hoog bosch bezoomd, uit het- 
welk eene menigte inlanders , door een luid geschreeuw en het 
slaan met stokken, het wild opjoeg en naar buiten dreef. Digt 
langs den kant van dat bosch was een lang en van achteren 
gesloten perk {pamiling) aangelegd van hooge palen, waar de 
herten inliepen , gevangen en vervolgens door de vrouwen van 
den vorst met zijden koorden gestrikt werden. Op die wijze 
verkrijgt men soms 40 of 50 herten te gelijk. Op geringen 
afstand buiten het besloten perk en het bosch, waren, onder 
elkander, twee lange, met jonge bladeren van den Arenpalm 
behangene lijnen gespannen, welke, door den wind bewogen, 
het wild afschrikten en weder boschwaarts joegen, zoodat het 
alsdan in de pamiling liep, waarna de deur van dit perk werd 
gesloten. Die herten echter, welke over de lijnen heen sprongen 
en langs de vlakte poogden te ontvlugten, werden door jagers 
te paard achtervolgd en, op de wijze vau den in Zuid- Amerika 
gebruikelijken lazo , door middel van een' strik gevangen. 
Schietgeweer , lansen noch houwers, gelijk op Java, worden 
daarbij gebezigd. De jagers zijn zonder zadel of stijgbeugels 
te paard gezeten en hebben noch baadjes , noch zelfs eene broek 
aan, maar alleen een iain pandjang om het midden geslagen. 
Eene vierkante beteldoos {tepa) met rood , geel of wel groen laken 

19 



290 

overtrokken, hadden vele hunner aan eenen band over den 
schouder hangen, i^o). De vangstrik is aan den toom des paards 
bevestigd en wordt, met behulp van een' langen en dunnen 
bamboesstok, van 8—9 Rijnl. voet, dien de jager in zijne 
regterhand houdt en aan welks vooreind, tusschen eene spleet, 
de strik is vastgeklemd en opengezet, in vollen ren het vlug- 
tende dier om den hals geworpen. De strik s;elf heeft gewoonlijk 
de dikte van eene ganzen- of zwanenschacht en is of van zijde 
of uit boombast (vooral van Paritiura) gevlochten. Zoodra een 
hert in den strik zit en door den ruk van het plotseling stil- 
staande paard is ter aarde gestort, stijgt de jager af, kapt met 
zijn jagtmes eerst de groote pees der achterpooten van het hij- 
gende en spartelende dier door, en snijdt het vervolgens , onder 
.het prevelen van eenige vrome woorden, de keel af* Er werden 
op den dag van onzen jagttogt, 21 herten (Cervus russa) en 
1 KidofHg (Cervus muntjac) gevangen ; doch bij groote jagten 
en in streken, waar er in langen tijd geene hebben plaats 
gehad, gebeurt het wel eens, dat de buit binnen twee of drie 
dagen niet minder dan 600 — 800 herten bedraagt. De jagtop 
deze dieren is voor de Bandjeresche grooten niet alleen eene 
aangename uitspanning, maar tevens eene bron van inkomsten, 
doordien het gedroogde vleesch , de horens en pooten , gedeeltelijk 
naar Java of andere eilanden van den Indischen Archipel, en 
gedeeltelijk regtstreeks naar China worden uitgevoerd. — 
Naauwelijks te Martaraman teruggekeerd , zond ons de Sultan 
twee herten ten geschenke, waarvan wij er, op onze beurt, 
een van aan Fangeran Noeh aanboden. Het andere lieten wij 
naar onze djoekoeng brengen, en zakten toen, na den middag, 
in vier uren tijds, de rivier af naar Martapoera. Even beneden 
de vereeniging der rivier van dien naam met de Soengi Karang- 
intan, ligt de volkrijke Kampong Bintjaran en , nog iets lager, 
de Kampong Tambak-andjer. Aan het beneden-einde van dit 
dorp, op den regter oever, staan eenige bamboezen huizen, 
tot kazernen voor de lijfwacht van den Sultan strekkende, en 
niet ver daarachter is een huis van Zijne Hoogheid gelegen, üc 
Kampong Toengoelirang kan eigenlijk .als het oostelijk uiteinde 
van Martapoera worden beschouwd , aan welke hoofdplaats zich 



291 

Toengoelirang onmerkbaar aansluit. Schier langs den geheelea 
loop der rivier, namelijk van beneden Martaraman , waar de 
kalkrotsen eindigen , tot digt bij Toengoelirang , vertoont 
hare bedding een' lossen grond van leemige aarde en hier en 
daar eenig zand met gerolde kwarts- en andere steenen. Bij 
Toengoelirang tot beneden den Kraton van den Sultan , bestaat 
daarentegen de bodem der rivier uit rotsen van het reeds ge- 
noemde kwarts-conglomeraat — Het verdient melding, dat 
een weinig beneden de Kampong Kajoe-tangi, bij het gehucht 
Amboeloeng, zich een groote, breedgetakte vijgenboom (Ficus 
benjam ina) bevindt, poAon Djinga geheeten , aan welken het 
bijgeloof eene groote vermaardheid heeft geschonken, daar de 
overlevering wil, dat telkens, wanneer hem een tak ontvalt, 
ook een lid van de vorstelijke familie ten grave zal dalen: is 
zoodanig takje aan het onderste gedeelte des booms afgeknakt, 
dan kondigt zulks den dood aan van eenen prins of prinses; 
ontvalt het daarentegen aan het bovenste gedeelte of den top, 
dan is er ontwijfelbaar het leven van den Fanembahan mede 
gemoeid. 

Den 7^®" November trokken wij van Martapoera, over de 
diamant- en goudrijke streek van Oedjoeng-moeroeng en Goenong- 
lawak, naar Banjoewirang, en den volgenden dag van daar 
verder zuidwaarts, naar Poeloe-lampej in de Laoet-landen. Wij 
namen ditmaal onzen wegoverderijkejagtvelden: Kaliwoengoe, 
Padang Sela en anderen van den Pangeran Mangko Boemi, 
welke omtrent een uur gaans van Martapoera gelegen zijn. 
Onderscheidene oude pamiling's of afgesloten perken tot het 
vangen van herten, stonden hier en daar, langs de boschkanten, 
door welke de golvende grasvlakten van elkander werden af- 
gescheiden. Tusschen het alang-alang dezer vlakten groeiden 
dun en schier bij uitzondering Malaka-boomen (Emblica offi- 
cinalis), die door hunne kleine, schrale en fletse bladeren ge- 
noegzame bewijzen opleverden van den waterarmen grond 
en der verschroeijende hitte, welke deze opene en zonnige 
oorden op het midden van den dag te verduren hebben. Toen 
wij ons in de nabijheid van Oedjoeng-moeroeng bevonden , zagen 
wij, bij een' helderen dampkring, duidelijk, doch verre in het 



292 

Z. Z. O., eenige hooge bergtoppen, welke onze gidsen ver- 
klaarden, die van den Goenong Sakoembang en Goenong Ka- 
mokoes te wezen. Te Oedjoeng-moeroeng was het aantal miju- 
gravers, sedert ons eerste bezoek, aanmerkelijk vermeerderd, 
en waren er vijf nieuwe groeven geopend, in ieder van welke 
12 — 16 mensclien arbeidden. Twee of drie dezer lieden stonden 
beneden in den kuil, dolven en schepten den grond en het 
onophoudelijk toevloeijeude water, in kleine emmertjes, welke 
zij aan eenige boven hen, op eene houten stelling in denkail 
zittende mannen toereikten, die ze vervolgens aan de op den 
rand des kuils staande werklieden ter lediging overgaven. De 
kuilen hadden alle tusschen de 4 en 5 voet middellijn, en 
sommige waren reeds 30 — 36 voeten diep. In deze was men 
juist bezig aan het uitdelven van de tanai batoe of jmir 
(steengrond of zand); in eenen der kuilen scheen deze 
diamant-, goud- en platinarijke , steenige bedding haar einde 
te hebben bereikt en vonden de mijngravers alreeds de pen- 
dakan i^^), gelijk door hen de onvruchtbare, geel- ofgrijs- 
achtige kleiaarde, beneden de steenige bedding , wordt genoemd. 
Het is wel te verwonderen, dat die lieden bij hun werk niet 
meer door ziekten worden aangetast , vermits zoowel zij , welke 
zich bezig houden met het uitwasschen van den gMtid , ITs 
diegenen, welke beueden in de kuilen arbeiden, soms halve 
dagen lang , tot aan de borst in het water staan en hun naakt 
ligchaam vaak geheel met modder overdekt is. De kleine 
riviertjes, welke die streek doorkronkeleu en het noodige water 
tot het mijnwerk opleveren , stroomen weldra , onder den naam 
van Soengi Bankal , in de Batang Banjoe-pamatton of Soengi 
Silinsing te zamen. Te Goenong-lawak stond een gedeelte van 
het mijn-terrein onder water, ten gevolge van het doorbreken 
van eenige dammen en de sterke regens, welke weinige dagen 
te voren gevallen waren. Op geringen afstand ten zuiden van 
Goenong-lawak, verrijzen eenige zacht glooijende heuvelen, 
die echter weldra weder in een geheel vlak land uitloopen. Te 
Banjoewirang overnachtten wij in de woning van den Pem- 
bakal; dit huis stond digt aan de linker zijde der Banjoe- 
pamatton; de overigen lagen verspreid in eene moerassige 



293 

vlakte, roet zwarte wateren, waaraan dat gehucht zijnen naam 
ontleent ">). 

De landstreek , welke wij op den weg van' Banjoewirang naar 
Poeloe-lampej doortrokken, was eentoonig en slecht bewoond. 
Aanvankelijk togen wij , gedurende een paar uren , niet dan over 
heete en onvruchtbare alang-alang vlakten, tusschen welke hier 
en daar boschgroepen , als zoo vele oases, oprezen. Steenklom- 
pen van het vroeger beschrevene kwarts-conglomeraat , staken 
niet zelden boven den grond uit. Nabij het gehucht Oedjong 
zagen wij de eerste plantaadjes van zwarte peper : eene kuituur -/ 
welke in vorige tijden zulk eene aanmerkelijke uitbreiding in 
de Laoet-landen verkregen* had, doch, bij gemis van aanmoe- 
^iS^°S> allengs geheel was in verval geraakt en eerst sedert 
weinige jaren wederom eenigzins is toegenomen. Nog tijdens de 
regering van Fanembahan Soleman zouden alleen de omstreken 
van Palaihari jaarlijks 6000 — 8000 pikols peper opgeleverd 
hebben. Ook bij den kleinen berg Kramian werd toen veel 
peper gebouwd, en de Sultan betaalde dikwerf, bij gebrek aan 
geld , ter naauwernood f 1 per pikol J^»). Benevens peper , telen 
de bewoners der gehuchten Oedjong, Pangatoengan en Telok- 
poelantan , die allen niet ver van elkander verwijderd liggen, 
ook rijst, bataten, suikerriet enzv. en koken zij bruine suiker 
uit het zoete sap van den arenpalm. Deze boomsoort en de kokos- 
palm groeit daar in menigte rondom de huizen , welke meest 
van kadjang en met alang-alang gedekt zijn. Bij de Kampong 
Patipati wordt de grond drassig en behoudt hij deze gestelte- 
nis over eene groote uitgestrektheid. Deze moerassige, schier 
alleen roet gras en riet begroeide landstreek, welke door on- 
derscheidene rivieren, waaronder de Soengi Moloeko, doorsne- 
den wordt, draagt den naam van Padang Banjoe (water-vlakte). 
Aan haren zuid-westkant ligt de Kampong Poeloe-lampej. Het 
was daar, dat de Heer Hare, in 1812, eene Javaansche volk- 
planting wilde stichten (zie bl. 142). Op den top eener kleine 
hoogte zagen wij nog de overblijfselen van zijn planken woon- 
huis, en aan de helling van eenen anderen, daar tegenover lig- 
genden heuvel, wees men ons de plaats, waar hij eene sterkte 
en em gemetseld kruidmagazijn had doen bouwen. Na Borneo 



verlaten te hebben, vestigde zich de Heer Harc^ met zijne in- 
landsche volgelingen, zoo mannen, vrouwen als kinderen, op 
de Kokos- of Keeling-eilanden, bijna 150 geogr. mijlen teu 
Z. W. van Straat-Sunda en buiten, alle Europeesch beheer ge- 
legen 124^ ; doch zijn wispelturig en willekeurig karakter waren 
oorzaak, dat hij ook op die eenzame plek, te midden van de 
Oceaan, niet lang rustig en vreedzaam leven kon. — Eenige 
jaren vóór ons bezoek van Poeloe-lampej was, door eene ver- 
eeniging van een paar Chinezen, oenen Arabier en den Fange- 
ran Mangko Boemi, aldaar een suikerplantaadje met eene fabriek 
aangelegd, welke onderneming destijds door den deelhebbenden 
Arabier bestuurd werd. Het riet werd er door Dajaksche paude- 
lingeu en vrije inlanders uit de omstreek geplant, en tegen den 
prijs van ƒ2 de 100 bossen of 600 stokken, eerste soort, aan 
de fabriek afgeleverd. Van 480 — 500 zoodanige stokken, verze- 
kerde ons de Arabier , maakte hij gewoonlijk één pikol suiker, 
terwijl men in de suikerfabrieken op Java, door elkander 1000 
stokken voor één pikol berekent noodig te hebben. Onze baro- 
memeter stond bij Poeloe-lampej even hoog, als aan het zee- 
strand, en de thermometer teekende te 1 ure na den middag, 
bij helderen hemel, 30 centigradeu. 

Na een paar dagen oponthoud gingen wij, den 12**" No- 
vember, op reis naar den Gpenong Sakoembang. Het voetpad, 
dat wij volgden , liep bezuiden om den kleinen berg Fanti en 
over de gehuchten Tamboerong, Poeloe-nangka, Bilimbiug en 
Ilabalang. In de nabijheid van den Goenong Fanti, waar 
het land heuvelachtig werd, vertoonde zich weder een fijnkorrelig, 
blaauwachtig graauw diorietgesteente of gabbro, van hetwelk, 
langs de zacht glooLjende hellingen der hoogten of heuvels 
{Moengoe^a)^ die wij overtrokken, dikwerf blokken uit deu 
grond staken, en waar de beddingen der kleine rivieren , welke 
van den Goenong Fanti afkwamen en zuidelijk stroomden, 
met gerolde stukken als bezaaid lagen. Het vlakke en golvende 
land was voor het overige ook daar in het oog loopend dor en 
voornamelijk met alang-alang bewassen ; alleen in de kleine tas- 
schenliggende dalen , waar gewoohlyk eene waterbeek murmelde, 
groeiden boomen en struiken van wild hout. Langs de hellingen 



S95 

van dtm Goeuong Fanti en Van andere soortgelijke heuvelen 
en kleine bergen in den omtrek , zag meu hier en daar ladangs, 
in welke vele half verbrande bo3m5tronken ten bewijze verstrek- 
ten der vroegere aanwezigheid van bosschèn. Eenzaam lagen op 
die kale plekken gronds de armoedige huizen of hutten der 
eigen;iren. Geheel anders was de indruk, dien het hooge ge- 
bergte op ons maakte, dat zich aan den oostelijken gezigtein- 
der verhief en eeneruwe, digt met bosch bedekte keten vormde» 
boven welker rug nog enkele puntige toppen uitstaken. Aan 
den oostkant van den Goenong Panti verdween de diorietfor* 
matie, en namen wij zeer menigvuldig kwartskeijen in de kleine 
valleijen waar, terwijl een weinig verder, aan den voet van 
den kleinen berg Langaras, gerolde steen en van graniet en 
micascbiefer in de rivierbedden niet zeldzaam waren. Voorbij 
Tamboerong, waar wij slechts een enkel verlaten huis aantrof- 
fen, in hetwelk wij nachtverblijf hielden, terwijl wij den vol- 
genden ochtend onze reis verder voortzetteden , liep de weg 
eene wijle door hoog bosch, en voorts afwisselend over eeue 
golvende landstreek , van eene roode , sterk met kwartszand en 
kwartskeijen gemengde kleiaarde; slechts nu en dan vertoon- 
nen zich klipsteenen van grabbo, serpentijn of dioriet. Wo- 
ningen en bebouwde stukkeu gronds waren zeldzame ver- 
schijnselen. Naarmate wij digter bij het groote gebergte kwamen, 
verkreeg echter het land een vruchtbaarder aanzien, waartoe 
vooral de ruimere hoeveelheid water zeer veel bijdroeg. 

De geheele streek, van den kleinen Goenong Fanti tot aan 
de hooge bergen Sakoembang en Kamokoes , behoort tot het ri- 
vier-gebied van de Soengi Taboeniauw, die aan de westkust 
der Tanah-iaoet in zee uitstroomt. In de bovenste helft van 
dat rivier-gebied, in eenen omtrek van ruim 4t vierkante geo- 
graphische mijlen , of van Tamboerong en Foeloe-naugka zuid- 
waarts tot Palaihari, en oostwaarts tot Betjandjang, aan den 
voet van den Goenong Sakoembang, wordt op vele plaatsen, 
door Chinezen en inlanders , naar goud gezocht , en vindt men 
verscheidene groote goudwasscherijen. Schier overal , waar men 
de roode, zandige en vele kleine kwartssteentjes bevattende 
kleiaarde aantreft,, werden ook mijngroeven en somtijds water- 



296 

leidingen aangelegd. Langs den weg van Tamboerong tot 
Foeloe-nangka alleen , zijn door ons meer dan 80 oude groeven 
geteld. De meesten waren eenigzins langwerpig vierkant, had- 
den 3 — 4 voet middellijn en tusschen de 6 — 12 voet diepte, 
en liepen dikwerf, van onderen, in eenen 4, 6 of 8 voet langen, 
waterpassen gang {selongang) door de goadvoerende bedding van 
gerolde kwartssteenen , voort. Tiiet ver beweaten Poeloe-nangka 
troffen wij vier Chinezen met negen Dajaksche werklieden aan , 
die zich aldaar sedert driejaren, voor rekening van den Kapitein- 
Chinees te Bandjermasin met goudwasschen hadden bezig ge- 
houden. Er waren tot dat einde door hen onderscheidene diepe 
sloten en hooge dijken , ter vergaring van eene genoegzame 
hoeveelheid water, aangelegd. Bij deze, meer in het groot en 
naar zekere bergbouwkundige regelen bewerkstelligde goudwas- 
schingen, wordt de bovenste, aan metaal arme kleilaag, bij 
groote, halfcirkelvormige plekken , eenvoudig door waterstroomen 
afgespoeld, en de aldus kunstmatig ontbloote, goudrijke zandgrond, 
aan de benedeneinden der waterleidingen, met behulp van rot- 
tingmandjes (o/aH) en houten schotels (^(?^/a»^ of lingganan)^ 
gezift en uitgewasschen. De bovenste, door ijzerroest rood ge- 
kleurde kleilaag, waarin niet zelden groote hoekige blokken van 
serpentijn of dioriet worden gevonden , is gewoonlijk 5 — 8 of 10 
voeten dik, terwijl de onder haar liggende, losse, steenige bedding, 
Welke voornamelijk uit gerolde kwartssteenen en stukken serpentijn 
is zamengesteld en, benevens korreltjes en schilfertjes van goud, 
ook eenig platina en veel magneetijzerzand bevat, nu eens de 
dikte heeft van 2 of S voeten , maar ook somtijds slechts van 
8 of 10 duimen Rijnl. ia*). Onder dit metaalrijke diluvium 
treft men somwijlen vaste rotsen van serpentijn aan , doch me- 
nigvuldiger eene nagenoeg steenlooze leemachtige aarde. De- 
zelfde geologische verschijnselen neemt men tot op de hoogte van 
omtrent 500 voet boven het zeevlak, langs de westelijke hel- 
ling van den Goenong Sakoembang waar. Serpentijn , dioriet en 
syeniet, welke rotssoorten ook elders elkander dikwerf verge- 
zellen, en door de verandering en menging van hare zamen- 
stellende deelen, nu en dan onmerkbaar in elkander overgaan, 
worden, bij afwisseling, tot op den 967 meters hoogentopvan 



297 

gemelden berg waargenomen. — Op den weg van Poeloe- 
nangka naar de Kampong Bilimbing , vonden wij wederom twee 
Chinezen , welke daar sedert 2 jaren woonden , en zich ge- 
durende de west-moeson met gondwasschen , en in het drooge 
saizoen met het bebouwen van ladang^s bezig houden. In de 
voorafgegane west-moeson hadden zij, volgens hnn zeggen, 
slechts 5 tailen gond gevonden; daar echter de Chinezen van 
het f door hen in de Laoet-landen gedolven stofgoud, het 
tiende gedeelte, bij wijze van patentregt, aan het Gouverne- 
ment moeten ten beste geven, is het wel te vooronderstellen, 
dat zij hét wezentlijke bedrag hunner vondst steeds zooveel 
mogelijk zullen trachten te verkleinen en te verduisteren, ten 
einde zich aan die belasting te onttrekken. Doch de voormelde 
hoeveelheid als maatstaf aannemende, dan zoude een mijn- 
graver, naar het Chinesche stelsel van goudwassching , door 
elkander 5—6 tailen stofgoud in het jaar kunnen winnen, het- 
geen, na aftrek der lands-belasting, berekend tegen /60 de 
tail "«)j eene zuivere winst van omtrent ƒ300 per hoofd aan- 
wijst. Het aantal goudgravende Chinezen en Dajakkers, welke 
laatsten alleen voor vast loon, zijnde 8^10 gulden in de 
maand , voor de eerste werken , wordt tegenwoordig in die streken 
van Borneo op ongeveer 200 koppen begroot. 

Te Habalang namen wij onzen intrek in een klein en luchtig 
huisje van boomschors, dat op twaalf voet hooge stijlen rustte 
en eenzaam in eene ladang, digt bij een riviertje, 'gelegen 
was. De Mohammedaansche eigenaar stelde ons de voorste helft — 
een vertrekje van 6 voet lengte , 7 voet breedte en omtrent even 
zooveel hoogte — tegen een geldelijke vergoeding, gedurende 
ons verblijf aldaar , gaarne ter beschikking. Het achterste vertrek 
bevatte een paar manden vol rijst, onderscheidene ledige draag- 
korven en houten schotels tot het gondwasschen bestemd, 
twee of drie bijlen en kapmessen, en eenige oude kleeding- 
stukken. In de nabijheid van het huis groeiden struiken Spaansche 
peper, bananen, suikerriet, pompoenen, bataten en meer andere 
tuin- en veldgewassen. Rondom het veld zag men niet dan 
hoog bosch. Onze barometer gaf aan dat oord eene hoogte van 
60 meters boven de zee. Tegen den avond onzer aankomst. 



r 



298 

hoorden wij daar voor het oerst de sterke stem vaii Argus 
giganteus, weikeu vogel de Bandjeressen Haroewe of Haroeë 
uoemèu , terwijl hij bi) de Maleijers op Sumatra , iu nabootsing 
van zijn eigenaardig stemgeluid, ónder den naam van Koewau 
bekend is. Den volgenden ochtend, reeds voor zonsopgang, 
vernamen wij ook het ver galmende geschreeuw van Hjlobates 
Goucolor en van twee soorten van groote neushoorn vogel (Buceros 
galeatus en rhinooeros): geluiden, die ons h^nnerden, dat 
wij ons in de nabijheid van groote bergen en hooge bosscheu 
bevonden. 

Den 14^^ November bestegen wij den Goenong Sakoembang, 
voornamelijk met het doel om zijne hoogte met den barometto: 
te meten, en aldus eenen maatstaf te erlangen tot het bepalen 
der gemiddelde hoogte van het Ratoes-gebergte. Wij gingen 
aanvankelijk langs den kleinen bergstroom Habalang, dien wij 
meermalen moesten doorwaden, alswanneer wij aan de goud- 
groeven van Betjandjang of Batoe-betjaudjang kwamen, waai, 
op eene vrije plek , een tiental ellendige hutten van boomschors 
stonden , aan welke toch de naam van Kampong werd gegeven, 
en die aan de tijdelijk daar vertoevende mijngravers tot slaap- 
plaatsen verstrekken. Reeds op den weg derwaarts merkten wij, 
langs den loop der Soengi Habalang, eene menigte oude mijn- 
groeven op; doch bij de Kampong Betjandjang was de grond 
aan weerskanten van genoemd riviertje, als eene zeef met gaten 
doorboord. De groeven waren vierkant, ^—3 voeten wijd en 
8 — 9 voeten diep. Vele waren gedeeltelyk ingestort; sommige 
half met water gevuld ; doch enkele uieuweren tot op den bodem 
gaaf, én iu deze zag men dikwerf groote bolronde blokken en 
ook hoekige rotsen van serpentijn langs de wanden uitsteken. 
Er waren toen drie jaren vervloden, sedert de eerste groeven 
op die plaats werden geopend, en omstreeks een jaar later had 
men den grond al hooger , langs de boorden der Soengi Habalang 
en Soengi Tantoi, met hetzelfde oogmerk onderzocht, en vooral 
langs het laatstgenoemd riviertje zeer r\jk aan goud bevonden. 
Dit riviertje kronkelt door een diep dal, binnen hetwelk de 
hoogste mijngroeven toen, volgens barometer-meting, 150 meters 
boven de oppervlakte der zee lagen. Ook daar vertoonden zich 



299 

iu h«t bosch geopende plekken eii stoud eeu tieaial hutten, 
uit booinschoïs , boomtakken en half verdord loof zamengesteld. 
Wij vonden er een aantal oude menschen, vooral vrouwen, 
welke zich met het goudwasschen onledig hielden , terwijl eenige 
jongere mannen, uit de diepte der gedolven kuilen, het goud- 
rijke zand ophaalden. In dit zand (padr) komen, metkwarts- 
steenen van verschillende grootte, gedaante en mineralogische 
hoedanigheid , en stukken serpentijn , ook zulke van sjeniet 
voor, die echter in de bovenste, onvruchtbare laag menigvul- 
diger zijn, en van welke rotssoort buitendien eene menigte 
gerolde brokken, te gelijk met stukken dioriet en kwarts , in 
de Soengi Tantoi gevonden worden. De goudvoerende bedding 
schijnt voor het overige op den serpentijn te rusten , van welk 
gesteente, langs de oeverhellingen der Soengi Tantoi en van 
andere kleine rivieren in den omtrek, vele zware blokken en 
vaste rotsen waargenomen worden. De bovenste, metaal-arme 
aardlaag reikt tot op eene diepte van 9 — 15 voet en meer: de 
dikte der bedding van het goudrijke zand wisselt gewoonlijk 
van een' halven tot een' geheelen voet af; zelden is zij veel 
dikker. Aangezien deze bedding weleens tot op eene loodregte 
diepte van 20 — 24 voeten wordt bewerkt, gebeurt het ook 
dikwerf, dat in zoodanige kuilen onderaardsche gangen, ter 
lengte van 1 — 3 vademen, in de zandbedding uitgegraven 
worden. Het zand schijnt daar niet slechts rijker te zijn aan 
goudkorrels, maar deze zijn ook meestal iets grooter , onregel- 
matiger van vorm en onefifener van oppervlakte, dan in de van 
het gebergte meer verwijderde en vlakke streken van Falaihari, 
Poeloe-uangka enzv. Dezelfde verschijnselen zijn ook reeds elders, 
en volgens de vroegere Spaansche schrijvers, op de West-In- 
dische eilanden en in Amerika waargenomen ^^'^), Wij hebben 
te Kampong Tantoi twintig mandjes vol, of ongeveer 150 
Nederl. ponden , goudbevattend zand , in onze tegenwoordigheid 
doen uitwasschen , en daaruit verkregen 6 korrels {déci^rammes) 
goud, waaronder enkele stukjes, die nagenoeg de grootte van 
eene kleine rijstkorrel hadden- i^s^. De inlanders verklaren , dat 
zij somtijds op gelukkige dagen wel eens eene waarde van 1 — 2 
gulden aan goudHorrels vinden, doch door elkander gerekend , 



800 

schatten zij hunne verdienste bij dit werk, niet hooger dan 
omtrent 30 centen per dag. Men moet echter hierbij wel in 
aanmerking nemen , de ruwe en on volkomene wijze der bewerking, 
waardoor nataarlijk veel goud verloren gaat, en ook de wei- 
nige inspanning, waarroede dat werk, nit eigene, vrije keos, 
door de inboorlingen verrigt wordt. Elk inlander, die zich aan 
de goadwassching wil begeven, moet zich tot dat einde vooraf 
van een Grouvernements consent-biljet voorzien , dat slechts eene 
maand geldig is en telkens ééne soekoe, of 60 centen, kost. 
Gewoonlijk vereenigen zich drie of vier lieden tot het gemeen- 
schappelijk delven eener mijngroef en het nitwasschen van de 
poêir (zand), gelijk het goud voerende diluvium door de be- 
woners der Laoet-landen genoemd wordt, en deelen alsdan de 
opbrengst met elkander. Tijdens ons bezoek , waren er te Tantoi 
slechts een dertigtal inlanders, en te Betjandjang niet meer 
dan omtrent vijf-en-twintig met het goadgraven onledig; op 
andere tijden/ bepaaldelijk na den rijstoogst, znllen er zich 
echter somwijlen honderden op die plaatsen verzamelen en 
met het goudwasschen {mendoelang mos) bezig zijn. Behalve 
de gewone groote houten hakken {doelang of lingganan) , waar- 
mede het zand wordt uitgewasschen , zagen wij aldaar ook kleine, 
uit den dop eener kokosnoot vervaardigde bakjes, tamboe- 
roeng-titik genaamd , in welke de goudkorrels het allerlaatst ver- 
gaderd en van het magneetijzerzand en andere onreinheden ge- 
zuiverd worden. Platina schijnt slechts weinig aan den voet 
van het gebergte gevonden te worden, en van diamanten 
heeft men daar eerst een paar malen zeer kleine steentjes 
ontdekt. 

Even voorbij de zoogenaamde Kampong Tantoi geleidden ons 
de gidsen , aanvankelijk langs eene vrij steile berghelling, op- 
waarts, en vervolgens over den eenigzins flaanwer rijzenden rug 
van een smal juk , dat aan weerszijden door diepe dalen bezoomd 
was. Omstreeks het middaguur kwamen wij, al klimmende, 
aan eene effene plek , waar wij , op aanraden der ons vergezel- 
lende inlanders , onze tent lieten opzetten en den nacht bleven 
vertoeven. Die kleine vlakte lag ongeveer 350 voeten beneden 
den steilen top van den Gh>enong Sakoembang, aan zijne wes- 



V - J 



801 

lelijke helling. Niet ver beneden deze plaats, volgens onzen 
barometer 858 meters boven de zee liggende, schoot ik een oud 
wijQe, met haar jong aan de borst, van den reeds genoemden 
Semnopithecus rubicundas. Overal verhief zich hoog bosch, 
vooral langs de af hellingen; doch het was, gelijk gewoonlijk 
nabij de eenzame bergkrainen, in het oog loopend arm aan 
dieren. Den volgenden ochtend bestegen wij den top des bergs, 
eD bevonden zijne absolate hoogte 967. meters. Het uitzigt, 
van dat verheven punt, was onbeschrijfelijk schoon. In het Z. 
en Z. O. , zoo ver het oog reikt , niet dan woeste , met bosschen 
bedekte bergen en dalen. De keten van het Ratoes-gebergte met 
zijne groote menigte, meest afgeronde of koepelvormige top- 
pen iw), begrenst in die rigting den gezigteinder. Verreweg de 
meeste dezer toppen zijn oogenschijnlijk vele honderden voeten 
lager, dan de Goenong Sakoembang, die met den Goenong 
Kamokoes en eenige andere bergkruinen , eenen westelijken tak 
van het Ratoes-gebergte vormt. De top van den Kamokoes , die 
zich, niet ver ten oosten van den Sakoembang, steil en kegel- 
vormig verheft, is ongetwijfeld 400 — 600 voeten hooger, dan 
laatstgenoemde berg. De kleine, langwerpige krain van den 
Sakoembang is geheel met kromstammige boomen en struiken 
begroeid , tusschen welke vele rotsblokken van dioriet uitsteken, 
terwijl zich, hier en daar, ook aan de noord- westelijke en 
zuid-oostelijke af hellingen groote, naakte wanden van deze steen- 
soort vertoonen. Lager echter, aan de westzijde van de kleine 
vlakte, waar wij overnachteden , werd het dioriet door een 
porphierachtig syeniet vervangen *5o). Aan den zuid- en zuid- 
oostkant staart het oog in eene zeer diepe en breede vallei, 
door welke de Soengi Asomasan hare wateren met zulk geweld 
voortstuwt, dat men die op den top van den Sakoembang hoort 
bruisen. Aan de W. N. westzijde vertoont zich, zeer nabij, in 
de laagte, de Goenong Batoe-kapit; doch verder noord- en 
westwaarts, rust de blik met welgevallen op een uitgestrekt 
effen land, dat met donkere bosschen, lichte, geelachtig groene 
alang-aiang-vlakten en enkele kleine bergen schilderachtig af- 
wisselt. De Goenong Kramian, Goenong Panti en Goenong 
Langaras, de voornaamste onder de westelijke hoogten , zinkeu 



30« 

hier weg, als groote moUboopen. Gteheel aan den westelijken 
horizont bespeurt men de zee en de breede mondopening van 
de Soengi Barito of rivier van Bandjermasin. — Na een paar 
uren toevens, verlieten wij den top en daalden langs het^ielfde 
pad, dat wij bij het bestijgen van den berg gevolgd waren, 
weder naar beneden. Wij onderzochten alstoen nog gedurende 
eenige dagen de omatreken van Betjandjang en Habalang, en 
gingen vervolgens over de gehuchten Melantong, Klajan en 
Katapan naar Falaihari, van waar wij met een bootje de zeer 
kronkelende Soengi Taboeniauw afvoeren , naar het dorp en 
fort van dien naam, aan het westelijke zeestrand gelegen. 

De landstreek van Habalang toe Falaihari bestaat nit vlakten 
en golvende heuvelen, hier met alang-alang, ginds roet wild 
hont begroeid^ en hier en ginds met oude en verlatene, of 
beplante en bewoonde ladang^s afwisselende. De rijst wordt ook 
daar, als overal elders in de zuidelijke streken van Borneo, 
uitsluitend op drooge boschgronden of ladang'ê geteeld; be* 
waterde rijstvelden {sawaKi) worden er niet gevonden. De ge- 
huchten Melantong en Bilajan bevatten slechts een vijf- of 
zestal kleine en armoedige huizen ; Katapan heeft een eenigzins 
gunstiger aanzien en is tweemaal zoo groot. Over het geheel 
is de inlandsche bevolking van dat gedeelte der Tanah-laoet 
echter zeer gering, en zij leeft voornamelijk van den veld- 
of tuinbouw en de goudwasaching. Nabij de Eampong Katapan 
hadden Chinesche mijngravers eene lange en diepe sloot geschoten, 
tot waterleiding dienende naar eene nieuw ontdekte, goudhoo- 
dende plaats. Klipsteenen van kwarts of van een kwarts-con- 
glomeraat, staken hier en daar uit den rooden, zandachtigen 
kleibodem der vlakten, langs welke wij van Katapan tot Falaihari 
trokken. Van Falaihari verder westwaarts tot aan het zeestrand, 
is het land geheel vlak en, langs de rivier van Taboeniauw, 
op onderscheidene plaatsen moerassig. 

Te Falaihari en een eind weegs zuidelijker, in de, bij een 
klein raeir gelegene Kampong's Kandangan, Ambawangenzv., 
waar de huizen weder doorgaans wanden van kadjang hebben 
en met nipa-bladen zijn gedekt, wonen een paar honderd 
Chinezen, welke zich schier uitsluitend met goudwasschen 



_j 



SOS 

onledig hondeii. Het goud van daar, dat meestal in k1eine> 
gladde schilfertjes voorkomt en in de wandeling, bij verkorting, 
méM laoet i'i) wordt genoemd , behoort tot de beste soorten 
van het zuidelijk gedeelte van Borneo. In sommige drassige 
oord^i vindfc men het tot digt bij de oppervlakte van den 
zwartachtigen moerasgrond. Op eene diepte van 4 of 5 voeten 
ontmoet men eene soortgelijke roode en sterk met kwartszand 
en afgeronde kwartssteenen vermengde kleiaarde, als door ons 
bij Poeloe-nangka en op andere plaatsen in de Laoet-landen 
is waargenomen. Dieper dan 20 of 25 voeten worden geene 
goudschilfertjes meer gevonden. — Kale en dorre grasvlakten, 
die slechts door kleine boschjes worden afgewisseld, omgeven 
de Kampong Palaihari. Alleen in Z. westelijke rigting ontwaart 
men in de verte eene lange keten van kleine bergen en heu-^ 
velen. Wij hebben reeds gemeld , dat voorheen vrij veel zwarte 
peper in de omstreken van Palaihari geteeld werd: eene kuituur, 
die echter allengs geheel te niet is gegaan, doch sedert 
eenige jaren wederom eenigzins is toegenomen. — Van 
Palaihari loopt een weg oostwaarts, bezuiden de bergen Batoe- 
goera en Pamatton-balaran , naar de Kampong Asomasan , 
aan de rivier van dien naam gelegen. In de nabijheid van dat 
kleine gehucht zoude men , in de bedding eener rivier*, Soengi 
Pantain geheeten , welke in de Soengi Asomasan uitstroomt , eene 
groote menigte stukken raagneetijzer vinden. Ook zoeken de 
inlanders op onderscheidene plaatsen dier streken naar goud. 
Op den afstand van omtrent een half uur gaans van Palai- 
hari, over den landweg, en iets verder met een klein bootje te 
water, ligt aan den linker oever der Soengi Tahoeniauw, de 
Kampong Koepang (of Soengi-koepang) ; een gehucht, dat, on- 
danks zijne kleinheid, eene bijzondere vermelding verdient, als 
algemeene marktplaats voor de bewoners der kuststreken en 
die van het binnenland. Daar brengen de handelaren van Pannja-» 
rattan , Taboeniauw en zelfs van Bandjermasin , wit en gekleurd 
katoenen lijnwaden, ijzer-, koper- en glaswaren en velerlei an- 
dere vreemde voortbrengselen ter markt , en verkoopen of ver- 
ruilen die tegen rijst, tabak, stofgoud, vruchten en andere 
waten, welke door de bewoners der verder landwaarts liggende 



304 

gehucbten worden aangebragt. Tot aan de Kampong Koepang 
is de Soengi Taboeniaaw, van beneden af, met matig groote 
vaartuigen bevaarbaar ; doch boven die plaats kan zij , uithoofde 
van hare ondiepe en door omgevallen boomstammen dik werf zeer 
vemaauwde bedding, vooral in de drooge moeson, alleen met 
zeer kleine bootjes bevaren worden. Haar water heeft weinig 
val, is troebel, geelachtig, en strekt aan tallooze krokodillen 
ten verblijve. De geheel vlakke oevers zijn nu eens met bosch, 
dan weder eeniglijk met struiken of hoog gras begroeid. Be- 
neden de Kampong Pannjarattan verhieven zich, tijdens ons 
bezoek , in de laatste helft van November 1836 , de oevers niet 
meer dan 2 of 3 voeten boven den waterspiegel. De bedding, 
welke daar, naar gis, 30 voeten breedte had, verwijdde zich 
allengs tot omtrent 60 voeten, en de stroom van het water 
was zoo gering, dat de werking van eb en vloed der zee zich 
tot boven Pannjarattan deed gevoelen. Naarmate men het 
dorp Taboeniauw nadert, verkrijgt de plantengroei al meer het 
aanzien van dien der aangespoelde zeekusten. De veelal moe- 
rassige bosschen zijn rijk aan rotting'-soorteu , nibong-palmeu 
en andere, zoodanige streken karakteriserende gewassen. In 
deze, schier ontoegankelijke wildernissen, merkten wij ook van 
tijd tot iijd een' troep neusapen op. Eindelijk bezoomden nipa- 
palmen en rhizophoren — zoo geheel tot den plantengroei dei 
lage en aan overstroomiug van brak en zout water blootgestelde 
plaatsen behoorende gewassen — hoofdzakelijk de kanten der 
rivier, en wel tot bij haren mond langs de regter zijde , terwijl 
de linker oever ten laatste droog en zandig werd. Dit vlakke, 
zandige strand strekt zich van daar zuidwaarts tot bij Pöeloe Dato 
uit, alwaar de zeekust klippig wordt. 

De Kampong Taboeniauw telt ongeveer 80 huizen, die iu 
twee rijen langs het strand gebouwd eu door ruim 350 zielen 
bewoond zijn. Een gedeelte der bewoners, tot welke ook eenige 
Chinezen behooren, vindt zijn bestaan in den handel ; anderen 
in het behouwen van ladang's, en nog andereu leven van de 
visch vangst, het snijden van rotting en nipabladen en het ver- 
zamelen van verfstof bevattende boombasten (voornamelijk 
koelit Soga^ tot het verwen van rood-bruin), uit de naburige 



805 

bosschen. Er heerscht daar baarblijkelijk veel meer welvaart, 
dan in de binnenlandsche gehuchten. Aan het noordelijk uit- 
einde van het dorp ligt het steenen fort van denzelfden naam ^ 
dat van vier bastions voorzien en met 10 of 12 stukken ge- 
schut gewapend is, voornamelijk tot beveiliging der bogt , buiten 
de rivier van Bandjermasin , tegen de zeeroovers dienende. De offi- 
ciers-woning en het kruidmagazijn binnen het fort zijn insge- 
lijks van steen; doch de overige gebouwen der bezetting zijn 
van nibongstammen en kadjang, en met atap van de nipapalm 
gedekt. — Van de Kampong ïaboeniauw voeren twee wegen 
naar Poeloe-lampej , waarvan de eene en meest gebruikte die is, 
welke over Pannjarattan en langs den voet van den kleinen 
Goenong Kramian binnenlands heenloopt, terwijl het andere 
pad, van de Kampong Taboeniauw, in noordelijke rigting,het 
strand volgt tot bij de Soengi Bakan, en alsdan landwaarts, 
door eene gedeeltelijk drassige en woeste streek, over de Kam- 
pong ïelok-soempor leidt. Daar wij onze inlandsche jagers en 
andere bedienden , met het meerendeel onzer goederen , reeds van 
Habalang regtstreeks naar Poeloe-lampej hadden gezonden en hun 
gelast, ons aldaar te blijven wachten, poogden wij zoodra 
doenlijk derwaarts terug te keeren en kozen daartoe den minst 
moeijelijken weg over Pannjarattan. Na alvorens nog eenige 
uren op een inlandsch bruiloftsfeest, ten huize van den Pem- 
bakal van Taboeniauw, te hebben doorgebragt, verlieten wij, 
in den laten avond, met den opkomenden vloed, die plaatsen 
voeren de rivier in vijf uren tij ds tot Pannjarattan op. De me- 
nigte boomstammen, meer of minder diep onder het water in 
de rivier gelegen en waar wij , in weerwil van alle oplettendheid, 
voor zooverre de duisternis van den nacht zulks toeliet, onder- 
scheidene keeren met onzepraauw op stieten, droegen aanmerkelijk 
tot vertraging der vaart bij. 

Pannjarattan zal omtrent 20 huizen met 80 zielen bevatten. 
Er schijnt daar veel koophandel gedreven te worden, vooral 
met Bandjermasin. Het dorp ligt niet ver binnen dén mond 
eener kleine zijrivier, Soengi Pannjarattan genaamd, welke haar 
water uit den Goenong Kramian en andere zuidelijke hoogten 
ontvangt en het in de Soengi Taboeniauw ontlast. De naaste 

20 



306 

omstreken fA^n laag en moerassig, en buiten de bewoonde en 
tot veldbouw gebezigde plekken gronds, schier alleen met riet- 
achtig gras begroeid. Nergens elders op Borneo dan daar, zijn 
door ons eene soort van sawah^s of bewaterde rijstvelden waar- 
genomen. De inlanders dammen daartoe groote, langwerpig vier- 
kante bedden in het moeras af, ontdoen die van het gras en 
bezetten hen vervolgens met jonge rijstplanten. Bij laatstgemelde 
verrigting maken zij met hunne lange rijstplanters , koeroeng- 
koeroeng geheeten, eene soort van mazijk, veel overeenkomst 
hebbende met het eentoonige geluid van de angkloeng der Süd- 
danezen op Java. Tot dat einde moeten ten minste een vijftal 
koeroeng-koeroeng-stokken gelijktijdig werken. Zij bestaan uit 
bamboesriet en verschillen, in lengte en dikte, onderling van 
elkander, in eene regelmatig afnemende verhouding, ten einde 
aldus verschillende noten, of hooge en lage toonen voort te 
brengen. Yan een stel van vijf stokken, door ons gemeten, 
had de grootste 4,30 meters , en de kleinste 3,248 meters lengte. 
Aan het boveneinde zit een afzonderlijk , eenigzins dikker stuk 
bamboesriet, door middel van rottingbanden, aan den langen 
stok vast , en bevindt zich , tusschen twee geleden van het riet, 
een stukje hard en zwaar hout , dat bij iedere op- en nederwaart- 
sche schudding van' den hollen stok, door de trilling, een 
klinkend geluid voortbrengt. Onder aan den stok zit een kort 
en dik, kegelvormig houtblokje vast, waarmede de gaten voor 
de jonge rijstplanten in den grond worden gestooten. — Op 
geringen afstand, ten N. N. O. van Pannjarattan, verheft 
zich de Goenong Kramian met zijne drie toppen, waarvan de 
middelste verreweg de hoogste is. De hellingen zijn afwisselend, 
hier dun met laag hout, daar met hoog bosch bedekt, en be- 
vatten tevens vele opene en den landbouw ten nutte gemaakte 
plekken gronds langs den zuidkant, welker eigenaaars gedeeltelijk 
aan den voet van dien kleinen berg wonen, waar men vooral 
eene groote menigte arenpalmen opmerkt. 

Den 24^^®^ November verlieten wij, in den vroegen ochtend- 
stond, Pannjarattan en bereikten, na 4 uren gaans, Poeloe- 
lampej. Het pad voerde ons langs den zuidelijken en oostelijken 
voet van den Goenong Kramian, en vervolgeus over onvruclit- 



307 

bare en dorre vlakten. Bij dezen berg kwamen wij door een 
bosch, geheel uit arenpalmen bestaande, hetwelk een geliefd 
verblijf schijnt te zijn van apen, eekhorens en wilde zwijnen. 
Vele gewone apen, of zoogenaamde meerkatten (Cercopithecus 
cjnomolgus), liepen op de daken der huizen rond, en waren 
zoo weinig schuw, dat men er gemakkelijk door steenworpen 
had kunnen dooden. Ook Inuus nemestrinus en Paradoxurus 
musanga zouden die palmboomen, ter wille hunner vruchten, 
vlijtig bezoeken. De Goenong Kramian wordt gezegd, de 
meeste palmsuiker in de Laoet-landen op te leveren. Behalve 
dit gezochte voortbrengsel, telen de bewoners van Ambang- 
boeso, eene Kampong, aan den zuidelijken voet van gemelden 
berg gelegen , vooal ook zwarte peper en kofflij : gewassen , 
welke daar uitmuntend tieren. Deze vruchtbare gesteldheid van 
den grond neemt echter spoedig een einde, wanneer men be- 
noorden den Goenong Kramian komt, van waar zich zonnige 
en waterlooze vlakten van alang-alang, door strooken bosch 
afgewisseld, tot aan den kleinen Goenong Panti en in de 
nabijheid van Poeloe-larapej uitstrekken. Die vlakten behooren 
tot de rijkste jagtvelden van den Sultan en den Pangeran 
Mangko Boemi. Het is daar geene zeldzaamheid, troepen van 
50, 80 — 100 of meer herten aan te treffen, en hen als kudden 
^chapen , de met jonge halmen bedekte vlakten te zien af wei den, 
tot welk einde het oude alang-alang nu en dan wordt afgebrand. 
rVóór ons vertrek van Martapoera den Pangeran Mangko Boemi 
verlof gevraagd hebbende om eenige herten in die streken te 
mogen schieten, welk verzoek mij gereedelijk werd toegestaan, 
maakte ik van die vergunning gebruik en schoot met mijne 
jagers een zestal groote mannetjes en wijfjes, uit welke de 
schoonste voorwerpen voor onze verzameling werden uitgekozen. 
Behalve deze herten (Cervus russa), verkregen wij, van de 
grootere dieren aldaar, ook eene oude zeug van een nog on- 
bekend wild zwijn , door ons in de Verhandelingen , onder den 
naam Sus barbatus, beschreven en afgebeeld. In sommige oorden 
der voormelde vlakten namen wij vaste rotsen van syeniet en dioriet 
waar, terwijl elders blokken van een okergeel en zandig conglome- 
raat uit den grond staken. Die landstreek is voor het overige zeer 



308 

• 

schraal bewoond, en het kan, over het geheel, naai al 
hetgeen wij ten opzigte der volksmenigte hebben aange- 
teekend, weinig verwondering baren, dat de geheele bevol- 
king der Tanah-lawut slechts op 3500 — 4000 zielen wordt 
geschat. 

Wij deelen ten slotte nog een paar aanteekeningen mede, 
uit het dagboek en de officiële verslagen van den Overste von 
Henrici, aangaande het zuid-oostelijke strand van Borneo en 
de rivier van Fagattan , aan welker hooger gedeelte , bij Goesaii) 
dus aan de oostzijde van het Batoes-gebergte i^^^, de voor- 
naamste diamantmijnen van het Gouvernement gelegen zijn.— 
Langs de zuidkust der Tanah-lawut, zegt de Heer von Henrici, 
vindt men heuvelen van 20 — 40 voeten hoogte, en er storten 
zich daar eene menigte rivieren in de zee. Bij de Tandjong 
Kandang-auer komen lagen van eene soort van bruinkolen 
voor. De Kampoug Fagattan ligt op een vlak strand, digtaan 
de zee, en omtreeks drie uren roeijens verder, op een' kleinen 
afstand benoorden de Tandjong Betong, heeft de Soengi Pa- 
gattan hare uitwatering. In de benedenste helft is deze rivier 
vrij diep; zij slingert zich in vele kronkelingen, door een 
vlak land, bedekt met bosschen, die hier en daar tot het aan- 
leggen van enkele huizen en rijstvelden geopend zijn, terwijl 
hare breedte, welke aaiivankelijk ongeveer 50 voeten bedraagt, 
langzamerhand tot die van 30 voeten, nabij Goesan, afneemt; 
in dit hooger gedeelte zijn hare oevers heuvelachtig. De diamant- 
mijnen liggen nog verscheidene uren boven Goesan, in eene 
streek , welke door den Heer von Henrici niet is bezocht ge- 
worden. Et zijn daar somtijds honderd menschen aan den arbeid, 
vooral na den rijstoogst. Ook ten noorden van Goesan, bij 
de gehuchten Batoelitjin en Fangkalan, wordt naar diamanten 
gezocht. — In 1834 — teekent voorts de genoemde Hoofd- 
Officier, in een zijner rapporten aan — is in het geheel van Ban- 
djermasin uitgevoerd, voor eene waarde van tusschen de ƒ 17,000 
en ƒ18,000 aan diamanten, en van ƒ60,000 tot ƒ 70,000 
aan stofgoud. 

Van Foeloe-lampej keerden wij te water, de Soengi Mo- 
loeko afvarende en langs de groote Bandj er-rivier opwaarts, 



1.09 

naar Bandjermasin terug, alwaar wij den l"***** December 1836 
aankwamen en tot den 18*®° dier maand vertoefden, den dag, 
op welken wij, met eenen kustvaarder, de terugreis naar Java 
weder aannamen. 



AANTEEKENINGEN. 



') Door de inlanders aldaar, zoowel als ook door de Javanen, Ma- 
leijers en andere eenigzins beschaafde en handeldrijvende Indische eilanden, 
wordt die naam, bij verkorting, gemeenlijk Bandjer of Bandjar nitge- 
sproken en geschreven; de Chinezen daarentegen, welke de laatste dezer 
beide lettergrepen moegelijk kunnen uitspreken, zeggen in plaats daarvan, 
bij voorkeur Ma ^ sin of Ma schin. Bandjer j of eigenlijk bandjar, be- 
teekent overstrooming; masin, zoutachtig, ziltig, hetgeen op de 
werking van den zeevloed doelt, die geregeld tweemaal in de vier-en-twintig 
uren , al de lagere streken der kustlanden aldaar , één* of meerdere voeten 
hoog overstroomt. 

») Zie Valentyn, Oud en Nieuw Oost-Indiën, III, 2de Stuk, p. 244; en 
G. Muller in het Tijdschrift de Indische Bij, I, p. 206. 

*) Historische Beschrijving der Reizen ^ enzv. 1758, Deel XVIII, p. 153. 
Het is eene drukfout, als daar een verdrag van 1633, voor 1733 wordt 
vermeld. 

*) L. c. Deel III, 2de Stuk, p. 246. 

*) Raffies , History of Java , II, p. 235. 

") Zie S. Muller, Bijdragen tot de kennis van Sumaira, bijzonder in 
geschiedkundig en ethnographisch opzigt; 1846, p. 60 en volgg. 

"*) Giro del Mondo; Neap. 1699, en daaruit overgenomen in de Bi^o- 
rische Beschrijving der Reizen enzv. D. XIX, p. 200 en volgg. 

3) Valentyn, Deel III, 2de Stuk, p. 252. 

**) Valentyn, I. c. p. 248. Historische Beschrijving der Reizen, enzv. Deel 
XVIII, p, 153. Volgens de aanhaling bij C. Tiitter , Erdkunde, Aaien, IV, 
p. 1018, is het bedoelde etablissement te Bandjermasin gesticht door het 
overgeblevene gedeelte der Engelsche kolonisten , welke in 1702 eerst eene 
sterkte op het eiland Condor (Eoodoer) hebben gebouwd, doch die, wegens 
de muiterij harer eigene bezetting, hoofdzakelyk uit Makassaren en Ma- 



311 

leij^rs bestaancfe, spoedig weder verlaten werd. Ook van Bandjermasin 
werden die ongelnkkigen, gelijk het daar luidt, door de onvoorzigtigheid 
van bannen Gouverneur, weder verjaagd, waarna zij eene schuilplaats 
zochten bg den Maleischen vorst van Djohor, op het schiereiland. 

") Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa; Deel III, p. .56. 

*') Hogendorp, Coup-d*oeil sur ViledeJava^ p. 379. 

") Moer uitvoerig over dien afstand en de verdere bepalingen van bedoeld 
verdrag, handelt N. G. van Kampen in zijne Geschiedenis der Nederlanders 
buiten Europa^ enzv. Deel III, p. 329 en 378. Zijne mededeelingen zijn 
getrokken uit de oorspronkelijke Acte, welke van den 13<i«u Augustus 1787 
dagteekent en te vinden is in de Archiven van Batavia , van het 
jaar 1788. 

'^) Aldus schreef ik, tien jaren geleden, in de Land- en Volkenkunde 
der Verhandelingen. Sedert dien tijd zijn de tot mijne reisbeschr\)ving be- 
hoorende kaarten van Zuidelijk Borneo, door verscheidene aardrijkskun- 
digen gecopiëerd en , met of zonder vermelding der bron , uitgegeven ge- 
worden. W\)len den Luitenant-Kolonel von Henrici komt de eer toe, de 
eerste' geweest te zijn, die , op last van de Nederlandsche Indische regering, 
van het stroomgebied der Doeson- of Baritto-rivier eene naauwkeurige 
kaart heeft vervaardigd. Toen hy , kort na zijne terugkomst in Europa , 
in 1838 te Amsterdam overleed, werden zijne nagelatene geographische 
bouwstoffen , betreffende Borneo , door Zijne Excellentie den Heer Mi- 
nister van Koloniën , goedgunstig ter mijner vrije beschikking gesteld. 
Uit zijn gehouden dagboek heb ik slechts enkele opmerkingen in myn 
reisverhaal ingevlochten ; van veel meer belang waren echter voor mij sijne 
kaarten. Hetgeen ik zelf ter volmaking dezer laatsten , zoo als zij ook in 
deze nieuwe uitgave onveranderd verschynen, heb mogen bijdragen, is be- 
trekkelijk gering, en bepaalt zich hoofdzakelijk daartoe, dat ik baar uit 
onderscheidene groote bladen , op eene verkleinde schaal , welke evenwel 
de duidelijkheid niet schaadt, heb overgeteekend en hier en daar iets toe- 
gevoegd of verbeterd; dit laatste vooral in de spelling der inlandsche namen; 
terwijl eindelijk de oostelijke kuststreek, benoorden de Tandjong Diwa, 
alsmede eenige uithoeken^ der noordelijke, oostelijke en zuidelijke gedeelten 
van PoeloeLaoet, Foeloe Seboekot en van andere, daaromstreeks gelegene, 
kleine eilanden, door mij zijn overgenomen uit de, in 1839 door de 
Fransche expeditie naar de Zuidpool , onder Dumont-d'Urville ,^ vervaar- 
digde en in den Atlas barer reisbeschrijving verschenen „ Carte de la portie 
Sud^Est de la cóie de Vile de Borneo.*' 

'^) Letterlijk: doorbroken eiland, van tatas of tetas, doorbreken, 
een' doortogt banen; denkelijk zoo genaamd wegens de Antassan's , 
die langs en midden door hetzelve heenloopen. Zie omtrent het woord 
antassan bl. 155. 

'*) Areca (Oncosperma) tegularia W. I. Pohon nibong wordt deze palm 
door de Malegers genoemd. 

^!) Matten, vervaardigd uit aan elkander gehechte bladen van verschil- 
lende paimsoorten — het meest van de Nipa fruticans — om tot beschutting 



812 

tegen de hitte der son , tegen regen en wind te worden gebezigd , niet alleen 

in woningen, maar vooral op vaartuigen. 

' ") Dekbladen, betzij van verschillende palmsoorten , hetzij van lang 

gras {Alang-alang). Deze bladen of halmen worden aan een' zes of zeven 

voet langen stok van bamboesriet geregen en dienen ter bedekking der 

woningen. 

'") Naareene soort van hoog, rietachtig gras, Koempai genaamd, en dat 
vooral veel in die streken , langs de oevers , in het water groeit. 

'"; Doeson beteekent oorspronkeiyk een dorp, zijnde die naam aan de 
gemolde rivierstreek gegeven, omdat de meeste en volkrijkste dorpen, met 
welke de Mohammedaansche en Cbinesche kooplieden van Bandjermasin vrij 
veel handel dryven , in haar gelegen zijn. Die rivierstreek is voorts in twee 
districten verdeeld : Doeson-üir ^n Doeson-oeloé, wier onderlinge grens de 
Soengi mantalai vormt. 

***) Borneo, 1853, I, p. 5. 

") Kwala of koewala , beteekent, in het algemeen , m o n d eener rivier. 

*') Zooveel als eiland, dat verschrikt of verrast; waarschijnlijk de 
schepelingen, die de rivier opvaren. 

") 7Vim6an^ beteekent : overvaren, zijnde deze naam vermoedelijk aan 
dit eilandje gegeven , dewijl men bij hetzelve , nit de groote rivier naar den 
mond der Soengi Tutas overvaart, om naar Bandjermasin te komen. 

*'') Vermoedelijk eene klank vervorming van het Maleisehe woord tatcts-an, 
eene doorbraak, bres. Zie ook pag. 144, noot. Somwglen worden deze 
natuurlijke kanalen door de inlanders ook wel Troes-an genoemd, dat eene 
gracht of naauwen doortogt van het water beteekent (van froe«, r eg t« 
door, ter verkorting van den afstand). 

*^) Letterlijk: lang, zamengevoegd vaartuig. 

*'*) Kambang beteekent :drijven, vlotten. 

") Boschvelden op droogen grond, waarop rijst, moeskruidenen derge- 
lijken gekweekt worden. 

**) Het laatste woord gewijzigd naar den tongval der inlanders , zijnde de 
oorspronkelijke Arabische spelling »jarif (bij ons gewoonlijk sAeri/ gespeld) , 
iietwelk zooveel als edel of h e i 1 i g beteekent. Toewan = heer, meester. 

*') Semnopirhecus nasicus. Deze, in volwassen' staat, door zijn eigenaar- 
dig vuilachtig geel-bruin en glad gezigt en zijnen sterk ontwikkelden neas , 
hoogst merkwaardige aap, heet bij de Banjerezen Bakantan en bij de Beadjoe- 
Dajakkers Bakara, De laatste beweren , dat zijn vleesch verre boven dat van 
andere apen, den Orang-oetan uitgezonderd, te achten zij , en dat men in 
/.ijne ingewanden dikwerf steenachtige ballen (zoogenaamde bez'oarsteenen) 
vindt, die eene bijzondere geneeskracht bezitten. 

'**) Of Bakel, en somwijlen met een voorzetsel Pembakel genoemd (Javaansch 
Bekel), is de titel van een opperhooofd van den tweeden rang, het beheer 
-over een dorp of eenige bij elkaar liggende gehnchten hebbende. 

^*) Zamengetrokken van Moewara Bahan, den naam der uitmonding van 
de Nagara-rivier , waaraan het tegenoverliggende fort den zijnen ontleent. 
Jfoei&ara beteekent: uitmonding, uitwatering van eene rivier. 



318 



as' 



') Soort of soorten van het geslaoht Boehraeria, uit wier schors, op vele 
Oost-Indische eilanden, eene fijne en zeer duurzame vezelstof bereid wordt, 
die, e^en ais vlas en hennep , tot het weven van kteedingstoffen , het vervaar- 
digen van touwwerk , netten en dergelijken gebezigd wordt. Zie , onder an- 
deren, de Indische Bij, I. p. 401 en 482. 

^^) Deze naam zoude, volgens eene aanmerking van den Overste von 
Henrici , eerst van lateren tijd dagteekenen , en voor dien van Marabahan , aan 
dit dorp gegeven zijn. Mar ga beteeken t: distrikt, landstreek, en in het 
Javaansch, even als in het Sanskrit, weg, pad; «ars beteekent in het oud 
Javaansch of Eawi: bloem, fraai, uitmuntend. 

^) Dat is : steen gelijkende naar een varken. 

^) Op Java woiden de bouwvallen van de oude Hindoe- tempels , in het al- 
gemeen, tjandi genoemd, en de Sundanezen geven dien naam ook somwijlen 
aan Ganesa- en andere steenen beelden van Hindoesche godheden. In het 
Hoog-Javaansch beteekent echter <;andt ook een graf, praalgraf. ,, Waar- 
schijnlijk", zegt W. von Humboldt, „is het oorspronkelijke woord, hetSans- 
kritsche tjkanda, heimelijk, eenzaam , afgezonderd." 

^*) Veelligt een dagop, ter bewaring van reliquiën, gelijk, onder anderen, 
de zoogenaamde tempel van Boro-Buedor , op Java was. 

") Het vierkante voetstuk was 0,630 meters hoog, en elke zijde 0,420 breed; 
even hoog enr slechts weinig smaller was het achthoekige middelstuk , terwijl 
het, denkfnijk afgeknotte en buitendien midden doorgebrokene , ronde 
bovenstuk^ de hoogte had van 0,315 meters. 

^') Dfi, uit het Sanskrit, in het Maleisch en Javaansch overgegane woord, 
beteekent: stad, hoofdplaats, ook land en rijk. 

^*) Uitvoeriger over dit onderwerp handelt het stuk: Iets over de wa- 
pcnfabricatie op Borneo, in de Verhandeliugen van het Bataviaasch Ge' 
nootschap f 1842, D. 18. 

^"^ Aan deze Sultane , welke van lage geboorte is , wordt slechts de titel van 
njat of njei gegeven , zooveel beteekende als j ufvr ou w , -terwijl echter hare 
dochters dien van ratoe, vorstin , voeren. Onder Aro77ia/a verstaan de Ma- 
leijers een bijzonder schitterend edelgesteente, gelijk een karbonkel, 
een diamant. 

"') In het Tijdschrift voor Neêrlands'Indiëj 1838, D. 2. p. 193. 

^^) Magneetijzer; zijnde de letterlijke beteekenis van die beide maleische 
woorden: stoute steen. 

''^) IJzerkies (Fyrit); letterlijk: goud, dat ontvlamt, of wel, dat 
de kleur van de vuur vlam bezit. 

"'') Dit woord beteekent eigenlgk zooveel als schipper, gezagvoerder 
eener praauw , zijnde het afgeleid van djoerag , een matroos, schepeling. 
Hier en daar echter , zoo als in de zuidelijke streken van Borneo en in de 
Sunda-distrikten op Java , wordt do naam djoeragan, als een titel van beleefd- 
heid , gelijk ons heer gebruikt , en vooral den dorpshoofden toegekend. 

*^) Dano beteekent een meir, eene groote, natuurlijk ontstane en blijvende 
verzameling van water; talaga, een' waterplas, vischvij ver, poel ; 
paminggivy kant, rand, oever. De laatste benaming doelt waarschijnlijk 



814 

op de plft&tselyke ligging van dien waterplas , aan de uiterste grensiyn van 
het land des Snltans. 

'^) Zie Tijdschrift voor Nêêrlands-IndiS , 1838, D. 3 , p. 195. 

''"') Cercopithecas (Cercocebas) cynomolgns. De Banjerezen noemen dezen 
ver verspreiden aap , Warik , de Dajakkers , Bctkej of Bahai , de Maleijers 
op Samatra, Karo ^ de Sandanezen , Koenjoek en Monjet, de eigenlijke Ja- 
vanen , Ketek , de Timorezen , Beh , de Rottinezen Kode enzv. — 

*') Men ziet nit dit voorbeeld weder, door welke toevallige omstandighe- 
den somwijlen de namen ontstaan van plaatsen. Djoeroeng of djoerang betee- 
ken t een naauwe doortogt, kreek; soengiy rivier, gelijk reeds elders 
door ons is opgegeven. 

*") Vermits de woorden kwala en moewara dezelfde beteekenis hebben, 
wordt dit dorp ook somtijds Kampong Moewara-pattai genoemd; dus in 
beide gevallen: dorp bij den mond der Pattai-rivier. 

*') De Doeson namelijk loopt nit het N. W. naar het Z. O., terwijl de 
Soengi Pattai in de rigting W. 14 N. daarin uitstroomt. De wateren van 
beide rivieren stroomen derhalve in een' vrij scherpen hoek, van 31 graden, 
tegen elkander in. 

^''*) Padang beteekent eene v I ak te , zonder hoornen ; sidik , zoeken, on- 
derzoeken, naspeuren, hetgeen wel op de vele, door die vlakte heonioo- 
pende rivier-armen zal doelen , te midden van weike men gemakkelijk ver- 
dwalen kan. 

") Sumpferz. De Heer von Henrici schrijft in zijn Dagboek: Eisen- 
schlacken, en merkt daarbij aan, dat door hem op verscheidene plaatsen ge- 
graven, doch niets anders gevonden was, dan kleine stnkken van Schlacken, 
waarvan de aanmerkelijkste de grootte hadden van eene kinderhand. Hij zegt 
voorts , van de inlanders niet te hebben kunnen vernemen, van waar of van 
wien deze groote hoeveelheid ijzerschuim afkomstig zoude kunnen zijn , en 
dat hem dienaangaande alleen fabelachtige mededeelingen waren gedaan 
omtrent eertijds daar gewoond hebbende kolonisten. Volgens hetgeen hem 
door het dorpshoofd Pembakel Saieh was verhaald geworden , zonde, in over- 
ouden tijd, zekere prins van Bandjermasin , Baden Soera Pande genaamd , 
het voornemen hebben gehad fan daar eene Benowa-besite doen ontstaan. 
Het Maleische woord henowa of benoea, beteekent: landstreek, oord, 
gewest; besi ijzer; raden [Javaansch : radhen] =z \rorstelijke prins; soera 
[Sansk. en Jav.] z= dapper, een beid; pande ervaren, kunde [van het 
Sanskritsche panda, wijsheid, verstand]: dus een fraai klinkende naam 
voor een denkbeeldig personaadje , dat een land van ijzer wilde vormen. 

'*) Rantauw of rantau, h in die streken de algemeene naam voor de 
grootere bogten der rivieren, waarmede een plaatselijke, dikwerf aan een 
naburig gehucht ontleende, benaming verbonden wordt. Zoo heet de bedoelde 
bogt: rantau Tjamharan, dus: bogt van (de Kampong) Tjambaran. 

'''^) Zie A. von Hnmboldt, Reise in dit Aequinoctial-Gegenden des neuen Con- 
UnentSf 1823, IV, p. 81 en 164, alwaar men leest: „dat de mugachtige 
insekten, even als de krokodillen, vrij algemeen de zwarte wateren mijden.'' 

"') Zie van der Hoeven, Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis en Pky- 



315 

sioloyut 1S38, D. V, p. 77, PI. III; en het Zoologische gedeelte der Verhan- 
ddingeany Reptilta, p. 1, Tab. I— III. lu beide werken staat dit dier onder den 
naam Crocodilas (Gavialiaj Schlegelii vermeld ; doch daar het vermoedelijk 
met ter tijd, in de natuurlijke rangschikking, een bijzonder geslacht zal moeten 
vormen y heb ik later, in een zoölogisch-geographisch opspel (Ueber den Cha- 
rakter der Thierwelt auf den Insein des indischen Archipels, in Wiegmann'a 
Archiv, 1846. I, p. 122) den geslachtsnaam T o mi stoma (Tomg/orcep«, 
axoua o^» nctus) voorgesteld, z^nde het eerste gedeelte van dit woord de 
vertaling van den naam sapit, in het Maleisch eene tang of nijptang betee* 
kenende, waarmede de Banjerezen deze krokodil-soort bestempelen, na* 
meiijk: Boeaja sapit. De Dajakkers van de Soengi Beadjoe noemen haar 
Bedjaisampii. Bedfai is in den tongval der Beadjoe's, even als Woeoy in dien 
der Dajakkers van deo Doeson, en Boeaja in het Maleisch, de algemeene 
naam voor de Krokodillen. 

'') De eerste dier beide uitdrukkingen beteekent: het water ver- 
giftigen, om daardoor visch te vangen; de andere zooveel als: den visck 
bedwelmen of vergiftigen, wordende toeba van allerlei plantaardige 
zelfstandigheden gezegd, welke de strekking hebben, om visschen en vogelen 
zoodanig te bedwelmen , dat zij met de hand gegrepen kannen worden. 

^') Ben oorspronkelijk Javaansch woord , dat daar aan het opperhoofd van 
een distrikt wordt gegeven, onder wiens bevelen de Bekel's en andere 
mindere hoofden staan. 

"} In Soera II leest men: „Neem geene afgodendienares ter vrouwe, al- 
vorens zg geloovig is geworden. Waariyk, eene geloovige slavin is beter, 
dan eene vrvje afgodendienares, al mogt ze u ook nog zoozeer bekooren. 
Huwelijk ook geene aan een' afgodendienaar uit, alvorens hij geloovig is 
geworden: want een geloovige slaaf is beter, dan een vrije afgodendienaar, al 
mogt hij u ook nog zoozeer bevallen," enzv. Zie voorts SoeralV: de Vrouwen. 
*") De pikol bevat aldaar 150 kati^9 of katjes; op andere plaatsen van den 
Indischen Archipel slechts 100. Ook de katjes verschillen op de onderschei- 
dene plaatsen. 

*"> Letteriyk: katten-oogen hars, eene benaming, waarmede ook de 
Beadjoe- Dajakkers haar bestempelen: njatmy mata poeta. Njating is in de 
taal van dien volksstam de collective naam voor deboomharsen, even als 
damar in het Maleisch. 

"°) Gantang is eene maat, veelal uit oude bladscheeden der nibong* en 
pinangpalmen bestaande. Honderd dezer gantang*s worden aldaar voor drie 
pikol's «gerekend. „In goedkoope t^den," zeiden mij de inlanders bij de 
Dano Babai> „geven wQ vier gantang's van deze hars voor 1 «O6^oe(=:60 
centen), doch wanneer de inzameling schaars uitvalt, niet meer dan drie 
voor 1 9oeko6,'* Op Java en Samatra is in de laatste jaren de prys van de 
witte damar zoodanig gestegen , dat 25 — 30 gulden voor den pikol (van 100 
katjes of 185 oude ponden) werden betaald. De Chinezen bezigen haar tot 
het maken van vernissen, en de inlanders, na haar met was gesmolten te 
hebben, beschilderen met dit mengsel witte stukken katoen, die zij ver- 
volgens in zwarte of roode verf dompelen (Jcajin batikh). 



;U6 

*') Naar cene kleine 8001*1 van bijen , die voedsel uit deze vloeistof trek- 
kende, haar vlijtig bezoekt, en van buiten in de harsklompen kleine hollig- 
heden en ronde gangen maakt, van welke sommige tot aan de gespleten 
schors van den boom doorloopen. 

*') Katamboeng bij de Dajakkers genaamd, bestaande uit een 7 — 8 palmen 
langen en 1 — l'/i palm dikken, rolvormigen koker van zoogenaamd ijzerhoat, 
waarvan de eene opening met het geschoren vel van een' groeten eekhoren 
(Scinrns eptiippiam) overtrokken en , door middel van gespleten rottingriet 
en ijzerhoaten pennen, strak gespannen is. Om er den gewenschten toon 
aan te geven of het te stemmen, worden op dit vel, hier en daar in het rond, 
kleine stukjes versche damar tampoereb vastgekleefd. 

O') Zooveel als: gekloofde eilanden; afgeleid van het Maleiscfae 
tjabang^ een tak, loot, gaffel. Het grootste dezer eilandjes hebben wij 
ook wel Poeloe Djawa hooren noemen. 

*^) Gelijk uit onze verdere mededeelingen zal blijken, zijn deze jonge, 
ongehuwde dochters en openbare zangeressen, vooral in aanzien , wegens 
hare ervarenheid in allerlei geheimzinnige wetenschappen en dnivelsknnste- 
narijen; zij worden beschouwd als bekwame genees- en vroedknndigen, 
waarzegsters, too veressen, dairel-, heksen- en andere booze geesten be* 
zweersters, met één woord, als de onfeilbaarste toevlugt ter afwering van 
alle rampen en onheilen, welke het menscbelrjke leven te duchten heeft. Haar 
naam Bilian, is in klank en beteekenis verwant aan het Balinesche woord 
Bdlian, waaronder daar een geneeskundige, eene vroedvrouw wordt 
verstaan: eene benaming, veelligt afgeleid van het Sanskritsche bali^ sterk, 
vermogend, mag tig, en waarmede, volgens de regelen der Maleische 
tongvallen, om snbstantiva uit adjectiva te vormen, het aanhechtsel an ver- 
bonden schijnt. Er verdient hier nog opgemerkt te worden, dat, volgens de 
berigten van Sultan Akbar (uit de laatste helft der XVI^^» eeuw), te dien tijde 
te Aracan de priesters Waüi werden genoemd, en dat de Alfoerezen van 
Menado, op Celebes, zekere lieden, zoo mannen als vrouwen, die uit het 
geschreeuw of de vlugt der vogels voorspellingen doen , insgelijks met den 
naam Walian of Waliang bestempelen. Deze woorden herinneren voor het ove- 
rige tevens aan het Arabische wa/t, een vriend, dienaar, en op Java een 
heilige beteekenende. 

'*) Goaony beteekent in het Maleisch eene zandbank, vooral eene zooda- 
nige in zee. 

**) De naakte deelen der door ons geschotene voorwerpen hadden, 
in het leven, de volgende kleuren: huid van kop en kin roetzwart; de naakte 
halskraag, naar voren toe blaauwachtig wit, naar achteren hemelblaauw; bek 
loodkleurig, nabij den wortel in het paarsachtige trekkende; pooten min of 
meer vuil licht rood, naar onderen eenen eenigzins meer donkeren en paars- 
achtigen tint aannemende. 

*^) Namelijk met het blad van de betel peper, schelpkalk en gambir of 
katjoe. Hoe boog de waarde van dit mengsel door de ' OosteThngen wordt 
opgevijzeld, kan, onder anderen blijken uit de volgende zinsneden, voorko- 
mende in eene , uit het Perzisch vertaalde reisbeschrijving van Perzië naar 



817 

Indië, en aldus luidende: „Le betel enüamrae Ie visage , et enivre comme Ie 
vin. Il rassasie ceux qui ont faim, et donne de Tappétit k cenx qui sont ras- 
sasiésf il rend la bouche vermeille, fortifie les dents, et augmente lesforces 
pour les plaisirs de Tamour.'* Langlës, Collection portative des 
Voyages, T. II, p. lxvjii. 

*") Het laatste dezer beide woorden, letterlijk een bosch en overdrag- 
teiijk wild beteekenende, vindt men in vele wetenschappelijke werken ver- 
keerdelijk oetang of, naar de Fransche spelling, outang geschreven, hetwelk 
schuld beteekent en, in de zamenstelling met het woord oran^, me nsch, 
letterlijk een schuldenaar aanduidt, hetwelk hier zeker geen' gezonden zin 
heeft. Ik heb elders het vermoeden geopperd, dat de naam Orang-oetan , 
yeelligt eerst in lateren tijd, door de Europeanen, in Indië voor dien aap is 
in zwang gekomen, daar de inboorlingen, waar hij ook in het wild wordt 
aangetroffen , hem overal met andere eigenaardige panien bestempelen. Ook 
is het woord „mensch" in de oogen dier volken van te verhevene ofte edele 
beteekeuis, dan dat z'^ het uit eigene beweging op een dier zonden toepassen. 
Volgens Haughton wordt de Orang-oetan in het Bengali almede Wana- 
manoesjaf d. i. boschmensch, genoemd; zulks is, naar alle waarschijn- 
lijkheid, eene door de Engelschen aldaar ingevoerde vertaling van zijnen 
Maleischen naam. Opmerkelijk is het voor het overige , dat ook de Stenops 
tardigradus denzelfden naam in Bengalen draagt. Zie Haughton. Dl et. 
Bengali and Sanskrit, in voce. 

*') Rimau of eigenlijk Harimau is in het Maleisch de collective naam voor 
de tijgers en panters, even als het woord Matjan in het Javaansch , en 
Meong of Ma-oeng in het Sundaneesch. ^ 

'•*) In het werk van Dr. Schwaner, Borneo, I, vindt men eene afbeelding 
van dien kleinen berg, onder welke plaat echter, vermoedelijk ten gevolge 
van de onduidelijkheid van het handschrift, G. Banttin staat, in plaats van 
G. Bantanw , terwijl men op de kaart van Schwaner G. Kantauw leest. 

^') Klankvervormingen van de Sanskritsche woorden agaroe of agoeroe 
{goeroe j uitmuntend, voortreffelijk), waarmede in die taal het geurige 
agila- of aloës-hout wordt bestempeld. Eene zwarte verscheidenheid draagt in 
het Sanskrit den naam van kalagoeroe (zwart agila- hout); terwijl de Per- 
zen het agallochum in het algemeen darboj (r eu k h o u t) noemen. De Indische 
eilanders schijnen voor het overige de namen kajoe garoe en kalarnbakh , op 
verschillende welriekende en bij offerplegtigheden gebezigd wordende hout- 
soorten toe te passen. 

''*) Het gewigt van 10 zulke ijzerstaafjes, geiyk die gewoonlijk, bij 
bundels, in den handel voorkomen, wisselde van 7,2 tot 7,7 Ned. 
ponden. 

"^ Van ^ato» fOryza sativa , var. glutinosa, Lour.), eene rijstsoort, die 
anders ook veel voor inlandsch bakwerk wordt gebezigd, en waarvan men, 
even als van de gewone rijst, een aantal verscheidenheden vindt, zoo witte als 
roodachtige en zwartachtige, doch wier korrels bij het koken smijdiger 
worden , dan die der gewone rijst of eigenlijk gezegde padi der Maleijers. 

'*) Zijn Sanskritsche naam is Ksfemankard en Ksjemankariy welke beide 



318 

woorden tcTens ge lok brengend, welvaart gerend beteekenen, aange- 
Eien, Tolgens Wilson, ^tbe Bramani kite or Faleo pondicerianos is eonsidered 
as a bird of good omen bj the Hindns." Ook tn het Bcngali wordt hij , onder 
anderen, bestempeld met den naam Sankaratjila, samengesteld Tan sankarOy 
geluk Toorspellend, gnnstig^en 7)ï/a, volgens Haaghton, de eigennaam 
▼an den Indischen Faleo ater. Vermoedeiyk is het ook dezelfde vogel, om- 
trent welken, eenige jaren geleden, Engelsche dagbladen hebben medegedeeld, 
dat de Marqois van Welles iej, in zijne laatste wilsbeschikking, den wensch 
had geuit, dat zijne grafzerk versierd mogte worden met het afbeeldsel van 
dien arendachtigen vogel , in Hindostan onder den naam van Hoema bekend. 
Deze Britsche oud Goavemenr- Generaal had namelijk, tijdens den oorlog te- 
gen Sultan Tippo Saib, in 1799, de bevelen der krijgsverrigtin gen, meestal 
in een' tuin, aan den voet van eenen boom uitgevaardigd, op welken een 
Hoema zijn nest had gebouwd; en de Indianen schreven aan deze omstandig- 
heid voornamelijk het wapen geluk der £n gelachen bij de bestorming van Se- 
ringapatam toe. Het woord Hoema of Hoeinaj is oorspronkelijk Perzisch en 
beteekent: 1) an eagle, a phoeniz, a bird ofparadise; 2) an bird of happy 
omen, peculiar to the Sast. It is snpposed — naerkt Richardson , even als reeds 
Herbelot, aan — to fly constantly in the air, and never to touch the 
ground ; and that every head it overshadows witl in time wear acrown. 

^*) De Maleijers, ter westkust van Sumatra, zeggen Serindit, terwijl de Ja- 
vanen den even kleinen, en ook door zijne levenswijze daaraan naauw verwan- 
ten Fsittacus vernalis, SelnuUt noemen. 

^°) Het gewone, lange, schier hemdvormige bovenkleed der Mohammedaan- 
sche eilanders van Indië, in het Maleisch kabaja genaamd, van het Perzische 
woord kkabaj of khoebaj , eene tunica, huisjapon. 

'^) Onder sial begrijpen de Dajakkers allerlei kwade geesten of onheil 
stichtende invloeden; hoema ^ beteekent huis. In het Ao<ma na/ worden zooda- 
nigo , den mensch vijandige magten , door middel van bezweringen gevangen 
gehouden , en naderhand , in de rivier of het bosch uitgezet. 

**) Het is opmerkelijk, dat het getal zeven ook in het godsdienstig stel- 
sel — waarover later nog een woord meer — der Dajakers eene even belang- 
rijke rol speelt, als bij vele oude en nog hedendaagsche volken van Indië, en 
ook in sommige mythen der Javanen. Het onderlinge verband dezer overleve- 
ringen is niet te miskennen. Men zie dienaangaande het verhaal omtrent de 
zeven onderaardsche gewesten in de Javaansche mjthen (in het Tijdschrift 
voor Neêrlanda /n(fté', V Jaargang l , p. 10); voorts hetgeen Bitter (Erdkunde, 
Asien, V, p. 1240) van het hijgeloof der Toeda's , bewoners der Nilagiri in 
Voor-Indië, bijbrengt; en vooral v. Bohlen , Das al te Indien, II p. 247, 
alwaar men onder anderen leest: „Die Siebenzahl ist eine sehr geheiligte 
bei den Indern , und spielt in ihren Mythen eine bedeutende Rolle , wobei wir 
nar an die sieben heiligen Rishis (de wijzen), an die siehen Rosse des Sniya 
(de goddelij ke), die sieben Zungen des Agnis (de god van het vuur), an 
den siebenh&uptigen Drachen, den Oanges, der, wie der Nil, mythisch mit 
sieben Mündnngen sich ergiesst, und an die sieben ReinigungshöUen erinnern 
diirfen , welche eben so viele Mithrapfortèn vorstellen." 



319 



791 



*) Mindjangan ajer of Mindjangan hanjoe door de Maleijers en Banjerezen, 
Sadjang door de Beadjoe's, en Takajo door de Doesonezen genoemd. Afin- 
djangan , of Mendjanggan in het Javaansch , is de algemeene naam voor de 
gproote Indische hertsoorten ; de woorden ajer en banjoe beteekenen beide 
water. 

**) D. i. slangen hol. De Beadjoe's spreken het woord Hang ^ dat hol, 
gat beteekent, loeang mi, en passen dien naam op alle aard- en rotsholen toe, 
terwijl de Pekoempaijers , even als de Snndanezen op Java, zoodanige holen, 
waarin de salanganen hunne eetbare nesten bouwen , gewoonlijk met het oor- 
spronkelijke Sanskrit woord goeha bestempelen. 

"') In den jongeren tijd zijn die verwijderde binnenlandsche gewesten op 
nieuw bereisd geworden door eenen natuurkundige, den reeds genoemden 
Dr. Schwaner , in 1851 te Batavia overleden , doch wiens dagboeken , tot be- 
vordering der kennis van dat groote, en door zijne natu arlijke voortbrengselen 
zoo hoogst merkwaardige eiland , openbaar zijn gemaakt van wege het Ko- 
ninklijke Instituut te Delft, onder den titel ,, Borneo, Beschrijving van het 
stroomgebied van den Barito en reizen langs eeni<re voorname rivieren van 
het Zuid-oostelijke gedeelte van dai eiland", I Deel, Amsterdam 1853. 

"') De schets, door ons van die bergen of bergketen, op onze algemeene 
Kaart medegedeeld, is van uit de nabijheid der Kampong Boendang ge- 
teekend. 

"*) Semnopithecus rubicundus. Verhandelingen; Zoölogie, Mammalia, 
Tab. 9. p 71. 

"'') Emys spinosa en borneoensis. Zie Verhandelingen , Zoölogie Rep- 
tiliën, p. 30. 

"*) L. c. Mammalia, p. 1, Tab. 1, een oud mannetje van Simia satyrus, met 
een e teekening der landstreek bij Tandjong-djawa. 

"*) Onder dien naam door den Heer Temminck, in zijne Planches colo- 
riëes, 594, fig. 1 , afgebeeld Genus: Macronus, Jard. et Selb. 

•O Tijdschrift voor Neêrlands Indië, 1846, Deel II, p. 160. 

*"*) Met laatstgemelden naam bestempelen de Banjerezen den gewonen 
Crocodilus biporcatus ; Boeaja kodokh noemen zij den stomp- of breedkoppi- 
gen Groc. raninus (kodokh beteekent in het Maleisch een ki kvorsch). Om- 
trent den gaviaalachtigen Boeaja sapit zie h\. 188, waar tevens onze reeds 
openbaar gemaakte aanteekeningen en afbeeldingen der Indische krokodillen 
zijn aangehaald. 

***) In die aardi^treek de vertegenwoordiger van den Ganges-gaviaal (Gavi- 
alis gangeticus). Deze reeds van oudsher bekende Bengaalsche soort, draagt 
in het Sanskrit, onder anderen , de zinnebeeldige namen: Djalahasti (lett. 
waterolifant) en Koembhira (op een' olifant gelijkend), beiden waar- 
schijnlijk op den langen en smallen bek van dat dier zinspelende. Het laatsge- 
melde woord heeft, in het Bengali, tot de klankvervormigen: Koembhila, Kom- 
bhira en Koemoera geleid; in het Hindi wordt het Koembhir uitgesproken. Van 
meer algemeen gebruik , ter aanduiding van dien smalgebekten krokodil, zijn 
echter in het Sanskrit de namen: Gohi, Godha en Godhika, welke , in het 
Bengali, tot Ghadiyala en Ghadela zijn vervormd, en waaruit de aldaar in het 



320 

dageiijkgcb leven gebraikelijke naam ran Garial \b ontstaan, die Terrolgens 
door de Europeanen weder in Gavial (Gaviaal) werd verbasterd. 

'*) Het woord santong wordt verklaard door het Javaansche sentong , een 
vertrek, kamer; rauoen of roöen noemen de Beadjoe's eene doodkist, 
uit een trogvormig uitgehoold stak boomstam bestaande ; doch wanneer de 
kist nit onderscheidene planken is samengesteld, wordt zy kakoeroeng ge- 
noemd; toelang beteekent: been, gebeente. 

*0 £r zijn mannelijke en vrouwelijke Hampatong' s; de vrouwelijke zijn, 
behalve door onderscheidene andere bijzonderheden, vooral gekenschetst 
door sterk gevormde en vooruitstekende borsten. In de grootte der Hampa' 
tangos heerscht evenveel verscheidenheid als in hunne gedaanten. Sommige 
berigtgevers beschouwen de 3ampatong*8 als afgodsbeelden; maar volgens 
de beteekenis van hunnen naam, vertegenwoordigen zij dienstknechten, 
zijnde die naam zeer waarschijnlijk, door zamentrekking gevormd, nit de 
Maleische woorden hamba, een dienaar, onderhoorige, en patong, een 
beeld. 

*') Het aantal latten, die door twee dwarshouten met elkander zijn ver- 
bonden, bedraagt meestal 4, somtijds 5, aan iedere zijde, dus 8 of 10 in 
't geheel , en wanneer men bij dit getal nog den eenigzins dikkeren hoofdstijl 
in het midden voegt, zijn er 9 of 11 uitstekende punten, die van weerskanten 
naar het midden, in hoogte toenemen. Niet altijd zijn de zijiatten glad, 
maar dikwijls aan hare bovenste, vrije helft, zeldzaam echter in hare geheele 
lengte, in stede van glad of regt, slangvormig gekromd. 

") Onderscheidene oudere bijdragen met stilzwijgen voorbijgaande, halen 
wij hier alleen aan, het stuk over de Beadjoe's van den Heer Halewijn, oud- 
Hesident van Bandjermasin (zie Verhandelingen van het Bat, Genootschap, 
XIII, p. 279); voorts dat van C. Hupe, over de godsdienst, zeden enzv. der 
Dajakkers, geplaatst in het Tijdachrift voor Neêrlands Indië, 1^46, II, en 
Dr. Schwaner's Borneo, I, p. 175 en volgg. Bij deze schrijvers, en in- 
zonderheid bij den laatstgenoemden , vindt men nog onderscheidene namen 
van goden, van welke wij niet hebben hooren spreken; terwijl sommige van 
de hier opgegeven namen, daar eenigzins anders zijn gespeld en verklaard. 

'*) Wij merken in het voorbijgaan aan , dat niet slechts het wetboek van 
Manoe van een wereld -ei gewag maakt, hetwelk door de kracht van 
Brahma*s denkvermogen in twee deelen van elkander brak, die hemel en 
aarde vormden, en waaruit Brahma voortkwam; maar dat ook in de oude 
Javaansche overleveringen de schepping met een' bol begint, die boven Sang 
Ijang Wiseso zweefde, en toen deze hem greep, in drie deelen spleet, waar- 
van het eene gedeelte hemel en aarde, het andere zon en maan , en het derde 
den roensch Manekmaja inhield. Zie Inatitutes of Manu 1 , slok. 8 — 13; en Baf- 
fles, Eist, of Java , II, App. 206. Opmerkelijk is het voorts , dat in deze Ja- 
vaansche mythe ook van een* „ Almagtigen bestuurder" gewag wordt gemaakt, 
die reeds bestond alvorens hemel en aarde geschapen waren , en aan welken , 
tot dat einde. Sang. Ijang Wüeso een vurig gebed rigtte. 

•*) In het Kawi beteekent: djati^ waar, wezentlijk; in het Sanskrit: djati 
geslacht, volksstam, afkomst, voortbrenging, en het adjectivum 



321 

djattaf van goede afkomst» uitmnntend, voortreffelijk, schoon. 
Sanghiang of Sangiang^ gelijk de Dajakkers dien naam uitspreken, is baar- 
blijkelijk het Javaansche Sang Ijang, waarvan het laatste woord ook jwang 
en hjang wordt geschreven, en dat, volgens den Heer Gericke, vermoedelijk 
een e verkorting is van Ae;anj)F grootvader. «San^ (/an^ is de titel voor den 
naam eener godheid; en komt als zoodanig in de onde Javaansche legenden 
dikwerf voor. De lexicographen vertalen hem ook eenvoudig door God. 
Vergelijk W. vou Bumholdt, Kawi-Sprachey p. 101, 200. 

'*) Dien naam draagt aldaar de Stenops tardigradus, bij ons gewoonlijk 
„Inijaard" geheeten. De Maleijers ter westkust van Snmatra noemen dat 
zonderlinge nachtdier, Poekangy de Sandanezen op Java, Moeka; het laatste 
woord beteekent aangezigt, en is aan dit dier gegeven, uithoofde van zijne 
betrekkelijk groote oogen en buitengewone phjsionomie. Wij hebben reeds 
ter gelegenheid van den even vreemdsoortigen Tarsius spectrum aangeteekend 
(bl. 214), dat zoodanige groot geoogde en, bij helder daglicht, meestal een 
zeer dom aanzien hebbende dieren, onder de ligtgeloovige Indische eilanders 
in lange niet ter goeder naam en faam staan. 

*^) Dus: taal van Sangïang (den Dajakschen god); doch de oorspronke- 
lijke beteek enis van die woorden is eigenlijk zooveel als: gewijde taal. 

") Militaire Spectator, 1837, VI, p. 18. 

••) Tijdschrift voor Neêrland^s Indië, 1846, II, p. 188. 

AM) De krijgsmuts is gewoonlijk met vederen van hanen, uilen, neus- 
hoomvogels of van den fraaijen argus-fazant versierd. 

'®') Alhoewel over de twee laatstgenoemde planten en de giftsoorten , welke 
daaruit door de Javanen , Makassaren en andere Oosterlingen bereid worden , 
reeds zeer veel is geschreven, mag het er echter noch verre van af worden 
beschouwd, dat de gewassen, door Bumphius , Thunberg, Leschenault en an« 
dere Kruidkundigen , onder de namen Upas, Ipo, Tjetik en Lignum colubri' 
num vermeld, in botanisch en toxicologisch opzigt, volledig zouden zijn onder- 
zocht en soortelijk bepaald. Ten aanzien van den Javaanschen Pohon antjar 
ofPohon oepasCAxititLTÏs toxicaria) en van den Tjettk-atruik (Strychnos tieute), 
verwijzen w\j den belangstellenden lezer voornamelijk tot de navolgende nieu- 
were wetenschappelijke berigten, waarin men tevens al de oudere, dikwerf 
zeer fabelachtige vertelselen betrekkelijk hunne giftige eigenschappen en uit- 
werkselen op het dierlijke ligchaaro, vindt aangehaald. Leschenault, Memoire 
sur Ie Strychnos tieute et TAntiaris toxicaria, etc. in de Annales du Muséum 
éthistoire iiaturelle, XII, p. 459; Horsfield, Essay on the Oopas orpoison tree 
of Java, in de Verhandelingen van het Bat Genootschap , VII, en in zijne 
Plantae Javanicae rariores, p. 52, Tab. 13; Blume Rumphia, p. 60 sqq., 
Tab. 22 — 24; Mulder, Over het vergif van den Javaanschen üpasboom, in 
bet Natuur- en Scheikundig Archief , uitgegeven door G. T. Mulder en W. 
Wenckebach, 1837, p. 242, waar wij voor het eerst eene naauwkeurige ont- 
leding van het oepas antjar ontvingen. Leschenault en D'. Horsfield , aan welke 
de eer toekomt, van het meest tot de betere kennis dier twee gewassen te 
hebben bijgedragen , beweren beide , dat het oepaa tjetik veel heviger zonde 
werken, maar op Java minder algemeen bekend is, dan het oepas an^'ar: een 

21 



SU 

beweren , dat lijnregt in strijd is met de door ons medegedeelde opgaven om- 
trent het airen en ipoe van Borneo, soorten , die door sommige Natnorkondi- 
gen als niet verschillend van de straks genoemde Javaansche worden be- 
schouwd. Nadere onderzoekingen zullen daarover moeten beslissen. — Wat 
de inlandsche namen betreft, zallen wij hier alleen aanmerken , dat de woorden 
otpoê of opas en ipoe of ipok, uit de Maleiscbe en Boeginesche talen afkom- 
stig, collectief: vergif van planten beteekenen, en dat tjetik, door Raffles, 
als een Balineesch woord, voor vergif in het algemeen wordt opgegeven = 
siren heefi misschien eene soorgelijke onbepaalde beteekenis in eenen tongval 
der bewoners van Bomeo. Pohon beteekent boom, en dus Pohon oepaSj let- 
terlijk : g i f t b o o m. 

"^) Znlk eeii twintig- of vierentwintig*tal ringen , wordt gemiddeld met 2 
realen (ƒ4) betaald. Wanneer slechts aan één' der armen ringen worden ge- 
dragen , geeft men de voorkeur aan den linker. De ringen der vrouwen ver- 
schillen hoofdzakelijk van die der mann'en , doordien zij meestal glad , die der 
laatsten daarentegen steeds oneffen en scherphoekig van oppervlakte zijn. 

"■) Zij noemen zich zelven Oio Ngadjoe of Beadjoe, Oio ofoelae beteekent in 
hnnne taal mensch. Aan;:^aande den volksnaam Ngadjoé^ Beadjoe of Biadjoe 
gelijk men hem verschillend door de vreemdelingen hoort uitspreken, heb- 
ben Malte-Brun en andere schrijvers de meening ^euit, dat hy vermoedelijk oit 
het Sanskrit afkomstig is en zooveel als wilden beteekent. Deze vooronder- 
stelling, door geen bewijs gestaafd, schijnt ons wat ver gezocht en niet aanne- 
melijk. W'j zouden eerder genegen zijn , hem voor eene vervorming te bonden 
van het Javaansche woord t&a<f A/o, dat volk, schaar, heir beteekent, en 
waarmede een voorzetsel (veelligt pi) schijnt verbonden te zijn. De verwisse- 
ling van letters, in woorden uit vreemde talen, neemt men vaak bij de Beadjoe's 
waar, zoo als zij b. v. Praman voor Brahman zeggen: volgens hunne begrip- 
pen een dienaar of slaaf van Hat ala (zie bl. 248). Met het voormelde Ja- 
vaansche wadhjo, schijnt tevens in verband te staan de benaming van dat schier 
onophoudelijk op zee rondzwervende en zich voornamelijk met het vangen van 
visch, tripang en karet-schildpadden bezig houdende volk van Celebes, dat 
onder den naam van Orang Wadjo ofOrang Badjo, in de oostelijke gedeelten 
van den Indischen Archipel bekendissen door de Makassaren Tau-ri-djene 
Cwaterlieden) genoemd wordt. De eerstgemelde, zeer algemeen bekende 
naam van dat visschersvulk, meent Vosmaer, dat afkomstig zoude konnen 
zijn van de Boeginesche uitdrukking wadjo-wadjo^ schaduw beteekenende; 
doch volgens de door ons gegiste afleiding zoude Orang Wadjo, volksscha- 
ren beteekenen, en de toepassing van dezen naam hare verklaring vinden in 
de omstandigheid, dat die visschers hun bedrijfsteedsvlootsgewijze uitoefenen 
en dus altijd bij scharen, nu hier, dan daar verschenen. 

'"*) Zie de jaargangen 1840, I, p. 419, en 1846, n, p. 146. Ook 
boven p. 191 en 196. 

^®*) Soortgelijke rottingmatten ter grootte van 6 — 7 (Rijnl.) voet lengte. 
bij 3 — 4 voet breedte, worden gewoonlijk met ƒ1,50— ƒ2 het stuk betaald; 
doch de Beadjoe^s vlechten, van dezelfde fijnheid, ook veel grootere, zoo al» 
ik er eene bij hen kocht voor ƒ8, die bijna 11 voet langen TVa voet breed i«. 



323 

Buiten deze verTaardigden zj), van dikker rottiogriet, groote vloermatten, die 
onverslijtbaar zijn en van welke ook de klear (natuurlijk en zwart) zeer 
dunrzaam is. Mijne, uit Oost-Indië medegebragte, ethnographische verzame- 
ling bevat eene aanzienlijke hoeveelheid wapenen zoowel, als andere voorwer- 
pen van kunstvlijt der Dajakkers, zoodat zij een duidelijk beeld van den staat 
der beschaving dezer eilanders aanbiedt. 

*°0 Dr. Schwaner, J5omeo, I, p. 190 voert nog eene vierde soort, onder den 
naam Rentian, aan. De door hem Halmauoeng geschrevene naam, is baar- 
blijkelijk eenerlei met ons woord Halmau. Bij hem zijn voorts de zooge- 
naamde vrouwelijke potten afzonderlijk opgegeven, vermits het woord Param'' 
poean, in het Maleisch, vrouw, en laki, in die taal, man beteekent. 

""*) Deze bedwelmende drank, voornamelijk uit katan-rijst en verschillende 
scherp en eenigzins bitter smakende kruiden en vruchten door hen-zelven 
bereid, is, even als brandewijn in het - algemeen, bij de Dajakkers zeer 
geliefd. 

'<^) Gewoonlijk hebben deze draagkorven cc. 0,60 meters hoogte , bij 0,30 
wijdte, van boven en 0,18 van onderen. Deksel en voetrand zijn van ligt hout; 
de korf-zelf is van rottingriet gevlochten en van buiten met de bladscheeden 
van den pinang-, aren- of nibongpalm bekleed, waar weder dunne rottingbanden 
over heenloopen. 

*''*) In het Kawi of oud Javaansch beteekent marto en merto verkwikken, 
laven, gelukkig, zalig maken, poera = stad, residentie. ^ 

"^) Voor den grooten diamant van 77 karaten, ontving de vinder slechts 
500. Sp. matten (= ƒ 1275). 

^") Op onze van den Sultan ontvangene reispassen had dit zegel de grootte 
van een Nederl. kwartje. De titel Panembahan is van Javaanschen oorsprong, 
en beteekent zooveel als: voorwerp van eerbied, of, aan hetwelk eer- 
bied bewezen wordt, afgeleid van sembah, eerbied, hulde bewijzen, 
voornamelijk door het tegen elkander sluiten van de handpalmen , die alzoo 
onder het gelijktijdig vooroverbuigen van bet bovenlijf, aan het voorhoofd 
worden gebragt. De zoogenaamde Rijksbestuurder daarentegen, zet zijn zegel, 
het opschrift Pangeran Mangko Boemi voerende, gewoonlijk met rooden inkt 
boven zijne schriftstukken. 

'^*) Van talij een touw, koord; dus ialian zooveel als gebonden of 
gesloten. 

^") Lingganatif en ook somtijds eenvoudig dodang (een schenkbord, -blad) 
genaamd. 

'*^) Note on the Discover j of Platina in Ava, in AsiiUic Researches, 1834, 
T. XVIII, p. 279 en volgg. 

^'^) Zie Verhandelingen van het Bat. Genootschap . XVII, p. 110 en 116. 
• >••) Zie Tijdschrift voor Neêrlands ludië, 1838, II, bl. 83. 

''') Deze overblijfselen leveren het duidelijke bewijs van den betrekkeiyk 
jongen oorsprong dier aardbeddingen. Soortgelijke voorwerpen z^jn voor het 
overige , te gelijk met versteende beenderen van uitgestorvene dieren , ook 
reeds in de goudvoerende aardlagen , ter oostzijde van den Ural gevonden. 
„ L'époque de la formation de qnelques couches aurifères — teekent de Heer 






324 

Engelmann , in zijne beschrgTing van het distrikt Miask aan — est marquée 
par les restes de Mammouth et des objetsqui ont probablement appartenu aux 
anciens habitants de ces contrées , tels qa'nn coateaa de caiTre et des pointes 
de flècfaes." In A. de Hnmboldt,:A8ie Centrale, T. III, p. 544, overge- 
BOmen nit de Annuaire des Mines de RussU pour 1838 , p. 226. 

"'/Vandaar de bij ons Bestaur gebruikelijke, half Maleische en half Hol- 
landsche benaming van „Lawnt-landen," voor die aan zee gelegene landge- 
deelten. 

*") Onze Fortin'gche barometer teekende, op den top, te 5 nre na den mid- 
dag, 733, 1 mm., de honderddeelige vaste thermometer 26^8, de vrije ther- 
mometer 27^: deze waarnemingen zijn, bij de opgegeven hoogte-berekening, 
herleid tot de gemiddelde standen dier werktuigen, 

><*4i) M. Schwaner, in het Natuw' en Geneeskundig Archief voor Neérland's 
Indiëf 1844, p. 147; Bomeo I, p. 59. 

^**) Alleen de vorsteiyke personen mogen tepa^s van geel laken gebraiken. 

"') Letterlijk: de ligger of liggende laag (van cla^an, Jav. dhokon, 
liggen, zetten, plaatsen); door de Duitsche bergwerkers wordt aan de- 
zelfde zaak dezelfde naam: Liegendes ^ gegeven. De op de tanah batoe of pasir 
rustende aardlaag, het zoogenaamde dak (toithij de Fransche geologen), be- 
stempelen de Banjeresche mijn-gravers eenvoudig met den naam van tanah , 
aarde, grond. 

'^) Wirang (Jav. hireng^ Sund. hideng) beteekent in het Bandjereesch , 
zwart, banjoe water; dus banjoe wirang, zwart water. 

*-') Bij het verdrag van 1756, door de O. I. Compagnie met dien vorst ge- 
sloten, had deze zich verbonden, haar jaarlijks 15000 pikol's peper te zullen 
leveren, tegen den prijs van 6 Sp. piasters de pikol. De prijs van het stofgoud 
werd toen insgelijks bepaald op 12 Sp. piasters de tail. Moniteur des Indes, 
1846, bl. 166. 

''*) Zie A. van der Jagt, Beschrijving der Kokos- of Keeling-eilanden, in de 
Verhandelingen van het Batav.. Genootschap, XIII, bl. 193. 

"*) „ La puissance moyenne des cpuches aurifères de l'Oural — schrijft de 
Heer von Hamboldt — semble être de Z^k ^ 5 pieds. Il y en a cependant aussi 
de 12 pieds dans Ie riche plateau- de Beresovsk. Comme généralement les 
fonilles n'exigent que 10 ^ 15 pieds de profondeur, on les dispose en perce- 
ments k ciel ouvert. Les percemen ts souterrains sont très-rares. Je 
ne les ai trouvés que dans Talluvion de Nagornoi (prés Beresovsk) oU 2 k 3 
pieds de sables aurifères sont recouverts par 15 pieds d'attërissements stéri- 
les." Zie A. de Hamboldt, Asie Ventrale, T. I, p. 504. Nopens de aanzien- 
lijke schatten, welke sedert eenigen tijd door Rusland, aan stofgouden 
platina, nit het Ural-gebergte en de vlakte van Siberië worden getrokken, 
vergelijke men hetzelfde werk, T. I, p. 387, en T. III, p. 513. Van def 
Ural, waar de goudwasschingen eerst in 1814 zijn begonnen, bedroeg de 
verkregene hoeveelheid stofgoud, in 1816, niet meer dan 5 puds 35 pon- 
den (= 96,215 Ned. ponden^. In 1823 echter, was de opbrengst reeds 
tot 89 puds 17 ponden (= 1464,773 Ned. ponden) geklommen, en van 1831 
tot en met 1833 , bedroeg zij gemiddeld 353 puds (= 5782,140 Ned. ponden) 



325 

jaarlijks. Ka dien tijd is de goudoogst aldaar weder eenigzins verminderd, en 
wel tot eene hoeveelheid van omtrent 300 pnds (= 4914,000 Ned. pon- 
den) in het jaar; terwijl daarentegen van toen af des te meer in Siberië gewon- 
nen werd. In 1841, het laatste jaar, tot hetwelk de bescheiden reiken , werden 
nit het diluvinm van den Ural en uit dat tan Siberië te zamen, 658 puds 
(=10778,040 Ned. ponden) gewonnen. 

Wij voeren deze bijzonderheden hier aan en vestigen er de oplettendheid 
onzer landgenooten op, vermits de geogpiostische gesteldheid van Bomeo veel 
overeenkomst toont te bezitten met die van het zoo metaalrijke Ural-gebergte. 
Opmerking verdient vooral ook, wat de Heer von Hnmboldt, aangaande den 
vermoedelijken ouderdom en rijkdom aan edele metalen, in verband met de 
hoofdstrekking van sommige bergketens aanmerkt; „M. £lie de Beaumont — 
zegt de beroemde reiziger — afait voir par des inductions remplies de sagacité 
qne lacontemporanéité des fractures parallëles s*étend aux chafnes demontag- 
nes on aux grandes lignes de sonlèvement. Sons Tinfluence de ces idees, un fait 
qne je v^is consigner k la fin de cette section paratt digne de fixer Tattention 
des géolognes. Les chaines méridiennes, et, par conséquent, parallèles entre 
elles, de l'Oural et des Monts Kousnezk, ont offert de grandes richesses d'or, 
surtont dans les alluvions aurifères de leurs pentes orientales. La chaine mé- 
ridienne du Bolor offre de Tor sur ces deux pentes, mais surtout vers Test. 
Dans la péninsule transgangétique de Tlnde , Tor et Ie platine sont recueillis 
dans la chaine d' Awa et les affluents de Tlrawaddi. C'est même jusqu'ici Ie 
seul point de toute TAsie oh Ie platine a éié découvert hors des confins de la 
Siberië , et ce point se trouve précisément dans la région oh différents sjstè- 
mes de lignes de faites, courant du nord au sud , sont Ie plus rapprochës. £n 
signalantici , pour TAsie comme pour les chaines américaines des Andes,des 
Alleghanj méridinaux et du Brésil, une certaine prédominance d' allu- 
vions aurifères dans les chaines méridiennes , je me home k exposer 
un simple fait , une liaison qui semble exister entre la direction d*axes plus ou 
moins parallèles et des éruptions métallifères sur des crevasses d'un &ge 
très-rapproché." L. c. T. I, p. 221. De keten , welke het Batoes-gebergte 
vormt, en aan welker west- en oost-z|jde de diluviale beddingen r\)k zgn 
aan goud, platina en diamanten, doorsnijdt Bomeo van zijne Zuidpunt (Tan- 
djong Salatan) tot benoorden de evennachtslijn, en zij schijnt, zoo niet de oenige 
dan toch de langste van zoodanig eene, schier zuiver zuid- en noordelijke 
strekking, in geheel den Indischen Archipel te zijn. 

"*) Voor de ontdekking der rijke mijnen in Kalifornie en Australië, is het 
stofgoud uit de Lawut-landen , somwijlen tot ƒ 64 en/ 66 de tail, te Bandjer- 
masin verkocht. 

"'') Zie A. de Humboldt, Asie Centrale, T. I, p. 536. „L'or et Ie pla- 
tine — schryft de Heer Boussingault aan den Heer von Humboldt — „ L'or 
et Ie platine du Choco paraissent venir de la Cordillére d'oh sortent les af- 
fluents du Rio San-Juan , car les alluvions sont d'autant plus riches qu'elles 
sont plus rapprochées des montagnes. Les grains d'or et de platine devien- 
neut plus gros k mesure qu*on remonte , et après les pluies , les orpaillenrs 
font une récolte plus abondante." L. c. p. 520. 



3^6 



ii«'^ 



■) ^ Il est trési-difficile , k cauae de Textrême variété des sites et des pro- 
cédés eioplofés, de fixer pour ane époqae donnée, lecontena moyeii des 
8able.s exploités — merkt de Heer von Ha mboldt, aangaande de goadschatten 
Tan het düuTiam in den Urai aan; — on ne peut fixer qae de certaines limites. 
Lors de mon expédition, en 1S29, la moyenne paraissait ètre de */« ^ 1 ao- 
lotnic par 100 pond de sables aurifères." Asü Centrale, T. I, p. 512. Volgens 
deze raming bevatten das, in den Ural, omtrent 40 Ned ponden goadvoerend 
zand, i korrel (dédgramme) ^ terwgl door ons dezelfde hoeveelheid goud, uit 
25 Ned. ponden goadvoerend zand , op Borneo is nitgewasschen. 

"') Vandaar de naam Goenong Ratoes of Meratoes, d. i.honderdbergen, 
welken deze meridiaan -keten in het algemeen draagt. Schier ieder harer top- 
pen heeft weder zgn' bijzonderen naam. 

"") Bij een groot syeniet^blok aldaar, dat onder den naam van batoe ber^tapo" 
an (steen ter boetedoening) bekend is, wordt door de inboorlingen 
somtijds geofferd, welke godsdienstige handeling voornamelijk bestaat in het 
loslaten van eene kip en bet nitstrooijen van eene kleine hoeveelheid, by dien 
steen gekookte en met kurkuma geel geverwde rijst. 

"') In plaats van mos Tancth-lawut; mtu of ama9 beteekent g«nd. 

*'-) Wij merken dit aitdrukkelgk aan, ter wederlegging van hetgeen door 
den Heer A. von Humboldt daaromtrent in zijn werk: Asie Centrale T. III p. 
535, wordt geopperd, alwaar men leest: „Le gisemcnt des diamants de'Bor- 
néo a été reconna au nord da liea (de Tanah-lawut, niet Tanah-haut, gelijk 
daar staat) que nous venons de décrire, mais toajonrs ^ la pente occidentale 
de la chaine des Monts Ratoos.*' Deze opgave is even onjuist, als die omtrent 
eenen groeten klomp gedegen goud, welke zich in handen van den Sultan van 
Sambas zoude bevinden (1. c. T. I, 525); vermoedelijk eene verwarring met 
den zoogenaamden grooten diamant (een eivormig bergkristal van 1" 
9**, Bijnl. maat, lengte) van den Sultan van Matan op Borneo. Zie hier- 
over Temminck: Coup^doeü général sur /es Possesswn» néerlandaises dans 
rinde archipélagique , II , p. 282, en Veth: Bomeös Wester-a/deelmg , p. 140. 



DRUKFEILEN. 



Bladz. 6,reg. 3 v. ond. staat 44 Va, lees: 4V3. 

Dorcopois , „ Dorcopsis. 

pijlstaartigen , lees: breedstaartigen. 

Zeeuhan en Zeeahen, lees: Zeachan en 

Zeachen. 

Tribolanotus , lees: Tribolonotus. 

overland, lees: oeverland. 

asikf lees: asip, 

NB. Dit zijn slechts de voornaamste drukfouten , die noodzakelijk behooren 
verbeterd te worden. 



n 


71, 


1? 


20 v. b. 


1» 


1» 


72, 


11 


19 V. b. 


11 


n 


118, 




noot 3, 


« 


n 


120, 




« 22, 


n 


n 


157, 


reg 


. 10 V. b. 


stat 


n 


263, 


« 


2 V. 0. 


n 



i 



^ Irtf • i. 



f, 

f! 

.1 



I 



b 



I 



r 





1 



%• • m ■— < 



/ 



1 



■ ■ "n- ■ , ■■ ■• ■ ■■ 



V.v 



m - 

L 



I 






■■■■i^i 



. :j^"" 



r~~-]